Lolle Nauta (1929-2006): een aandenken
Ik heb hartstochtelijk met hem van mening verschild, omdat wij het over zoveel eens waren. Omdat het bijvoorbeeld ging over de altijd precaire verhouding tussen filosofie en politiek en de maatschappelijke rol van intellectuelen, en dus ook over onszelf en onze eigen roeping in de arena van het publieke debat. Het was de roeping van Lolle Nauta om een publieke intellectueel te zijn, en zijn lot om dat aanvankelijk te zijn in de klassieke links-rechts-goed-fout-constellatie van de Koude Oorlog, die sterk werd gestempeld door de knagende herinnering aan de hete Tweede Wereldoorlog.In die rol werd Nauta een bekende figuur op links, door zijn scherpe kritiek op de Vietnam-oorlog vanaf het midden van de jaren zestig, als helder commentator bij de televisiedebatten tussen filosofen zoals Foucault en Chomsky in 1971, door zijn prominente rol als mede-opsteller van het NieuwLinkse beginselprogramma van de PvdA in 1977, en door zijn deelname aan het Russell-tribunaal over de Berufsverbote in het toenmalige West-Duitsland in 1979. In 1987 zorgde hij voor een regelrechte Hollandse hype met zijn essay Achter de Zeewering, waarin hij het Nederlandse volkje van spraakmakende intellectuelen collectief de wacht aanzegde vanwege hun neiging tot provincialisme, hun angst voor debat op het scherp van de snede, en hun gebrek aan politiek engagement. De mede door de verzuiling gevoede cultuur van tolerantie en leven en laten leven veroorzaakte volgens hem een trek naar het midden die even weinig ruimte bood aan rechtse als aan radicaal linkse intellectuele tradities. Merkwaardig is dat er een dikke tien jaar later een groep rechts-geëngageerde, neoconservatieve intellectuelen in de arena verscheen die de tolerantie opzegde en het discussietaboe doorbrak, nota bene in het spoor van een voormalig Marxist waarmee Nauta jarenlang in Groningen had samengewerkt. Maar toen het zover was, was hij niet bereid om in Pim Fortuyn méér te zien dan een wat intelligentere uitgave van Boer Koekkoek.
De ware intellectueel werd volgens Nauta gekenmerkt door een obsessie voor het publieke debat en een allergie voor uitsluiting. Intellectuelen waren altijd in de weer om diegenen tot spreken te brengen die van spreekrecht waren verstoken. Vandaar zijn fascinatie voor twee thematische figuren die hem gedurende zijn gehele denkloopbaan bleven achtervolgen: die van de vreemdeling en die van de burger. Beide fungeerden natuurlijk ook als karaktermaskers voor de intellectueel zelf: een grensganger die in zijn publieke rol ongemakkelijk heen en weer beweegt tussen distantie en betrokkenheid, twijfel en zekerheid, autonomie en dienstbaarheid, vervreemding en burgerzin. De intellectueel Nauta kon en wilde niet tussen deze karakters (en deze maskers) kiezen. Hij was nooit iemand die zich gemakkelijk kon voegen naar de academische mores en de academische hiërarchie. Zo weigerde hij net als zijn naaste collega, de Marxistische historicus Ger Harmsen (tevens de promotor van Fortuyn), om ooit een toga te dragen. Tegelijkertijd bleef Nauta steeds een filosoof in de politiek, die tijdelijk meereisde met de politieke professionals, maar ze meestal vanuit de zijlijn in de gaten hield en vanuit de flank onder schot nam.
