Vrijzinnigheid als politiek alternatief: naar een nieuwe VDB
Vrijzinnig linksDe vrijzinnigheid heeft in het cultuurpolitieke debat in Nederland nieuwe impulsen gekregen. Het begrip is niet alleen actueel in de huidige confrontatie tussen religieuze en seculiere levensbeschouwingen en in het meer algemene debat over tolerantie en de vrijheid van meningsuiting. Ook in de partijpolitiek is de vrijzinnigheid weer prominent aanwezig, zoals binnen GroenLinks en D66 en in de kritiek van alle liberale partijen op het moralistische, zo niet betuttelende beleid van de huidige sociaal-christelijke regering. In die regering zou de PvdA het vrijzinnige element vertegenwoordigen, zo verzekerde partijleider Bos. Maar velen vinden inmiddels dat de PvdA de mooie woorden uit haar Beginselmanifest van 2005 (Wij verdedigen een vrijzinnige moraal) niet waarmaakt en teveel meebuigt met een communitaristische en paternalistische agenda. Het Kamerlid Jeroen Dijsselbloem, de ideologische voortrekker van dit nieuwe paternalisme, kreeg door de jeugdafdeling van zijn partij al het lidmaatschap van de ChristenUnie aangeboden: Wij, de Jonge Socialisten, zijn vrijzinniger.
Femke Halsema komt de eer toe het begrip met haar artikel Vrijzinnig links uit 2004 weer op de ideologische agenda te hebben gezet. Ook zij kwam al in het geweer tegen wat zij het Dijsselbloem-moralisme noemde. Zonder afstand te willen doen van de waarde van gemeenschapszin, wilde Halsema nadrukkelijker proberen aan te sluiten bij het GroenLinkse gedachtegoed van vrijzinnigheid, anarchisme en emancipatie. Het verkiezingsprogramma uit 2006 bevatte in lijn daarmee de volgende mooie woorden: In ons veelkleurige land hebben mensen verschillende leefstijlen. Daar gaan we ontspannen mee om. Iedereen heeft het recht anders te zijn en iedereen beleeft zijn geloof op eigen wijze. In een vrijzinnig land staan grondrechten als de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst hoog in het vaandel. Niemand voelt zich opgesloten in opgelegde normen en waarden. Zo worden meisjes nooit gedwongen een sluier te dragen. En durven homoseksuele jongeren uit de kast te komen. Iedereen heeft de vrijheid zich te ontplooien en maakt zijn eigen keuzes in het leven.
Ook het verkiezingsprogramma van D66 eigende zich de term vrijzinnigheid toe: Wij zijn de vrijdenkers van de politiek. Voormalig fractieleider Lousewies van der Laan noemde het recht op vrijzinnigheid een kernwaarde van D66. Het ging in haar ogen om de vrijheid om anders te denken. Om onafhankelijk te blijven, los van bestaande belangen. Om af te wijken van de algemene mening. De vrijheid om nooit automatisch gezag te accepteren. Om altijd vragen te blijven stellen bij datgene wat je dominee, je vakbondsleider, je leraar of je imam je als onweerlegbare waarheid voorhoudt… Vrijzinnigheid is de mogelijkheid om je mening en je handelen niet te laten bepalen door de groep waartoe je behoort, het geloof dat je belijdt, of de ideologie die je aanhangt, maar uitsluitend door je zelfbewustzijn. Haar opvolger Alexander Pechtold omschreef het liberalisme in zijn zuivere vorm als vrijzinnig en sociaal. Het samen-kabinet probeerde in zijn ogen op oneigelijke wijze ruimte te veroveren op vrijzinnigen en liberalen. Maar een samenleving is een som van individuen, niet een verdeling van een collectief.
