Pensioenakkoord overwinning voor werkgevers, nederlaag voor jong en oud
Vorig najaar kwam het hoge woord er uit. In een paginagrote verklaring in grote kranten stelden pensioenfondsen: Er is iets aan de hand met uw pensioen. Inderdaad was de afgelopen jaren de dekkingsgraad gekelderd, moesten er herstelplannen worden gemaakt en werden de pensioenen gekort, of niet geïndexeerd, zoals pensioenfondsen dat eufemistisch plegen te noemen. Inmiddels ligt er een pensioenakkoord. De afgelopen maanden steggelden economen over de juiste discontovoet, bleken de vakbonden verdeeld, en maakten ouderen en jongeren, of mensen die zich daar representant van achten, zich boos.
Het is goed dat er discussie is, maar helaas gaat de discussie zelden over de kern van de kwestie. Het belangrijkste probleem van pensioenfondsen is dat zij technisch failliet zijn. Econoom Bas Jacobs rekende onlangs voor dat pensioenfondsen 250 miljard tekort komen om aan alle toezeggingen te voldoen. Het verhogen van verwachte rendementen (ook wel de discontovoet genoemd), zoals het pensioenakkoord voorstelt, kan dat niet veranderen. Het kan het hooguit aan het zicht onttrekken, wat mogelijk ook de bedoeling is. Vanwege het grote tekort is het pensioenvraagstuk een verdelingsvraagstuk. Het is daarmee niet zozeer een economische kwestie als wel een politiek probleem. Politiek is immers de vraag who gets what, when and how. Daarbij wordt vaak de scheidslijn tussen jong en oud gepolitiseerd. Zo meende dezelfde Bas Jacobs dat het pensioenakkoord jong en oud tegen elkaar opzet. De vermeende tegenstelling tussen jong en oud is echter noch de enige, noch de belangrijkste tegenstelling. De werkelijke tegenstelling is die tussen werkgevers en werknemers, of zo men dat wil, de scheidslijn tussen kapitaal en arbeid. Maar ook dat is politiek: de werkelijke belangentegenstellingen worden aan het zicht onttrokken. Politiek gaat vooral over de vraag wat politiek is, over wat ter discussie staat en wat bijgevolg niet.
Een (vermeend) generatieconflict
Oppervlakkig beschouwd is er een directe belangentegenstelling tussen jonge en oude deelnemers aan een pensioenfonds. Immers, geld dat uitgekeerd wordt aan ouderen kan niet meer uitgekeerd worden aan jongeren en andersom geldt precies hetzelfde. Daarom pleiten jongeren voor het verlagen ("afstempelen") van pensioenaanspraken om zo het verlies eerlijk te delen. Ouderen daarentegen willen dat het pensioen wordt geïndexeerd. Beide partijen hebben daarbij valide argumenten.
Ouderen kunnen er op wijzen dat er in het verleden toezeggingen gedaan zijn. Zo schreef het overheidspensioenfonds ABP in 1987: "Als ambtenaar bent u bij het ABP verzekerd voor een oudedagsvoorziening. Beter gezegd, u bouwt een welvaartsvast pensioen op". Quod non. Volgens controleerbare berekeningen van de Nederlandse bond voor pensioenbelangen zijn bijvoorbeeld ABP-gepensioneerden de afgelopen jaren twee maandsalarissen misgelopen en voorzien herstelplannen van de grootste vijf pensioenfondsen nog eens in een veelvoud daarvan de komende jaren. De landsadvocaat stelde dat het verder aantasten van bestaande rechten, zoals het concept pensioenakkoord voorstaat, ongeoorloofd is. Het verlagen van pensioenen raakt daarbij vooral oudere deelnemers omdat zij het meeste opgebouwd hebben. Bovendien zijn gepensioneerden niet vertegenwoordigd in het pensioenfondsbestuur en hebben dus part noch deel gehad aan het beleid dat in een tekort van 250 miljard is uitgemond.
Maar er zijn maar weinig standpunten waar niet een minstens zo goed standpunt tegenover gesteld kan worden. Jongeren kunnen er op wijzen dat zij gedwongen toetreden tot een insolvabel pensioenfonds. Zij hebben eveneens part noch deel gehad aan het ontstaan van de geleden verliezen en het gaat dus niet aan om die verliezen eenzijdig door jongeren te laten betalen. Indien er onverkort aan ouderen uitgekeerd wordt, blijft er niets over voor jongeren. Zie daar, het generatieconflict.
Het is in feite de tegenstelling tussen twee crediteuren die zoveel mogelijk willen redden van de failliete boedel die het pensioenfonds is. Alles wat de ander in handen valt, gaat ten koste van de eigen aanspraak. De winst van de ander, is het verlies voor jezelf. Deze voorstelling van zaken gaat gepaard met begrijpelijke sentimenten, maar die leiden toch vooral tot premature stellingnamen. Want waar crediteuren zijn, daar is een debiteur. Waar vorderingen en gewekte verwachtingen zijn, moet iemand zijn die deze verwachtingen gewekt heeft. Er mist nog iets in bovenstaande, iets wezenlijks. Of te wel, waar blijven de werkgevers en de vermogensbeheerders in dit verhaal?