Vreemdelingen
In zijn romantisch-existentialistische proefschrift (De mens als vreemdeling, 1960) is de vreemdeling vooral een filosofische figuur, een onbekende die ons onbekend maakt met onszelf en het Gans Andere openbaart, waardoor mensen worden gedwongen tot produktieve twijfel aan hun eigen identiteit. Maar al spoedig realiseert Nauta zich dat deze abstracte figuur handen en voeten moet krijgen, en veel van zijn verdere denkweg is dan ook gewijd aan een meer empirische en sociaalpolitieke invulling van het vreemdelingenvraagstuk en de kritische analyse van economische, politieke en culturele ongelijkheden. Hierbij werd hij natuurlijk geholpen door de nieuwe manier waarop vreemdelingen (in het meervoud) zich in al hun culturele diversiteit als minderheden, migranten, asielzoekers, allochtonen en moslims in de Nederlandse samenleving aandienden, en door de nieuwe politieke scherpte die het vraagstuk van hun inburgering na 9/11 en de opkomst van Fortuyn aannam.
De afscheidsrede aan de Groningse universiteit, waaraan Nauta van 1967 tot 1994 als filosoof verbonden was, is gewijd aan de manier waarop het oude vocabulaire van de existentiële vreemdeling oude stijl, dat gemakkelijk aanleiding geeft tot ophemeling (in de vorm van naïef multiculturalisme) of demonisering (in de vorm van polariserend wij-zij denken) ten onrechte wordt toegepast op een situatie waarin deze vreemdeling allang niet meer bestaat. Vreemdelingen nieuwe stijl bestaan alleen in gradaties van eigenheid en vreemdheid; zij zijn geen super-burgers of anti-burgers maar bezitten eerder de delicate status van aspirant-burger. Het vreemde of onbekende is zodanig deel gaan uitmaken van de samenleving dat het minder vreemd is geworden om vreemd te zijn; wat niet wegneemt dat die vreemdheid gemakkelijk kan worden geprojecteerd op allochtone groepen, in een krampachtige poging tot verdediging van de eigen culturele, religieuze en nationale identiteit achter de zeewering.
Per saldo blijft Nauta daarmee trouw aan zijn positieve waardering van de vreemdeling als beloftevolle aanwinst, die ons uitdaagt om te twijfelen aan onze eigen culturele zekerheden en die ons tot zelfonderzoek dwingt. Anders gezegd: de vreemdeling is als geen ander in staat om onze identiteit op de goede manier te verzwakken. Integratie is daarom een wederkerig proces, en veelkleurige, dynamische en meervoudige identiteiten zijn daarbij de norm. Of zoals Nauta het in een recent interview wat raillerend stelde: de inburgering van allochtonen moest natuurlijk gepaard gaan met een even hoognodige uitburgering van autochtonen. Maar die optimistische visie houdt volgens mij te weinig rekening met het bestaan van die vreemdelingen die ons als hun existentiële vijand definiëren (denk aan de afscheidsvideo van Samir A.), en die zichzelf het wij-zij idioom oude stijl toeëigenen met het doel om onze liberaal-democratische beschaving op te blazen. Tegen die kleine groep van Schmittiaanse, totalitaire vreemdelingen, die het volstrekt andere vertegenwoordigen, moeten wij gematigden ons inderdaad wapenen. Maar wij moeten hun oorlogszucht niet projecteren op de meerderheid van onze islamitische medeburgers, en in deze confrontatie niet zelf weer terugvallen in het demoniserende vertoog-oude-stijl, om te vermijden dat wij teveel op die vijand gaan lijken.