Vrijzinnig kruispunt
Zo is vrijzinnigheid vooral door links herontdekt als politieke categorie. Het ondergaat daarmee een verbreding ten opzichte van traditionele religieuze of kerkelijke betekenissen, waarbij al gauw wordt gedacht aan rekkelijke vormen van protestantisme of aan de VPRO. Maar dan vergeet men dat het begrip in de eerste helft van de vorige eeuw in de Nederlandse politiek een grote rol speelde, in de gedaante van de Vrijzinnig Democratische Bond die in 1901 werd opgericht en in 1946 opging in de PvdA. D66 (en niet de PvdA) kan worden gezien als de belangrijkste naoorlogse erfgenaam van deze partij. Maar de vrijzinnigheid kan bogen op een nog veel langere traditie, die teruggaat op denkers als Erasmus, Coornhert en Hugo de Groot, met eigentijdse uitlopers in het humanisme. In zijn boek Over religie, moraal en politiek. Een vrijzinnig alternatief (2005) wijst Wibren van der Burg de vrijzinnigheid zelfs aan als een kenmerk van de gehele Nederlandse samenleving en politiek. Het gedoogbeleid rond drugs, de liberale wetgeving rond abortus, euthanasie en het homohuwelijk, de tradities van tolerantie en polderen en van respect voor minderheden zijn wezenlijk voor de stijl waarop in Nederland politiek wordt bedreven.
Vrijzinnigheid is de vrijheid om anders te denken en te leven. De filosoof Kant gaf de Verlichting als slogan mee: durf voor jezelf te denken, tegen alle gezag in. Die denkstijl en geesteshouding verhoudt zich slecht tot absolute zekerheden en ingesleten dogmas. Zij staat principieel open voor kritiek. Zij durft te twijfelen en relativeert het eigen gelijk, en botst dan ook met alle vormen van fundamentalisme en intolerantie. Vrijzinnigheid staat voor een principieel pluralisme en de toegang van alle overtuigingen en levensvormen tot het publieke debat en het politieke domein. Dat veronderstelt kansen op individuele zelfontplooiing, een principiële gelijkwaardigheid van alle mensen, en een goed functionerende democratische rechtsstaat. Werkelijk pluralisme veronderstelt dus het recht op individualisme en zelfs nonconformisme binnen alle geloven, culturen en gemeenschappen. Elementen ervan treffen we aan in alle godsdiensten en levensbeschouwingen, inclusief het seculiere humanisme. Overal, ook binnen de islam, zijn nieuwe personalistische vormen van geloof en spiritualiteit in opkomst.
Zodoende arriveren we op een vrijzinnig kruispunt: een publieke ontmoetingsplaats voor personalistische stromingen in alle religies en levensvisies. Voorbeelden zijn te vinden in het werk van al genoemde protestantse rechtsgeleerde Wibren van der Burg, de katholieke theoloog Erik Borgman en dat van de islamitische schrijvers en theologen als Omar Nahas, Fouad Laroui, Fadoua Bouali, Abdulwahid Van Bommel, Abu Zaïd en Mohamed Ajouaou. In De moslim die ik ben (2006) vergelijkt de laatste zijn rekkelijke geloof met een elastiekje: hoe meer men het oprekt, des te meer ruimte het geeft, maar des te steviger het de boel ook bij elkaar houdt. Hetzelfde trefpunt wordt vrijgelegd door Ludo Abicht, die in Ware geuzen zijn Turks noch Paaps (2005) pleit voor een vrijzinnige oecumene: Vrijzinnigen aller levensbeschouwingen, verenigt U! Die oecumene is volgens hem strijdbaar, omdat zij zich keert tegen alle vormen van fundamentalisme en intolerantie, inclusief die van de Verlichting, de wetenschap en het militante atheïsme.
