Tolerantie van links
Links heeft lange tijd lak aan tolerantie gehad. Dat gold in het verleden aan beide kanten van het ijzeren gordijn. Als je in de jaren tachtig van de vorige eeuw van Amsterdam naar Moskou reisde, hield de culturele variëteit die je in Amsterdam gewend was bij de muur abrupt op. In Moskou, Praag of Oost Berlijn kon je in de kiosken meestal maar één krant kopen. Er waren geen etnische wijken of etnische restaurants, geen feministische boekhandels of gay pride optochten, geen Islamitische of Joodse slagers. Af en toe zag je een kerk of synagoge, maar geen jongere die daar nog heen ging. Lang voor we hier het waarden en normen debat hadden uitgevonden, waren de Sovjets grote voorstanders van een opgelegde moraal: Absolute vrijheid is een bedenksel van degenen die van bombastische frases houden. Individuele vrijheid is alleen aanvaardbaar binnen een bepaald raamwerk en mag niet ten koste van de samenleving gaan (..) We staan geen propaganda van geweld toe, pornografie is uitgesloten, we keuren geen werken goed die in strijd zijn met morele principes en waarden die voor de mensheid als geheel opgaan. Dat is geen citaat van de Nederlandse conservatief Spruyt, maar van een Russische radioverslaggever, die de politiek van de Russische regering aan het volk uitlegde. Het was monocultuur wat de klok sloeg. Ik kan me nog goed herinneren hoe bij de val van de muur de Engelse conservatieve filosoof George Steiner de loftrompet stak over de boekhandels in het Oostblok: geen vieze blaadjes, spotgoedkope klassiekers, alleen maar literatuur van beroemde schrijvers. De slordige en vaak vunzige rafelrand van het Westen, die had je aan gene zijde van de muur niet.Helaas was het aan deze kant van het gordijn niet veel beter wat het tolerantiegehalte van links betreft. De grote linkse ideoloog van de jaren zestig, de filosoof Marcuse, veegde de vloer aan met de culturele diversiteit, die door het kapitalisme was ontstaan. De verschillen ten spijt, leefden we volgens Marcuse in een ééndimensionale wereld van kapitalisme en commercie. Al die culturen en subculturen waren slechts een voorbeeld van de onwaarschijnlijke absorptiekracht van het systeem. Elke tegencultuur werd opgezogen in de consumptiecultuur. Critici van het kapitalisme liepen er via de voordeur in en kwamen er aan de achterdeur als consumenten weer uit. De diversiteit die we om ons heen zien, is volgens Marcuse dan ook geen teken van tolerantie, maar van schijntolerantie. Repressieve tolerantie noemde hij dat. Echte tolerantie begon pas nadat de klassentegenstellingen waren opgeheven en dankzij de bevrijding van de productiekrachten een staat van materiële overvloed was bereikt. In feite beweerde Marcuse dat tolerantie pas begint in situaties waarin geen wezenlijke conflicten meer voorkomen en alle mensen aardig tegen elkaar zijn. Daarmee beging hij een dubbele fout. Allereerst weigerde hij in zijn werk in te gaan op wat dikwijls de paradox van tolerantie wordt genoemd – het feit dat men zaken duldt die men eigenlijk onverdraaglijk vindt. En ten tweede zag hij over het hoofd dat zelfs een maatschappij van overvloed, waarin iedereen elkaar gunstig gezind is, niet zonder tolerantie kan.