Cultureel burgerschap
Het is niet vreemd dat Nauta in zijn analyses van burgerschap en de politieke openbaarheid steeds meer aandacht vraagt voor de culturele bronnen van inburgering en civiele participatie. Die nadruk is al aanwezig in zijn toelichtingen op het PvdA-beginselprogramma van 1977. Tien jaar later, in een bekend stuk over Culturele armoede, herhaalt hij dat de maatschappelijke tweedeling ook een culturele dimensie heeft, en dat culturele deprivatie iemands kansen op de arbeidsmarkt en op sociale stijging verkleint. Zij voedt bijvoorbeeld een houding van machteloosheid en moedeloosheid, die het aangaan van maatschappelijke bindingen bemoeilijkt en de politieke belangstelling smoort. Er bestaat een grote ongelijkheid in de mate waarin mensen in staat zijn om hun eigen situatie te definiëren en mee te doen aan het debat over zaken van publiek belang. Dit debat levert een belangrijker bijdrage aan de inburgering van vreemden en de sociale cohesie dan het hameren op gedeelde normen en waarden of het vieren van een nationale cultuur en identiteit. Naarmate ik meer in de gelegenheid ben om op bepaalde terreinen met anderen van mening te verschillen, zo schrijft Nauta, nemen mijn mogelijkheden toe om met hen normen te delen.
In deze stukken over cultureel burgerschap openbaart zich opnieuw de oorspronkelijke impuls van Nautas filosofie van de vreemdeling, die mensen dwingt tot produktieve twijfel aan hun eigen zekerheden en hun eigen identiteit. Burgerschap staat daarom haaks op het streven naar homogeniteit: het is een vorm van pacificatie die individuen juist in staat stelt hun anderszijn te ontwikkelen. Burgerschap is dan ook niet alleen een zaak voor nieuwkomers, maar een proces dat aan iedereen eisen stelt: een geïndividualiseerde samenleving kent geen vaste categorieën van buitenstaanders en gevestigden meer. Nauta bepleit de cultivering van nieuwe communicatieve vaardigheden en vormen van sensibiliteit die het contact vergemakkelijken met medeburgers die zich ophouden in leefwerelden die sterk van de onze verschillen. Het gaat bijvoorbeeld om het beschikken over een open identiteit, die je in staat stelt om je in anderen te verplaatsen en op een geweldloze manier met de belangen van anderen om te gaan. Net als het materiële kapitaal is dit culturele kapitaal ongelijk verdeeld, en dus ook de competentie om soepel te kunnen wisselen van perspectief, te kunnen relativeren, en culturele onzekerheden te kunnen verdragen.
Sociale vrijheid
Zo bleef Nauta trouw aan datgene wat ook het kernpunt vormde van het al eerder genoemde PvdA-beginselbeprogramma van 1977: het bestrijden van ongelijkheden als voorwaarde voor het opbloeien van vrijheid-voor-allen. Zeker gedurende de paarse jaren en na Koks afschudden van de ideologische veren werd dit programma als een Fremdkörper verguisd (met Nauta als voornaamste kop van jut) en als een dode letter beschouwd. Het gold als warrig en modieus, niet alleen vanwege het erin doorklinkende naïef-optimistische mensbeeld en de Marxistische hang naar maakbaarheid, gelijkheid en anti-kapitalistische staatsinterventie, maar (merkwaardig genoeg) ook vanwege een zogenaamd te ver doorgevoerd individualisme dat volgens sommigen ten onrechte brak met de gemeenschapsgedachte uit eerdere beginselprogrammas van de PvdA. De negatieve aandacht voor het staatsactivisme heeft er echter toe geleid dat de sociaal-individualistische inslag van dit programma teveel onderbelicht is gebleven. Nauta neemt met zoveel woorden afscheid van het sterk ethisch getinte personalisme en communitarisme van Banning, om voor een deel aan te sluiten bij het meer zakelijke, vrijzinnige en individualistische socialisme van De Kadt – ondanks het feit dat hij zelf even weinig op had met de rechtse De Kadt als De Kadt met Nieuw Linksen als Nauta.