Abichts actief pluralisme wordt in mijn boek Een zwak voor Nederland (2005) geflankeerd door een actief relativisme, dat eveneens uitgaat van een verzwakking van het eigen gelijk en van de wil tot waarheid als voorwaarden voor de dialoog met aanhangers van alternatieve wereldbeschouwingen, inclusief de seculier-wetenschappelijke. In weerwil van pretenties van waardevrijheid, universalistische geldigheid en objectiviteit, stoelt ook de moderne wetenschap uiteindelijk op waardegebonden en interpretatiegevoelige beslissingen over wat het geval is. Die actieve onzekerheid is een veel belangrijker erfenis van het Verlichtingsdenken dan de zekerheden die ons worden opgedrongen door degenen die zich tegenwoordig graag op de Verlichting beroepen.
Een vrijzinnig beschavingsoffensief
Deze zelfrelativering lijkt op het eerste gezicht de strijdbaarheid te ondermijnen. Het slechte relativisme leidt inderdaad tot onverschilligheid en cynisme: alle opvattingen zijn even goed als alle andere. Maar zoals de cultuursocialist Hendrik de Man wist: Een weinig relativiteit verwijdert van de zekerheid van wil, meer relativiteit leidt tot haar terug. Het welbegrepen relativisme is oordeelsvaardig, polemisch en offensief. Onze vrijzinnige cultuur is superieur aan andere culturen juist omdat wij niet pretenderen de morele waarheid in pacht te hebben en onszelf beter kunnen verplaatsen in de standpunten van anderen. Ook Van der Burg signaleert dat vrijzinnigen gemakkelijk te soft worden gevonden, omdat zij niet gauw denken dat zij God aan hun zijde hebben. Maar het is jammer dat een herkenbare vrijzinnige tegenstem in het publieke debat ontbreekt. Vrijzinnigen moeten volgens hem zelfverzekerder gaan optreden, strijdbaarder worden, scherpe kantjes ontwikkelen.
Het is daarom niet tegenstrijdig om te spreken van een vrijzinnig beschavingsoffensief. Vrijzinnigen doen een beroep op alle gelovigen en ongelovigen om hun wereldbeschouwing te individualiseren en qua waarheidsaanspraak te temperen. Dit vrijzinnig individualisme kan dan ook worden opgevat als een publieke norm. Zij onderstreept het recht van allen om een geloof te omarmen of ervan af te vallen, en om gemeenschappen vrijelijk te kiezen of te kunnen verlaten. De rechtsstaat is in dit opzicht niet neutraal maar normatief. Zij verdedigt de vrijheid van levensbeschouwing en levenswijze, ingeperkt door het schadebeginsel en het discriminatieverbod, en legt daarmee het recht op anders zijn grondwettelijk vast. Vrijzinnigen vermijden arrogante vormen van paternalisme, omdat zij niet bang zijn om zichzelf en hun eigen overtuigingen op het spel te zetten. Vrijzinnig moraliseren is geen tegenstrijdigheid, maar een voorwaarde voor een democratische dialoog, mits zij wordt gemengd met een dosis zelfrelativering en zelfspot, zoals Tsjalling Swierstra en Evelien Tonkens eerder in Waterstof hebben uitgelegd.
Ideologische zuivering
Als de vrijzinnigheid op deze manier een omvattend politiek begrip wordt, kunnen we ons afvragen of zich niet eenzelfde trefpunt of oecumene aftekent in het politieke spectrum: Vrijzinnigen aller partijen, verenigt U! Nu zijn er wel nadelen verbonden aan een semantische inflatie van het begrip. Femke Halsema noemde GroenLinks aanvankelijk de laatste linksliberale partij, maar zij koos al snel voor vrijzinnig links uit vrees dat liberalisme teveel verbonden was met marktdenken en culturele vrijblijvendheid. Het is echter kunstmatig om het L-woord zo angstvallig te mijden, en de cultuurpolitieke term vrijzinnigheid zo ver op te rekken dat zij alles omvat. Het wringt wanneer men gaat spreken van een sociaal-economische vrijzinnigheidsagenda of van vrijzinnige vernieuwing wanneer het gaat om zaken als de flexibilisering van de arbeidsmarkt of het ontslagrecht.
