In naam van...
Weekblad De Groene Amsterdammer brengt om de zoveel tijd een special uit en organiseert daar een debatavond omheen. Het nummer van 10 november 2011 had als titel In naam van het volk en een week later schoven enkele coryfeeën aan voor een panelgesprek aan het Spui te Amsterdam. Onder leiding van (hoofdredacteur) Xandra Schutte gingen Dick Pels, Meindert Fennema, Merijn Oudenampsen en Koen Haegens met elkaar in debat.
Eigenlijk waren ze het snel eens. Het volk bestaat niet en het is de kunst van politici om dat te verdoezelen. Zij spiegelen hun electoraat voor dat er wel degelijk sprake is van één volk, namelijk de doelgroep waar de betreffende politicus op mikt. Het volk is bijvoorbeeld de hardwerkende Nederlander, inmiddels door opposanten de hardrijdende Nederlander genoemd.
De Occupy beweging hanteert een vergelijkbare retoriek door te claimen dat ze namens 99% van de bevolking protestkampementen opslaat op pleinen en in parken, waar ook in de (westerse) wereld.
Rechtsstaat
Uiteraard kwam de rechtsstaat ter sprake. De formele, rechtsstatelijke definiëring van wie wel of niet Nederlander genoemd mag worden en, belangrijker, een toegangskaartje voor het land krijgt, werpt een ander licht op die "Wie is het volk?"-discussie. Voor de wet is iedereen gelijk: politici kunnen definiëren wat ze willen, maar de rechtsstaat levert de checks en balances. Die zouden een wal moeten opwerpen tegen al te gemakkelijk hokjesdenken. Deze rechtsstaat is wel degelijk de mijne, maar tegenwoordig lijkt het er op dat je je recht alleen kunt komen halen tegen betaling. Het volk wordt zo de betalende Nederlander.
Op het idee dat de rechtsstaat een stabiel baken is in de woelige populistische baren, valt ook wel wat af te dingen. Flexibiliteit is immers ingebakken, omdat politici door wetgeving het baken kunnen verzetten. Soms ten goede (homohuwelijk) dan weer ten kwade (uitsluiten Poolse arbeiders).
Technocratie
Koen Haegens en Merijn Oudenampsen signaleerden tijdens het debat ook een ander gevaar: maatregelen die de instorting van Europese huis moeten voorkomen, gaan gepaard met teloorgang van democratie en de opkomst van technocratie. Als we het van de politiek moeten hebben, dan gebeurt er op zijn best too little too late.
Dit beeld, dat we vooral aan de Europese politiek kunnen ophangen, doet veel kiezers afhaken. Mensen vervallen in een "ze doen maar" houding. Populisten spinnen er garen bij.
Hoe erg is het eigenlijk? Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de meeste politici wel aan de volgende verkiezingen denken, maar niet aan het volgend decennium. Technocraten hechten minder aan het politieke pluche (ze hebben in de meeste gevallen hun schaapjes al elders op het droge) en durven onmiskenbaar onpopulaire maatregelen te nemen. Dat is winst. Maar er is ook verlies: een politiek verhaal ontbreekt. Europese regeringsleiders houden hun burgers voor dat de euro gered moet worden en dat een Alleingang van welk land dan ook desastreus uitpakt. Zou het zo zijn?
Europa
Ik beschouw mezelf als een hartstochtelijk aanhanger van Europa. Het grote wonder dat ons 60 jaar vrede en welvaart bracht. Het is een goede zaak dat landen, economisch en politiek, steeds meer onderlinge afhankelijkheid vertonen. En daar helpt de euro bij.
Vind ik. Vond ik?
Mijn wereldbeeld begint scheuren te vertonen. Hoe pakt de discipline, die politici en technocraten met name landen in Zuid-Europa opleggen, eigenlijk uit? Welk perspectief rest hen? Wat vraagt het van de bevolking? En is de democratie niet het eerste slachtoffer?
Het was toch een gotspe dat Europese politici het referendumvoorstel van de toenmalige Griekse premier weghoonden? Of hadden Europese bankmensen en politici gelijk toen zij met een verwijzing naar het democratisch tekort de wens van het volk in de ijskast wilden zetten? Met als devies: doorpakken. Ik ben er niet uit.