Gelijkheid en herverdeling werden in het programma van 1977 nadrukkelijk gezien als noodzakelijke voorwaarden voor het vergroten van de vrijheidskansen voor zoveel mogelijk mensen. Sociaal-democraten strijden tegen vormen van ongelijkheid, zo schrijft Nauta in een toelichting, juist omdat zij streven naar een gedifferentieerd maatschappelijk bestel, waarin mensen al naar gelang hun mogelijkheden zich kunnen ontwikkelen in wederzijds respect voor elkaars talenten en begaafdheden. Dat betekent geen streven naar nivellering, maar juist een strijd om barrières weg te nemen voor het laten opbloeien van culturele verschillen en democratische diversiteit. Het gaat volgens Nauta uiteindelijk om een strijd voor het materialiseren van de democratie, die niet alleen een democratisering vereist van de economische, maar ook van de menselijke verhoudingen; herverdeling helpt niet als de participatie van mensen aan cultuur en samenleving niet wordt vergroot.
Door die intrinsieke koppeling tussen individualisme en solidariteit bestaat er niet alleen een belangrijke continuïteit tussen dit beginselprogramma en zijn voorgangers, die eveneens uitgaan van het idee van gelijke kansen voor persoonlijke ontplooiing, maar ook met het nieuwe sociaal-liberale beginselmanifest van de PvdA uit 2004. De etatistische nadruk van 1977 is natuurlijk achterhaald, zoals Nauta zelf later ook toegaf, maar themas als de milieuproblematiek, de grenzen aan de groei, het internationalisme, de individuele emancipatie (van bijvoorbeeld vrouwen en homos) en democratisering (zowel in directe als indirecte zin) zijn onverminderd actueel. Het verbaast niet dat 1977 bijvoorbeeld door Femke Halsema meermalen (en al in haar PvdA-tijd) werd geprezen en verdedigd, en het later als een inspiratiebron zag voor de nieuwe sociaal-vrijzinnige koers van GroenLinks, de partij waar Nauta na zijn afscheid van de PvdA in 1998 mee sympathiseerde. Die sympathie volgde op de constatering dat de politiek van de PvdA in groen opzicht faalt, in rood opzicht niet een voldoende kan krijgen en in blauw opzicht onvoldoende liberaal is in de oorspronkelijke zin (de Volkskrant 27.4.98). Daarom steunde Nauta ook voluit het sociale vrijheidsideaal van Waterland.
Vriendschap
Naast vreemdelingschap en burgerschap is er tenslotte nog een derde thema in Nautas werk dat aandacht verdient: dat van de vriendschap. Tenminste: als we werk hier niet opvatten in de strikte zin van nagelaten gedachten of papieren, maar als een bepaalde intellectuele stijl of praktijk, of liever een vorm van emotionele energie die anderen op een directe manier aantrok en wist te binden. Het democratische charisma van die stijl-voor-vrienden (om met Ter Braak te spreken, de essayist en politicus-zonder-partij die hij niet onkritisch bewonderde) is misschien het best gekarakteriseerd door zijn promovendus Rein de Wilde, die hem in zijn oratie (en in zijn aanwezigheid) als volgt bedankte: Met Nauta-adepten en Nauta-epigonen zou jij niets te maken willen hebben. Jij hebt in de wijsbegeerte geen leerlingen maar vrienden gemaakt, en dat is in jouw geval zeker niet hetzelfde. Wat jou typeert is dat jij je studenten en promovendi vanaf het eerste moment tegemoet treedt alsof het reeds je vrienden zijn, wat ze later dan ook meestal worden. Je geeft iedereen direct de indruk dat hun woorden gewicht hebben, dat hun meningen er toe doen.
Nauta was ook niet bang om vijanden te maken, en koesterde langdurige vijandschappen zowel in de filosofie als in de politiek. Het is nu moeilijk voor te stellen, maar het is niet eens zo lang geleden dat de bandbreedte van het politieke debat tussen links en rechts in Nederland niet veel groter was dan de afstand tussen de toenmalige PvdAers Nauta en Tromp. Daarnaast had Nauta een levenslange hekel aan filosofen met een grote F: arrogante en nostalgische domineesfilosofen die meenden het Wezen van de Mens en/of het Zijn in zijn Totaliteit in hun achterzak te hebben, en op die manier het beheer bleven voeren over de zin van het leven. De ware intellectueel was volgens hem allergisch voor opgeblazen woordgebruik. Iets minder groot was zijn hekel aan professionele filosofen die zich terugtrokken in hun kleine specialisme en hun disciplinair jargon, en hun ivoren toren nooit eens verlieten om deel te nemen aan het publieke debat. Maar later zag hij duidelijker in dat de democratische diversiteit ook de vrijheid behelsde om niet aan politiek te doen.