Het huis van het liberalisme heeft (net als dat van het socialisme) vele kamers. Het is wel degelijk zinvol om te onderscheiden tussen linkse of sociale en rechtse of asociale vormen van liberalisme, net zoals het gepast is om te polariseren tussen vrijzinnige en rechtzinnige varianten ervan. Het is onvruchtbaar (en niet vrijzinnig) om het liberalisme te willen zuiveren en monopoliseren voor de eigen stroming of partij. Als Mark Rutte zegt dat het liberalisme van zichzelf al sociaal is, en het adjectief dus overbodig is, bezondigt hij zich aan dezelfde essentialistische stelligheid als Jan Marijnissen, die zeker weet dat het liberalisme nooit sociaal kán zijn. Patrick van Schie, de directeur van de Teldersstichting, streeft naar dezelfde ideologische zuivering wanneer hij beweert dat vrijzinnig-democraten geen liberalen zijn. Artikel 23 is volgens hem wezensvreemd aan de hoofdstroom van het liberalisme. De vrijzinnig-democraten die voorstanders waren van de Pacificatie en de financiële gelijkstelling van bijzonder aan openbaar onderwijs horen daarin niet thuis (NRC Handelsblad 8.12.05). Maar die bewering is het exacte spiegelbeeld van Pechtolds poging om het zuivere liberalisme juist als sociaal en vrijzinnig voor te stellen.
Willem Treub en de VDB
Op zoek naar een vrijzinnig kruispunt in de politiek kunnen we inspiratie vinden in de geschiedenis van de Vrijzinnig Democratische Bond. Het is trouwens pikant dat de VDB zelf niet liberaal wilde heten, omdat zij het liberalisme vereenzelvigde met eenzijdig marktdenken en cultureel conservatisme. In haar 45-jarig bestaan probeerde zij consequent een derde weg te bewandelen tussen marktliberalisme en staatssocialisme. De belangrijkste denker van het liberale radicalisme, dat spoedig de vrijzinnig-democratie ging heten, was de Amsterdamse wethouder, hoogleraar staathuishoudkunde en latere minister van Financiën Willem Treub (1958-1931). Vanaf 1894 publiceerde hij een aantal theoretische opstellen waarin hij darwinistische opvattingen probeerde te verzoenen met de noodzaak tot sociale coöperatie (gebundeld in Sociale Vragen uit 1904). Daarmee keerde hij zich zowel tegen een eenzijdig individualisme dat het eigendomsrecht als een absolutum beschouwde, als tegen een eenzijdig socialisme dat streefde naar nivellerende gelijkheid en dat de individualiteit gemakkelijk onderdrukte. De grote levenswet van de gehele organische natuur was dat vooruitgang alleen te bereiken was via strijd en selectie: Neem uit de natuur den onderlingen wedijver weg en gij houdt niets over dan de levenslooze materie; zóo is het ook in de menschelijke maatschappij. Het was utopisch en onvruchtbaar om deze concurrentiestrijd te willen opheffen, zoals de socialisten voorstonden; maar zij moest wél worden verzacht en op een hoger en beschaafder plan worden gebracht.
Het was de staat die deze strijd op het algemeen welzijn kon richten en de persoonlijke individualiteit kon bevorderen, en wel via beperkingen van het eigendomsrecht. De staat moest streven naar gelijkheid in ontwikkelingsvoorwaarden voor alle individuen. Als het economisch liberalisme de vrije teugel kreeg zou dat leiden tot bandeloosheid: de strijd om het bestaan zou allengs meer gaan neigen tot eene dierlijke worsteling tusschen sterkeren en zwakkeren. Het overdreven individualisme van de liberale orthodoxie schiep een tegenstelling tussen de economische en de natuurlijke waarde der individuen: verdienste en positie verhielden zich vaak omgekeerd evenredig tot elkaar. De vrijzinnig-democratie streefde volgens Treub dus niet naar een vorm van gelijkheid die het verschil in persoonlijke waarde en betekenis van de individuen miskende, maar het trachtte anderzijds alle ongelijkheden te bestrijden die niet in verschil van persoonlijke waarde en betekenis haar oorzaak en rechtvaardiging vinden. Het bezit mocht bij de bepaling van de individuele waarde niet in aanmerking komen. In die zin streefde het darwinisme naar een aristocratie van den echten stempel: een aristocratie van verdienste.
