Hoe heeft het zover kunnen komen met het onderwijs?
De Commissie Parlementair Onderzoek Onderwijsvernieuwingen heeft op 13 februari een vernietigend rapport uitgebracht. De politiek heeft gefaald en heeft het onderwijs in een vrije val gestort. Dat populistische sprookje doet het uitstekend op het Nederlandse schouwtoneel van 2008. Jeroen Dijsselbloem krijgt als redder des vaderlands geen enkel weerwoord, wanneer hij vertwijfeld de ogen ten hemel slaat over de ramp die ons, het onderwijs en Nederland als geheel heeft getroffen. En dat ten koste van de belangen van dat beklagenswaardige personage het kind. Als Jeroen Pauw hem vraagt of hij de zin onderschrijft dat het politieke belang voor het belang van het kind is gegaan, volgen een diepe stilte, een aarzeling, een zucht: Dat onderschrijf ik wel, die zin. Het is nu de beurt aan leraren en ouders, aan de samenleving, om de kloof tussen politiek en burgers te dichten.De aanleiding voor dit parlementaire onderzoek vormde de grote, alom gedeelde, bezorgdheid over het Nederlandse voortgezet onderwijs. Dat er iets grondig mis is daar is iedereen het over eens. De problemen en klachten zijn in al hun variatie een vast bestanddeel geworden van onze dagelijkse portie nieuws. Minder duidelijk is wat er precies aan de hand is, hoe die problemen zijn te begrijpen en te verklaren, en het is allerminst duidelijk wat er aan gedaan kan worden.
De Tweede Kamer heeft er dan ook verstandig aan gedaan om deze complexe kluwen van moeilijkheden en onvrede eens goed te laten bekijken. Het gaat over veel, en het gaat om uiteenlopende kwesties, die ieder uiterst complex zijn en ieder een eigen analyse vergen. Het gaat over ingrijpende beleidsmaatregelen - hoe die tot stand zijn gekomen, hoe die zich tot elkaar verhouden, hoe de implementatie daarvan is verlopen, en onder welke condities dat is gebeurd. Het gaat om kwesties die emotioneel zwaar beladen zijn. Om de toekomst van onze kinderen, om de toekomst van ons land, om de toekomst van onze kenniseconomie, dat kleine scheepje dat het zo zwaar te verduren heeft op de wilde mondiale baren. Er staat veel op het spel, en dat maakt het moeilijk om met een onbevangen blik te kijken, om de distantie op te brengen die nodig is om over deze kwesties wat zinnigs te berde te brengen.
De commissie heeft met die analyse een begin gemaakt, maar ook niet meer dan dat. Het rapport werpt bijvoorbeeld licht op de vraag hoe het komt dat maatregelen die achteraf bekeken onmogelijk hadden kunnen slagen toch in de Tweede Kamer zijn aangenomen, door weldenkende mensen die dachten daarmee iets goeds te doen. Vastgezet in moeizaam uit-onderhandelde regeeraccoorden en in een gepolariseerd en ideologisch politiek klimaat, zetten ze steeds een volgende stap op de weg van ingrijpende stelselwijzigingen – de invoering van de basisvorming, het vmbo, de tweede fase. En zo voltrokken politieke processen zich volgens eigen wetten. Het waren geen verblinde dictatoren die willens en wetens hun zin doordreven. Aan iedere maatregel die aan de Tweede Kamer ter goedkeuring werd voorgelegd, lagen onderhandelingen ten grondslag. Nu eens met de vertegenwoordigers van leraren, die geen van allen in de basisvorming hun eigen vak wilden inleveren, met als resultaat een 15-vakkenpakket; dan weer met de achterban van politieke partijen, of met de mensen in het land.
Aan iedere maatregel lag een probleem ten grondslag, een kwestie die mensen wilden oplossen. De vernieuwingen kwamen niet uit het niets, vanuit een idyllische nul-situatie, maar ze werden verzonnen om haperingen in het onderwijs te corrigeren. Achteraf bekeken kunnen die ingrepen onzinnig zijn geweest, maar op het moment dat ze werden bedacht waren er mensen die erin geloofden. Dat was een meerderheid in de Tweede Kamer, maar ook daarbuiten was het draagvlak veel en veel breder dan nu gesuggereerd wordt. En, nog steeds blijken sommigen van de hoofdrolspelers zoals mevrouw Netelenbos in de achterliggende principes te geloven. Ze geven toe, dat het anders is uitgepakt dan ze hadden gehoopt of voorzien, maar de ideeën in algemene zin vinden ze nog steeds zo slecht nog niet. Dat zeggen politici zoals zij, en in de media worden ze neergezet als dolenden, die eigenlijk niet helemaal goed bij hun hoofd zijn. Hoe hebben ze zo dom kunnen zijn? En wat een hoogmoed om dat nog steeds niet toe te geven!
Zo wordt het debat over de resultaten van het onderzoek gereduceerd tot een zoektocht naar schuldigen. Als die eenmaal gevonden zijn, is de analyse voltooid en de remedie nabij. Die komt er dan op neer dat politici zich in het vervolg gedeisd moeten houden, zodat burgers het stokje kunnen overnemen. In de woorden van Doekle Terpstra moet de overheid leren loslaten, en is het een zegen dat dit rapport de verantwoordelijkheid weer in handen van de samenleving legt.
Een giftig geschenk, want de problemen waar het om begonnen was zijn daarmee natuurlijk niet opgelost. En die problemen zijn groot en hardnekkig. Wat te doen met leerlingen met grote leerachterstanden, met problemen thuis, met een gebrek aan motivatie, met de gestage toename van zorgleerlingen? Hoe te bepalen welk onderwijs geschikt is voor welke kinderen? Hoe te beslissen over wat kinderen moeten weten en kunnen, over wat de gewenste verhouding is tussen algemeen vormend en toepassingsgericht onderwijs, tussen cognitieve kennis en bredere ontplooiing? En hoe de aansluiting tussen verschillende typen onderwijs te bevorderen, en de doorstroming van kinderen die een verkeerde schoolkeuze willen rechtzetten? Deze opsomming is slechts een selectie van vragen, maar wel een die laat zien hoe gelaagd en complex deze kwesties zijn, hoe lastig ze zijn aan te pakken. Ze laten zich niet reduceren tot een falen van de politiek, laten zich niet vangen in simplificaties of demagogie. Ze laten zich niet oplossen door de Haarlemmerolie van nog meer toetsen.
Zo modderen wij voort, en stommelen van de ene vergissing naar de volgende ramp. We doen het voorkomen alsof politici als soort niet te vertrouwen zijn, en schrijven zo met één pennenstreek de hele parlementaire democratie af. Jeroen Dijsselbloem loopt het gevaar een pyrrhusoverwinning te boeken. Zijn onderzoek zal geen zuivering van de politiek teweeg brengen, maar het wantrouwen aanwakkeren tegenover de politiek, de politici, Den Haag, de hoge heren. Het is misleidend om te spreken van een tweedeling tussen de samenleving en de politiek. Over deze weerbarstige problemen zal nog lang en diep moeten worden nagedacht. Daarover zal geen consensus ontstaan, en alle betrokken partijen zullen dan ook nog heel wat moeten afruzieën en onderhandelen voordat ze oplossingen denken te hebben gevonden.
Rineke van Daalen is sociologe en is verbonden aan de afdeling Sociologie en Antropologie van de Universiteit van Amsterdam.
