Een nieuwe generatie vindt aansluiting bij de dagelijkse werkelijkheid
Tom Helmer en Willem de Vlam -
Gelukkig snoepen toneelmakers de laatste jaren wat minder uit dit potje, maar gedurende enkele decennia zijn dit de sjablonen geweest waarmee een zogenaamd maatschappij-kritische toneelsector zich tegen de wereld afzette. Dat het publiek in deze periode steeds vaker wegbleef, zou volgens de makers in kwestie komen omdat toneel te moeilijk en te experimenteel zou zijn. Het omgekeerde is zeker óók het geval geweest: het toneel was vaak gemakkelijk en overbekend. Gedurende jaren was de inhoud van een toneelproductie dikwijls niet meer dan een fopspeen.
Dit jaar worden plannen voor een nieuwe culturele subsidiesystematiek gemaakt en geïmplementeerd. De discussie in theaterland richt zich momenteel volkomen op de huidige voorstellen, die er naar streven de sector meer te stroomlijnen en de wildgroei aan nieuwe groepjes en initiatieven tegen te gaan. Dit gebeurt echter met zoveel bijval, dat het wel lijkt of er blind van uitgegaan wordt dat met een nieuwe constellatie van geldpotjes het theater als bij toverslag weer tot bloei zal komen. Dat zou een vergissing zijn. Het is minstens even noodzakelijk dat er beter nagedacht wordt over de inhoud van theatervoorstellingen. Daarmee kan de sector een deur open zetten voor een natuurlijk deel van haar publiek, een grote groep Nederlanders die meer dan gemiddeld geïnteresseerd is in cultuur en politiek. Hiermee zou men niet alleen toeschouwers zonder meer kunnen terugwinnen, maar juist net die mensen, die bij machte zijn deze kunstvorm de erkenning van een maatschappelijke functie te geven.
De afgelopen decennia zijn twee ontwikkelingen debet geweest aan het achterblijven van de inhoud van theatervoorstellingen.
Enerzijds is de op zich respectabele groep van vakmatige en traditionele toneelmakers teveel in zichzelf gesloten geraakt. We bedoelen de praktijk waar namen bij horen als Hans Croiset, Johan Doesburg, Ger Thijs en Gijs Scholten van Asschat. In zijn vorm is hun toneel vaak zeer adequaat, zeker voor het bedaagde publiek dat ze bedienen, maar op het inhoudelijke vlak potverteren ze nog altijd klakkeloos de bovengenoemde sjablonen uit de jaren zeventig. De opdracht die ze zich lijken te hebben gesteld om met hun repertoirevoorstellingen de samenleving op kritische wijze uit te beelden, vatten ze argeloos op.
Anderzijds draagt het avant-gardetheater van de afgelopen decennia verantwoordelijkheid voor de inhoudelijke armoede. Toen bleek dat film en televisie veel beter in staat waren om een herkenbare wereld met handelende mensen uit te beelden, verlieten veel theatermakers het idee om hun voorstellingen te maken op basis van een tekst, laat staan een dramatisch werk. Ze concentreerden zich in plaats daarvan op het specifieke kenmerk van theater: het in één ruimte verkeren van acteurs en toeschouwers. Om deze situatie zoveel mogelijk uit te buiten, organiseerden ze als het ware interessante ervaringen die het publiek en de acteurs samen konden ondergaan. Hiertoe zochten ze vaak extremen op. Heel veel licht, of juist veel donker, veel gebeurtenissen, of juist nauwelijks een enkele beweging, de suggestie van extreem geweld of daadwerkelijke fysieke uitputting van de acteurs op het toneel. De geboden ervaringen waren inderdaad vaak bijzonder en de moeite waard - met name omdat ze dikwijls getuigden van bijzondere, onafhankelijke geesten - maar zodra een minder getalenteerde maker aan het roer had gestaan of een met te weinig lef, dan was het al gauw tenenkrommend. En wanneer de ervaring niet beklijfde, was men er na afloop zo goed als niets wijzer van geworden.
Dit zijn de twee belangrijkste factoren die in de afgelopen vijfentwintig jaar het gesubsidieerde toneel hebben beïnvloed. Geen van de twee invloeden was vaak in zuivere vorm te zien. De mengvorm wel: meestal werd een oude dramatekst op originele, eigentijdse wijze uitgevoerd, terwijl ondertussen een paar obligate noten werden gekraakt. Qua vorm was het zonder meer interessant, maar inhoudelijk was het armoe troef en de publieksopkomst daalde gestaag. Inderdaad vermoeden wij een verband.
De sfeeromslag in Nederland na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh heeft in algemene zin, maar ook zeker in dit verband veel voor ons betekend. Het richtte onze blik op deze zwakke plek van de sector.
Allereerst deed die sfeeromslag bij ons het besef doordringen dat wij zowel in persoonlijk als professioneel opzicht, medeverantwoordelijk zijn voor de cohesie van de samenleving en ook dat we daar een levensgroot belang bij hebben. Wij zijn immers verloren als die paraplu wegvalt. Als kinderen van het individualisme die zich altijd gericht hadden op zelfontplooiing, botsten we met onze individualiteit op het belang van het collectief. Door de klap zagen we ineens hoe onbehoorlijk lang theatermakers de eigen dagelijkse, gedeelde werkelijkheid als inhoudelijke bron voor het theater verwaarloosd hadden.