Dezelfde schets van een sociale meritocratie is te vinden in de programma-brochure Wat de vrijzinnig-democraten willen van de VDB uit 1937. Het leidend beginsel is dat de ontwikkelingsvoorwaarden voor ieder gelijk moeten zijn. In de samenleving moet ieder de plaats krijgen, die hem of haar op grond van eigen persoonlijkheid, aanleg, karakter, geschiktheid en arbeid toekomt… zonder dat hij daarin belet wordt door factoren, die met die persoonlijkheid en die bekwaamheid niets te maken hebben, zoals rijkdom, stand, sexe, godsdienst, afkomst, politieke richting. De VDB wilde geen onbestaanbare gelijkheid en geen opheffing van de strijd om het bestaan, maar wel een rechtvaardiger inkomensverdeling en bescherming van de economisch zwakkeren. De strijd tegen het kapitaalsoverwicht viel niet samen met de strijd voor het socialisme. Dat betekende: behoud van de particuliere bedrijfsvrijheid, maar ook matiging van de ongebreidelde concurrentiestrijd. Het ging erom het juiste evenwicht te bewaren tussen het individuele en het sociale. Economische democratisering was daarbij een logisch uitvloeisel en complement van de politieke en culturele democratie. Economische dogmas waren net zo taboe als culturele of politieke. Elke poging om te tornen aan de vrijheid van gedachtenuiting moest met kracht worden geweerd. Ook in de politiek moest er eerbied zijn voor andersdenkenden, respect voor minderheden en verdraagzaamheid.
Op naar een nieuwe VDB
Misschien moet het opgaan van de VDB in de PvdA in 1946 als een historische vergissing worden beschouwd. Het feit is in ieder geval dat de vrijzinnig-democratische politiek daardoor in tweeën is gebroken en verstrooid is geraakt. De derde weg van het sociale liberalisme bleek op korte termijn onbegaanbaar. Onder druk van de concurrentie met de succesvolle CPN boog de PvdA al snel terug naar de rode symbolen en socialistische beginselen van de vooroorlogse SDAP. Vrijzinnig-democraten als Joekes en Schermerhorn waren in het gijzelaarskamp St. Michielsgestel zodanig begeesterd geraakt door de doorbraakgedachte dat zij zich hiertegen nauwelijks verzetten. De eerste beginselprogrammas van de PvdA werden sterk getoonzet door het personalisme van Willem Banning, dat een christelijk geïnspireerd gemeenschapsdenken paarde aan een uitgesproken socialistisch rechtvaardigheidsstreven. Voormalig VDB-minister van Financiën en burgemeester van Rotterdam Pieter Oud brak eind 1947 met de PvdA, om het jaar daarop met andere vooruitstrevende liberalen de VVD op te richten (die eveneens de term liberaal in haar naam vermeed). Ofschoon de PvdA vrijzinniger was dan de SDAP en de VVD socialer dan haar voorganger de Liberale Staatspartij, was het effect per saldo dat socialisme en liberalisme opnieuw gepolariseerd raakten. Omdat de breuk met Oud waarschijnlijk te voorkomen was geweest, heeft de PvdA de VVD in zeker opzicht aan zichzelf te danken.