Tolerantie heeft niets met slechte of goede bedoelingen, noch met verschillen tussen arm en rijk te maken. Het doet zich voor op het moment dat je met (groepen) mensen moet samenleven en werken met wie je het hartgrondig oneens bent. Dat kunnen je vijanden, maar ook je vrienden zijn. Over het algemeen geldt: hoe vrijer, rijker en gelijker mensen worden, des te moeilijker het wordt hen in één geloof verenigd te houden. Neem bijvoorbeeld Jan, Els, Truus en Bernard, vier denkbeeldige vrienden die allemaal het beste met elkaar voor hebben. Probleem is alleen, dat Jan, Els en Truus maar niet begrijpen waarom Bernard nog in God gelooft. Ze vinden religie uit de tijd. Jan is geneigd beleefd naar Bernard te luisteren, maar grijpt intussen elke gelegenheid aan om hem van zn geloof af te brengen. Els is daarentegen oprecht geïnteresseerd waarom Bernard gelooft. Truus, ten slotte, maalt niet om religie. Ze weet dat onderwerp in het gezelschap van Bernard altijd keurig te omzeilen. Van Bernards drie vrienden is alleen Els tolerant. Zij vindt dat ze goede redenen heeft niet in God te geloven, maar beseft dat ze de waarheid niet in pacht heeft. Ze weet dat verstandige mensen het oneens kunnen zijn en ze vindt Bernard niet star of dogmatisch. Dat neemt niet weg dat ze van oordeel is dat Bernard het bij het verkeerde eind heeft en ze houdt dat niet voor hem verborgen. In discussies doet ze haar best haar onbegrip te rijmen met haar respect voor zijn persoon. Ondertussen blijft ze hopen dat Bernard uit eigen beweging van zn geloof afstapt. Voor haar is het verschil tussen ergens van overtuigd worden en ergens toe gedwongen worden van cruciaal belang. Jan, daarentegen, is sceptisch over dat onderscheid. Wat Jan betreft is er altijd sprake van dwang. Wat een mens doet, doet hij telkens onder druk van anderen. Overtuigingen zijn volgens Jan geïnternaliseerde vormen van dwang. Het gaat te ver te beweren dat Jan en Truus geen goede vrienden van Bernard zijn, maar het is wel duidelijk dat hun vriendschap risico loopt. Truus weigert consequent een onderwerp aan te snijden dat voor Bernard belangrijk is, terwijl Jan in principe geen kans onbenut laat om Bernard van zn geloof te brengen. Els tolerantie, tenslotte, heeft een duidelijk grens: zodra Bernard zijn geloof met geweld aan anderen oplegt en hun persoonlijke of lichamelijke integriteit aantast, is het afgelopen met haar tolerantie. Tolerantie, kortom, is een begrip dat het niemandsland bestrijkt tussen (nog net) gedogen en respect. Als je iemands mening of houding respecteert, of daar onverschillig tegenover staat, hoef je geen moeite te doen die te verdragen.
Een afgerond verhaal over tolerantie moet aan twee criteria voldoen: je moet duidelijk maken waarom er zaken zijn die je afkeurt maar toch verdraagt, en je moet de grens tussen het tolerabele en het intolerabele aangeven. Tolerantie is een morele deugdvoor zover mensen binnen de grenzen van het tolerabele moeite doen hun meningsverschillen uit te vechten zonder respect voor elkaars persoon te verliezen. Tolerantie is verder een gelaagd begrip. Zo bestaan er praktijken van tolerantie, die niet expliciet op de waarde van tolerantie zijn gebaseerd. Om bij het voorbeeld hierboven te blijven, Truus onverschilligheid jegens religie maakt haar toleranter dan Jan, die Bernard bij wijze van spreken tot in de huiskamer met zijn seculiere bekeringsdrang achtervolgt. Dankzij Truus onverschilligheid kunnen Bernard en Jan het over andere zaken hebben. Zolang ze het onderwerp van religie mijden, kan er een praktijk van tolerantie ontstaan zonder dat één van de partijen zich op de waarde van tolerantie hoeft te beroepen. Stel nu, dat Bernard de afspraak om over het geloof te zwijgen verbreekt.Mijn geloof is niet zomaar een mening, zegt Bernard tegen Jan, mijn geloof is wat ik ben. Opinies kan ik thuis laten, maar ik kan mezelf, mijn identiteit, niet thuis laten. Op dat moment worden Bernard en Jan gedwongen zich af te vragen wat de waarde van tolerantie is.
Ik had het er aan het begin van dit stuk over dat links zich zelden expliciet op de waarde van tolerantie heeft bezonnen. Dat kwam voor een deel omdat links er vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw op vertrouwde dat iedereen vanzelf het linkse licht zou zien. Pas als links de wereld voor zich gewonnen had, zou er echte tolerantie komen. Links keerde zich na verloop van tijd niet alleen tegen onderdrukkende kapitalistische arbeidsverhoudingen, maar tegen onderdrukking überhaupt. Of het nu ging om sekseverhoudingen, gezinsverhoudingen, zorgverhoudingen, of de verhouding van het individu tot zichzelf, overal ontdekte links de sporen van onvrijheid, ongelijkheid en geweld. Steeds sterker werd links allergisch voor alles wat normaal was. Het verdedigde de marge tegen het centrum, de waarde van het onzekere tegenover het zekere en omhelsde alles wat anders, creatief en afwijkend was. Het kwam op voor het individu, voor gekken, homos, vrouwen en onderdrukte minderheden. Links prees degenen met wankele in plaats van vaste identiteiten en pleitte voor lichte in plaats zware gemeenschappen. Op den duur streed links niet zozeer tegen de heersende klasse, als wel tegen het establishment.