Alarmerend vond ik de analyse van Manuel Castells, de Spaanse socioloog die onlangs een lezing gaf in Felix Meritis. Hij stelt dat Noord-Europese landen (met name Duitsland en Nederland) zeer veel verdiend hebben aan de euro. Dat was geen nieuws voor mij. Maar wel dat zij willens en wetens de Zuid-Europese landen de euro hebben opgedrongen, omdat de noordelingen de zuidelijke broeders en zusters zo hun belangrijkste concurrentie-instrument konden ontnemen: de mogelijkheid om met een eigen munt te devalueren. Als je al van fouten kunt spreken bij het toelaten van de zuidelijke landen tot de eurozone, dan is dat niet zozeer het feit dat deze landen hun boekhouding niet op orde hadden en dat de andere landen dit door de vingers zagen, maar - veel ernstiger - dat de noordelijke landen op deze manier hun reeds riante concurrentiepositie wisten te bestendigen. De Verenigde Staten verwijt China oneerlijke concurrentie door het kunstmatig hooghouden van de yen. In Europa werkt de eurodiscipline andersom: door Zuidelijke landen te binden aan de euro en uittreding als absoluut onwenselijk te verklaren, wordt voorkomen dat deze landen met een gedevalueerde munt kunnen concurreren. Ik ben geen econoom (Castells overigens ook niet), maar het lijkt me een plausibel verhaal. Wel vraag ik me af of de enorme bak geld, die vooral Noord-Europese landen moeten ophoesten, niet veel meer is dan dat zij kwijt zouden zijn als ze Griekenland en andere landen lustig hadden laten concurreren.
Terug naar het debat. Gedenkwaardig is vooral de korte cross talk tussen de twee GroenLinksers aan tafel: Meindert Fennema en Dick Pels. Die ging over het pleidooi van Pels voor een vrijzinnig beschavingsoffensief. Fennema, die een groot deel van het debat als stokebrand zorgde voor veel hilariteit en bijval, plaatste daar zijn kanttekeningen bij. Lag er een misverstand aan deze discussie ten grondslag?
Pels pleitte ervoor de politieke discussie meer op een morele leest te schoeien. Hufterigheid, verruwing zou moeten worden aangepakt met een nieuw (moreel) appèl. Fennema had zich al eerder opgeworpen als een hedendaagse Voltaire, als pleitbezorger voor de vrijheid van meningsuiting, die sinds de aanslag op Janmaat (waardoor Janmaats vrouw in een rolstoel belandde) beducht is voor links gelijk en hun vergoelijking van gewelddadige middelen. Hij hield tegenover Pels vast aan zijn opvatting dat iedereen moet kunnen zeggen wat hij wil.
Fennema vatte de opmerkingen van Pels op als moralisering van het politiek discours, naar mijn mening ten onrechte. Fennema beschouwt moralisering als een zwaktebod. In de politieke arena bedien je je van politieke argumenten en ga je niet moraliseren. Zo in de trant van "je bent een slecht mens", een kwalificatie die Agnes Kant ooit Geert Wilders toebeet. Daarmee plaats je je moreel boven je politieke opponent en verlaat je de politieke arena. Wilders (want daar ging het over) is een goede politicus, hij weet kiezers te mobiliseren. Die bestrijd je door zijn kiezers te overtuigen van hun ongelijk en niet door je je boven hem te verheffen.
De avond leverde een zeer geanimeerde discussie op en dat smaakt naar meer. Wat mij betreft mag links zich over de Europese crisis buigen. Die is immers niet alleen een economische of financiële crisis, maar ook (en vooral?) een morele crisis. De burger heeft zich laten voorhouden dat de bomen tot in de hemel groeiden en jarenlang op de pof geleefd. En nu hebben de politici het gedaan? Was het maar zo makkelijk. Natuurlijk hebben banken en politici laakbaar gehandeld, maar verontrustender is dat de crisis ook laat zien dat er krachten zijn ontketend die niemand meer in de hand heeft. Dat probleem los je niet zomaar op, en zeker niet met miljarden. Laat een volgend nummer van De Groene daarover gaan; ik kom zeker naar het aansluitende debat.
Jaap van Kamper is redacteur van Waterstof
