Vermolmde retoriek over een tijdloze ambachtsschool
Nederland heeft een tekort aan technici en aan mensen met een bètaopleiding - op alle niveaus, van vmbo tot universiteit. De oorzaken daarvan zijn niet zo duidelijk en de remedie evenmin. Het Deltaplan Bèta Techniek heeft wel iets geholpen, maar nog steeds gaapt er een gat tussen vraag en aanbod. Dat gat is het kleinst bij het wetenschappelijke onderwijs en het grootst bij het vmbo, en juist op het vmbo daalt het aantal leerlingen dat Techniek als specialisatie kiest.
Deze daling wekt grote bezorgdheid. Eind 2011 liet het MKB in een pamflet een noodkreet horen: Ze willen niet meer met hun handen werken - doe er wat aan! Het MKB schrijft het arbeidstekort, net als het Deltaplan Bèta Techniek, toe aan het maken van verkeerde keuzen. Volgens het MKB moeten vmbo-leerlingen (en hun ouders) worden gestimuleerd een technische opleiding te kiezen. Hen moet worden duidelijk gemaakt dat de vraag naar technisch personeel onverminderd groot is.
Emile Roemer en Jasper van Dijk sloten op deze redenering aan in een artikel in de Volkskrant (12/12/2011), maar zij zien het dreigende tekort aan technici, lassers, metselaars en stukadoors eerder als het resultaat van een weeffout in het curriculum. Jongeren krijgen teveel theoretische en algemene kennis alvorens ze aan vakkennis mogen toekomen. Jarenlang hebben we jongeren van het onderwijs vervreemd, aldus Roemer en Van Dijk. Kleinschalige ambachtsscholen waar je een vak leert - dat is de oplossing.
Johan Schaberg definieert het probleem nog weer anders. In de weekendbijlage van de NRC (17/18 december 2011) keert hij zich tegen de gedachte dat onderwijs er zou zijn voor individuele ontplooiing. Het economisch belang van scholing is uit beeld geraakt, net als presteren en verdienen. Schaberg ziet dat als een neveneffect van ons luxeleven. Welvaart hoeft niet meer verdiend te worden. En jawel: De ouderwetse, eerlijke ambachtsschool moet terug.
Startkwalificatie
Over het gebrek aan technici op vmbo- en mbo-niveau valt van alles en nog wat te zeggen, maar heilige verontwaardiging is misplaatst. Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink, voorzitter van de werkgeversorganisatie voor de technologische industrie, FME-CWM wijst in een interview op het grote aantal onvervulde technische vacatures op vmbo-niveau (NRC 19/12). Volgens haar stroomt onvoldoende aanbod van jong gekwalificeerd personeel uit het beroepsonderwijs om het vertrek van de oudere generatie te compenseren. Ze noemt 35.000 openstaande banen op vmbo-niveau.
Is het haar bedoeling dat vmbo-ers dit werk gaan doen? Dat zou betekenen dat ze zonder startkwalificatie de arbeidsmarkt op gaan. Als zogenaamde schoolverlaters dus, hetgeen haaks staat op de beleidsdoelstelling om de schooluitval terug te dringen.
Het vmbo is geen eindonderwijs. Vmbo-gediplomeerden hebben nog geen vak geleerd en dat is ook niet bedoeling. Het vmbo levert een brede basis, die leerlingen op het mbo moeten aanvullen tot een beroepsprofiel. Die brede basis hebben ze nodig omdat ze moeten beschikken over een bredere ontwikkeling en een grotere flexibiliteit dan vorige generaties. Op langere termijn zijn ze daar meer bij gebaat dan met een beperkte specialisatie in lassen. Werkgevers en leerlingen hebben wat dit betreft tegengestelde belangen. De metaalindustrie zit volgens mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink niet te wachten op wat zij noemt overgekwalificeerd personeel. Een stoomcursus lassen van drie maanden volstaat om het werk aan te kunnen. Maar jonge mensen zullen het met die uitrusting niet tot hun pensioen redden, nog afgezien van de vraag of dat wenselijk is.
Eerlijk handwerk
Al klinkt het krachtig om de ouderwetse, eerlijke ambachtsschool terug te willen, daarin ligt wat mij betreft niet de oplossing. Het verlangen naar de ambachtsschool is achterhaald. Het is een idealisering van een schooltype dat toegesneden was op een andere tijd, en misschien is dat al teveel gezegd. Hoe goed voldeed de oude ambachtsschool in vroeger tijden? Dergelijke op het verleden geënte denkbeelden houden geen rekening met veranderingen op de arbeidsmarkt, noch met de gestegen verwachtingen van werkgevers. Werknemers van hoog tot laag hebben tegenwoordig meer nodig dan degelijke vakkennis. Ze moeten kennis op veel meer gebieden bezitten, ze moeten beschikken over sociale vaardigheden, ze moeten bedreven zijn met de computer. Ze hebben alle menselijke vermogens nodig voor hun werk, met de hamer en de bezem alleen halen ze hun pensioen niet. Een grote zorginstelling gebruikt tegenwoordig Ipads om met hun personeel te communiceren. Ook van de schoonmakers wordt verwacht dat ze met dat apparaat kunnen werken. Een verlangen naar een tijdloos beroepsbeeld, met bijbehorende ambachtsschool gaat eraan voorbij dat veranderingen zo snel gaan dat scholen de innovaties in bedrijven en instellingen nauwelijks kunnen bijbenen. Scholen proberen daarop in te spelen door hun leerlingen een bredere vorming te bieden dan vroeger het geval was.
Weg met dat taboe op werken met je handen!, zo staat er boven het stuk van Roemer en Van Dijk. Daaruit spreekt vroomheid en goede bedoelingen, maar de auteurs doen vmbo-leerlingen tekort. Zij worden beschreven als jongeren met twee smaken op hun gedragsrepertoire: zich vervelen, lamlendig op de bank of op de hoek van de straat hangen, óf lekker met hun handen aan de slag gaan, leuk lassen. Wat een simplistisch beeld is dát! Het gaat uit van een tweedeling in praktisch en theoretisch georiënteerde leerlingen, in leerlingen die óf goed kunnen denken óf goed zijn met hun handen. De werkelijkheid is dat verschillende menselijke vermogens in het dagelijks functioneren nauw met elkaar verweven zijn. Ook praktisch werk doet een beroep op denkvermogens en intellectueel werk heeft praktische kanten. De retoriek van het eerlijk met de handen werken is vermolmd.
Rineke van Daalen is socioloog, zij werkt aan de Universiteit van Amsterdam. Ze publiceerde o.a. "Het vmbo als stigma. Lessen, leerlingen en gestrande idealen", 2010, Amsterdam.