Het fascinerende is nu dat het anti-establishment denken in Nederland en elders deel van het establishment is gaan uitmaken. Links is in Nederland zo succesvol geweest dat zelfs de elite zich tegenwoordig tegen de elite keert en vooral diegenen prijst, die anti-elitair, creatief, afwijkend en bijzonder zijn. Nederlanders zijn, in de woorden van de Amerikaanse socioloog David Brooks, massaal Bourgeois Bohemians geworden. Vanuit het oogpunt van de waarde van tolerantie leidt dit tot het volgende probleem: juist het succes van links heeft een klimaat geschapen, waarin iedereen het recht lijkt te hebben voor zijn of haar geloof, anderszijn of cultuur op te komen. Sterker nog, leden van minderheidsculturen werden aangemoedigd daarvoor op te komen.
Precies daardoor zijn we in Nederland opnieuw op de paradox van tolerantie gestuit. In naam van de vrije keuze ideologie en het individualisme worden we op dit moment met stromingen geconfronteerd, die niets moeten hebben van de vrije keuze ideologie, het individualisme of de lichte gemeenschappen die daarbij horen. Dienen deze stromingen nu geduld te worden, of heeft de Franse filosoof Alain Finkielkraut gelijk als hij beweert dat de universele tolerantie uiteindelijk alleen zichzelf verdraagt? Is het, anders geformuleerd, waar dat links alleen links, rechts alleen rechts, liberalen alleen liberalen, pluralisten alleen pluralisten, aanhangers van de Verlichting alleen aanhangers van de Verlichting, of gelovigen alleen gelovigen uit eigen gelederen kunnen verdragen? Legt ieder waardesysteem de grens van de tolerantie niet in laatste instantie bij zichzelf? Als dat zo is, dan dient de waarde van tolerantie opnieuw te worden uitgevonden.
De beste vorm van linkse tolerantie lijkt me dan ook die waarin links duidelijk maakt dat ze met haar sociaalindividualistische visie niet het gehele firmament van waarden bestrijkt en er daarnaast ook andere waardevolle levensvormen mogelijk zijn. Vrijheid is een groot goed, maar er bestaat een wereld van verschil tussen het bevorderen van de waarde van de vrije individuele keuze en de eis dat iedereen in de samenleving de waarden van het sociale individualisme omhelst. Als mannen en vrouwen, heteros of homos, in het volle bewustzijn van hun sociale en politieke burgerrechten, voor een gemeenschap kiezen die van de ongelijkheid tussen man en vrouw uitgaat en zich tegen homos keert, dan moet die keuze geaccepteerd worden. Vrijheid houdt het recht op cultuur in – niet zomaar een cultuur, maar je eigen cultuur. Je kunt, als minderheid binnen een minderheid, voor meer openheid in eigen kring pleiten en tegelijk in actie voor de rechtmatige erkenning van je geloof komen. Het nieuwe multiculturalisme (..) wil individuen middelen aanreiken om zich van hun zware cultuur- en geloofsgemeenschappen los te maken, aldus het Waterland-manifest. Dat klopt, maar het is één ding individuen deze middelen aan te reiken, een ander ding hen deze door de strot te duwen. Precies daarin schuilt het verschil tussen Jan en Els hierboven. Als de machtsverschillen tussen partijen te groot worden, wordt tolerantie neerbuigend en ondermijnt dat de mogelijkheid van discussie en compromis.