Veel van dit onbehagen vond zijn weg naar de essaybundel Onbehagen in de filosofie (2000), waarin Nauta een democratische verkleining van de filosofie bepleitte, die terecht steeds meer terrein had verloren aan de wetenschappen, en zelf dan ook moest worden voortgezet met andere, meer empirisch-wetenschappelijke middelen. Die voorkeur leidde tot de ontwikkeling van een herkenbare Groningse intellectuele stijl, die misschien nog niet zozeer in Nautas eigen werk zichtbaar werd, als wel werd opgepikt en uitgebouwd door zijn leerlingen-vrienden, onder wie vele (mede door hem) filosofisch geschoolde sociologen, psychologen en andere wetenschappers. Zoals de oorspronkelijk Groningse wetenschapsfilosoof Gerard de Vries en de vele promovendi die hij deels samen met Nauta begeleidde, de redacteuren van de door Van Gennep uitgegeven boekenreeks Kennis-Openbare Mening-Politiek, en de groep rond het tijdschrift Krisis en de club der hedonauten, waarvan hijzelf het actieve erelid was.
Lolle Nauta bezat m.a.w. een groot talent om vrienden te maken en vriendschappen te onderhouden. Ik heb geen ander gekend die zo goed in staat was om net te doen alsof er buiten het gesprek, het verschil van mening en zelfs de intellectuele ruzie geen verschillen waren (in macht, status, culturele en sociale klasse, vooral ook in leeftijd) die er werkelijk toe deden. Polemische heftigheid was daarbij zeker niet uitgesloten, want Nauta volgde ook hier Ter Braak: men doet zijn vrienden tekort als men hen de volle scherpte der woorden onthoudt. Zijn (toekomstige) vrienden herkenden die elementaire gelijkheidsdrang en die democratische nieuwsgierigheid, en voelden zich erdoor gesterkt en gewaardeerd, om niet te zeggen ingeburgerd. Ik ben trots en blij dat ik tot Nautas vriendenkring heb mogen behoren. In mijn tweede postacademische loopbaan heb ik veel aan zijn persoonlijke en publieke voorbeeld te danken. Hij mag dan het gelijk van de politieke intellectueel Fortuyn (zo dichtbij, en toch zo vreemd!) hebben onderschat; maar zijn themas kunnen een gelouterd links gedachtegoed nog steeds inspireren. Nu de vrienden van Pim en de vrienden van Ayaan even sprakeloos zijn, wordt het tijd voor de vrienden van Nauta om zich weer duidelijker te laten horen.
*A.s. donderdagmiddag 21 september vindt er voor alle belangstellenden een herdenkingsbijeenkomst plaats in Huize Maas, Vismarkt 52, Groningen. Aanvang 15:00u.
Literatuur:
Nauta, Lolle (1960) De mens als vreemdeling. Amsterdam: Van Oorschot.
Nauta, Lolle (1987) De factor van de kleine c. Amsterdam: Van Gennep.
Nauta, Lolle (2000) Het onbehagen in de filosofie. Amsterdam: Van Gennep.
Nauta, Lolle (2002) Ik kan niet denken. Amsterdam: Van Gennep.
Nauta, Lolle (2007) Politieke stukken, te verschijnen.
Pels, Dick en Gerard de Vries (red.)(1994) Burgers en vreemdelingen. Opstellen over filosofie en politiek. Amsterdam: Van Gennep.