Wij willen terug naar die bron, naar die plaats van betekenis: de spanning tussen individu en samenleving, die wij dagelijks in deze cultuur aan den lijve ondervinden. Zonder daarbij vage omwegen te bewandelen. Dat wil zeggen: met inbegrip van bijvoorbeeld de vertragingen van de NS, de nationale acceptatie van incapabele politici en een geslaagde Serious Request kerstactie van radio-dj's in een glazen huis op het Neude van Utrecht.
Niet dat we vinden dat er van nu af aan enkel krantenkoppentoneel gemaakt zou moeten worden, integendeel. Zoals we allemaal weten heeft de ervaring van de dagelijkse werkelijkheid slechts zijdelings iets te maken met wat er in de krant staat. En betekenis valt ook te genereren met abstractie, emotie, een prikkelende beeld, nieuwe manieren om schoonheid te ervaren... Maar deze 'betekenisdragers' blijven wat ons betreft instrumenten om iets mee te zeggen, iets waar het publiek wat aan heeft. Zo is ons bijvoorbeeld uit eigen praktijk gebleken, dat toneel in staat is om een in de samenleving sluimerend gevoel aan de oppervlakte te brengen, of een collectieve mythe te ontkrachten of met een voorstelling een weldoordachte stellingname te doen.
Hiervoor moet een theatermaker echter wel een daadwerkelijke interesse hebben in de wereld buiten theaterland, die niet ophoudt bij de ambachtelijke beoordeling of bijvoorbeeld van een verhaal een toneelstuk valt te maken. Hij moet zich verantwoordelijk stellen om een voorstelling te maken, die mensen iets over hun leven vertelt waar ze zelf niet één-twee-drie op waren gekomen. Een professionele theatermaker heeft 3 á 4 maanden de tijd om met een onderwerp te stoeien; het is niet gek om te verwachten dat daar op een gegeven moment een oorspronkelijke, houtsnijdende gedachte uit komt rollen die vervolgens goed getheatraliseerd wordt.
En het kán: verschillende jonge theatermakers hebben deze handschoen opgenomen en maken voorstellingen met een open blik naar buiten. Zoals Marijke Schermer van toneelgroep Alaska en Eric de Vroedt met zijn serie Mighty Society. Zij schrijven allebei stukken op basis van een uitgebreide research over uitgekiend gekozen onderwerpen. Schermer onderzocht met haar afgelopen voorstelling bijvoorbeeld hoe we onze welvaart kunnen inzetten om ons geluk te organiseren. De Vroedt maakte vorig jaar twee voorstellingen die de toeschouwer meenam langs het hele spectrum van mogelijke reacties op de dreiging van het moslimterrorisme. Zijn volgende voorstelling, komend voorjaar, zal gaan over de invloed van de globalisering op ons dagelijks leven en wereldbeeld.
De theatergroep Wunderbaum is ook een goed voorbeeld. Het belangrijkste instrument van dit vijfkoppige acteurscollectief om tot hun voorstellingen te komen, is de afgelopen jaren de improvisatie geweest, afgewisseld met een open onderling gesprek. De acteurs van Wunderbaum staan midden in het goede leven van hun eigen generatie. Hiervan zijn ze zich zeer bewust en in het repetitielokaal onderzoeken ze nauwkeurig, bijna sociologisch, wat zij elkaar als zodanig eigenlijk te melden hebben en hoe ze daarop reageren. Steeds weten ze bij het publiek een snaar te raken.
De groep Pipslab verkent al jaren op volkomen authentieke manier de mogelijkheden van multimedia-technologie; de nieuwe technologieën die zij ontwikkelen voor hun voorstellingen worden door het publiek beleeft zoals het zich ook opstelt tegenover de nieuwe i-pod; als nieuwsgierige aapjes met een wonderbaarlijk speeltje. Hun presentatie van onze houding ten opzichte van technologie, sluit aanzienlijk beter aan bij de dagelijkse werkelijkheid, dan de dystopiën van de Franse romancier Michel Houellebecq, die de afgelopen seizoenen populair waren in het theater.
Opium voor het Volk, het toneelinitiatief van ondergetekenden, werkt vanuit het idee dat er veel huiswerk gemaakt moet worden voordat een publiek naar binnen wordt gehaald. Dit betekent dat er een oorspronkelijke gedachte moet zijn, de voorstelling een nieuw gezichtspunt moet innemen, en een boodschap moet verkondigen die op basis van goede argumenten te verdedigen valt. Met een kern van twee academisch geschoolde schrijvers, ligt bij ons een zware nadruk op de research en de speeltekst. We streven ernaar een doordacht voorstellingsconcept te ontwikkelen, dat in het repetitielokaal een rijke inspiratiebron wordt voor de getalenteerde podiumkunstenaars met wie we samenwerken. Ons publiek reageert uiterst dankbaar op een toegankelijke en solide speeltekst, die expliciet de eigen dagelijkse werkelijkheid tot onderwerp heeft.
Gezien de reacties op onze eerste twee voorstellingen en het werk van onze collega's, lijkt het erop of er weer een weg naar buiten gevonden is. En het werd tijd. Het gesubsidieerde theater kan niet langer volstaan met het aanbieden van bijzondere ervaringen, al dan niet in de rug gedekt door een quasi kritische houding. De sector kan het zich niet langer veroorloven vanaf de achterste rij propjes naar de leraar te gooien, maar moet zo nu en dan naar voren treden en een spreekbeurt houden waar iedereen wat van opsteekt. Het zal haar goed doen.
Tom Helmer en Willem de Vlam, Opium voor het Volk
www.opiumvoorhetvolk.com