Bovendien is het de vraag of de diagnose van het waterlandmanifest wel juist is. Uit het manifest spreekt een grote angst voor de vrijheidsbedreigende druk van zware gemeenschappen. Ook gemeenschappen die te licht zijn kunnen echter de vrijheid bedreigen. Radicaliserende moslims zijn niet tot hun opvattingen gekomen onder druk van een zware cultuur of geloofsgemeenschap. Integendeel, er zijn maar weinig gemeenschappen die zo weinig op een gemeenschap lijken als de miljoen moslims in ons land. De Nederlanders Mohammed B of Jason W, de Engelsen Richard Reid, Shafiq Rasul of Asif Iqbal, of de Fransman Zacarias Moussaoui, die allemaal op verdenking van terrorisme in gevangenissen zitten, hebben in dat opzicht veel gemeen met de terroristen van extreem links in de jaren zeventig. Meestal gaat het om goed opgeleide, intelligente, jonge en ambitieuze middenklassers, die in de periode dat ze radicaliseerden een gemarginaliseerd bestaan leidden, fel tekeer gingen tegen hypocrisie en onrecht, en hartstochtelijk naar een echte gemeenschap of Umma verlangden. Natuurlijk wordt niet iedereen die ontheemd of in isolement raakt een terrorist, maar over het algemeen hebben radicalen in het westen eerder te lijden van wat Kundera de ondraaglijke lichtheid van het bestaan noemde, dan van de druk van een zware geloofsgemeenschap. Het knip- en plak-marxisme van de RAF uit de jaren zeventig is anno 2005 door de knip- en plak-islam van geradicaliseerde moslims vervangen. In beide gevallen gaat het om jongeren die eerst het begrip van hun ouders en toen dat van hun omgeving verloren. Zware gemeenschappen kunnen de vrijheid bedreigen, maar dat kan het gevoel nergens bij te horen ook.
Nadenkend over een tolerabele vorm van liberalisme stelde de Engelse filosoof John Gray onlangs voor om de grens van tolerantie te leggen bij wat hij de aantasting van de voorwaarden voor vreedzame coëxistentie noemde: Sommige ziekenhuizen zullen euthanasie toepassen, andere niet. Sommige scholen leren dat homoseksualiteit een voorkeur is, andere onderwijzen een meer traditionele moraal (..) Maar je hebt onderliggende normen nodig die de vrede garanderen. Over wat precies de niet onderhandelbare normen voor vreedzame coëxistentie zijn, valt te redetwisten. Grofweg gaat het om de specificatie van een pakket rechten en plichten dat, ten eerste, moet voorkomen dat mensen hun overtuigingen aan anderen opleggen in plaats van voorleggen en, ten tweede, garandeert dat iedereen ongeacht cultuur, gezindte of religie een volwaardig lid kan worden van de politieke gemeenschap waarin hij of zij toevallig geboren is. De basisregel zijn: wederzijds respect, en een ander niet schaden. Daarnaast moeten mensen te allen tijde de mogelijkheden en middelen worden aangereikt hun geloofsgemeenschap te verlaten als zij dat wensen, en moeten ze op bescherming van hun rechten kunnen rekenen als die geschonden worden: dus geen kinderhuwelijken, geen clitoridectomie, geen eerwraak, geen kindermishandeling en geweld van mannen jegens vrouwen, maar wél islamitische of christelijke scholen, ziekenhuizen, of universiteiten.
Bij de specificatie van het pakket dat door de politieke gemeenschap beschermd moet worden, doen zich twee problemen voor. Allereerst is er discussie over de vraag of dit pakket typisch westers is. Er zijn twee redenen om dat te ontkennen. Ten eerste is lang voordat er zelfs een conceptie van het Westen bestond met regimes en praktijken van tolerantie geëxperimenteerd. Dat onder dwang nog nooit iemand is bekeerd en het geloof onenigheid nodig heeft om te kunnen groeien, was ook buiten het Westen al bekend. De discussie over het verschil tussen gerechtvaardigde intolerantie en ongerechtvaardigde repressie is heus niet tot de Verlichting beperkt gebleven. Ten tweede hebben katholieken katholieke, islamieten islamitische, en aanhangers van de leer van Confucius confucianistische bronnen gebruikt om voor hetzelfde pakket van grondrechten te pleiten. Geen enkele religie of seculiere filosofie heeft een monopolie op het pakket van rechten en plichten dat vreedzame coëxistentie garandeert.
Het tweede probleem hangt samen met het feit dat zelfs als mensen het eens zijn over welke praktijken veroordeeld dienen te worden, ze toch diep van mening kunnen verschillen over hoe je op grond van dit oordeel moet handelen. Het grote verschil tussen links en rechts is dat rechts steevast voor een harde opstelling pleit, terwijl links voor de politiek van overreding en ontmoediging kiest. Beide posities kennen hun gevaren. Rechts kan in een spiraal van geweld uitlokkend geweld terechtkomen, terwijl links het risico loopt zich met zijn accommodatiepolitiek onsterfelijk belachelijk te maken. Rechts volgt de weg van de angst, links die van de hoop. Ofschoon beide posities elkaar nodig hebben om elkaar scherp te houden, met repressie alléén kom je er niet. Om Martin Luther King te parafraseren: wetten kunnen de intoleranten intomen, maar ze kunnen niet hun hart veranderen. Daar zijn de zachte krachten van links voor nodig.