D66 heeft opnieuw geprobeerd om de derde weg van de VDB te bewandelen, maar dat gebeurde zwalkend en met wisselend succes. De partij is er niet in geslaagd om de klassieke links-rechts tegenstelling daadwerkelijk te doen ontploffen: daarvoor fungeerde zij teveel als bijwagen van zowel linkse als rechtse regeringen, zonder een eigen politieke zwaartekracht te ontwikkelen. De radicale kansengelijkheid die de VDB voorstond heeft zij nooit duidelijk geformuleerd of verdedigd. Die erfenis lijkt beter te worden opgenomen door de Halsema-stroming in GroenLinks, maar deze is lang niet onomstreden. De sociaal-liberale helft van de PvdA, die zich eerder vertegenwoordigd voelt door het vrijheidslievende Beginselmanifest dan door de communitaristische compromissen van de huidige regeringsdeelname, heeft weinig stem en energie. Wonderlijk genoeg herhaalt de geschiedenis van 1946-48 zich, voorzover de PvdA opnieuw terugbuigt naar oude vormen en gedachten als zij moet concurreren met een echte socialistische partij zoals de SP.
Een nieuwe VDB zou het gehele traject bespelen tussen SP en VVD, opnieuw een derde weg zoekend tussen de ouderwetse communitaristische sociaaldemocratie (want de SP is de PvdA van de jaren vijftig) en het neoliberale marktfundamentalisme. De SP is wel een sociale maar geen vrijzinnige partij: zij heeft een centralistische, dogmatische en debatvijandige cultuur, zoals de kwestie-Yildirim nogmaals bewijst. De VVD is geen sociale en ook nauwelijks nog een vrijzinnige partij, als men let op haar van Wilders geleende islamofobie en nationalistische integratiedwang. Een nieuwe VDB zou zich bovendien afzetten tegen religieuze, socialistische en conservatieve vormen van gemeenschapsdenken zoals te vinden bij de SP, het CDA, de ChristenUnie, de PvdA en in restvorm ook bij GroenLinks. Eerder dan door het personalisme van Banning zou zij zich laten inspireren door het sociaal-individualisme van Jacques de Kadt, die meer nog dan de voormalige VDBers het Banning-denken in de vroege PvdA van kritische antistof voorzag.
Een nieuwe VDB heeft niet alleen tot doel om het liberalisme te redden van rechts, maar ook om het socialisme te redden van links. Het heeft geen zin om woordfetisjisme te plegen en het L-woord uit alle macht te vermijden. Het begrip liberalisme is altijd gehanteerd in zowel culturele, politieke als economische zin, en een imperial overstretch van het begrip vrijzinnigheid is ongewenst. Linksliberalisme, sociaal-liberalisme, vrijzinnig socialisme of sociaal-individualisme zijn wat mij betreft termen die daarvoor inwisselbaar zijn. De kern van de zaak is de directe koppeling tussen vrijzinnigheid en democratische kansengelijkheid, die elkaars levensvoorwaarde vormen. Een consequent individualisme, aldus Remko van Broekhoven in Staat van tederheid, tracht niet alleen het eigen lot te verbeteren, maar ook dat van andere mensen zoals wijzelf of zelfs mensen die onze gelijken niet zijn. Die verzoening tussen egalitarisme en liberalisme wordt perfect uitgedrukt in de titel van de GroenLinks-nota Vrijheid eerlijk delen. Dat de vrijheid er voor allen moet zijn vereist een radicale gelijkheid van kansen die niet terugdeinst voor de herverdeling van economisch en cultureel bezit, dus voor een meer rechtvaardige spreiding van inkomen, kennis en macht. Het doel is om zoveel mogelijk mensen de materiële kansen te bieden om zichzelf cultureel te verheffen en de vrijzinnigheid te ontwikkelen die nog steeds het privilege is van een kleine groep. Op die manier wijst het ideaal van de radicale kansengelijkheid zowel voorbij het platte materialisme als voorbij de culturele benepenheid die Nederland steeds meer in hun greep hebben.
*Dit stuk verscheen in iets gewijzigde vorm in een speciaal nummer van Civis Mundi (46:4) over vrijzinnigheid.