Werkgevers blijven buiten schot
Een tekort - het negatieve verschil tussen een belofte en de mate waarin die gefinancierd kan worden - ontstaat doorgaans niet toevallig. Het betekent dat er te weinig premie is betaald of dat er ondermaats belegd is. Hier is beide het geval. In de jaren 80 en 90 zijn de premies langdurig en aanzienlijk verlaagd. Pensioenfonds ABP verlaagde de premie met meer dan de helft en bij pensioenfonds Zorg en Welzijn werden de premies tussen 1980 en 1995 met een factor vijf verlaagd, naar vijf procent van het pensioengevend salaris. Dat is volstrekt ontoereikend om een pensioen van 70% van het (midden)loon gedurende zo vijftien pensioenjaren te financieren. Zowel werkgevers als werknemers hebben hiervan profijt gehad, maar werkgevers (en aandeelhouders) het meeste. Zij betalen 2/3e van de pensioenpremie en hebben de meeste baat bij lagere premies.
Wat meer is, sommige werkgevers hebben geld uit het fonds gehaald onder de belofte bij te storten als de financiële positie zwakker zou worden. Die bijstortingen worden nu vaak niet nagekomen. Zo is vorig jaar aangifte gedaan tegen pensioenfonds Smit, dat verweten wordt ongeveer € 100 miljoen te hebben ontvreemd. Het is lastig om de haastige bijstorting van € 30 miljoen door Boskalis (dat Smit overnam) na aanvankelijke weigering als iets anders dan een schuldbekentenis op te vatten. Eerder wezen oud-directeur Vermogensbeheer van het ABP Jean Frijns en hoogleraar Van de Poel erop dat de overheid € 25 miljard aan het ABP onttrokken heeft.
Werkgevers dragen nu niet of nauwelijks bij aan het ontstane tekort. Terwijl dat een direct gevolg is van zowel de lage premies als niet nagekomen (bijstort)verplichtingen. Integendeel, in het pensioenakkoord wordt de premie gefixeerd, waarmee werkgevers van alle risicos af zijn. Jean Frijns stelt hierover: Verbazend hoe makkelijk werkgevers onder hun pensioenlast uitkomen. Verbazend mag dat inderdaad genoemd worden, en een gotspe misschien ook.
Zelf zien de werkgevers dit anders. Zij stellen dat zij nu historisch hoge premies betalen. Dat is behalve bezijden de waarheid (rond 1980 was het 25%, wat hoger is dan de voorgestelde 20%), ook bezijden het punt. Werkgevers - hoofdverantwoordelijk voor de tekorten - worden bij het verdelen van de verliezen volledig ontzien. Professor Van Praag stelde dat de huidige 20% pensioenpremie bovendien alsnog te laag is om aan de daarmee opgebouwde toezeggingen te voldoen.
Werkgevers hebben ook een tweede argument. Volgens hen kunnen de premies niet omhoog zonder bedrijven in problemen te brengen. Hier worden kunnen en willen door elkaar gehaald. Zolang er bonussen en dividenden uitgekeerd worden, kan de premie omhoog. Dat werkgevers dat niet willen, is weliswaar begrijpelijk maar het is ook iets anders. Net zoals een euro uitgekeerd aan ouderen niet aan jongeren uitgekeerd worden kan, kan een euro bonus net zo goed als pensioen gestort worden. In geval van de overheid staat het korten van rechten in schril contrast met het redden van de insolvabele banken ABN en ING. Toen deze banken op omvallen stonden, zijn de kapitaalverschaffers niet aangesproken. Obligatiehouders hoefden aan het verlies geen cent bij te dragen. Bij pensioenfondsen -inclusief het eigen ABP - worden de kapitaalverschaffers - zijnde de deelnemers - wel aangesproken.
Het pensioenakkoord is daarmee een eclatante overwinning voor de werkgevers. Ze zijn van alle risicos af, hoeven niet terug te betalen wat ze in het verleden te weinig bijgedragen hebben, betalen nog altijd een te lage premie en blijven ondertussen in het pensioenfondsbestuur zitten.
Vermogensbeheerders evenzo
Behalve de rol van werkgevers is ook de rol van vermogensbeheerders van belang. De totale kosten van vermogensbeheer wordt door toezichthouder AFM op 4,5 miljard geschat. Dat is vele malen meer dan de Sociale Verzekeringsbank nodig heeft om de AOW-regeling uit te voeren. En men hoeft niet progressief te zijn om een salaris van meer dan een miljoen voor bestuursleden van private equity fonds Alpinvest - belegger voor ABP en Zorg en Welzijn - aan de hoge kant te achten. Indien de kosten van vermogensbeheer met 11% worden verlaagd - wat gezien de grote bezuinigingen bij de overheid wellicht niet zo een gekke gedachte is - dan kan er tot in lengte van jaren geïndexeerd (dat jaarlijks 0,5 miljard kost) worden. Tot veel goede prestaties heeft het beleggen daarbij ook geen aanleiding gegeven. Zo zochten vermogensbeheerders als APG hun kracht in het beleggen in Griekse obligaties en Amerikaanse hypotheekpakketjes. In juni 2008 was de uitkomst van het financiële denkwerk het steken van 500 miljoen in Fortis. En zo gebeurde het dat in 2008 in totaal 120 miljard verloren ging. Een deel is sindsdien terugverdiend, een klein deel althans. En een deel kan niet worden terugverdiend, stelde althans de Commissie Frijns, die in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken het beleggingsbeleid onderzocht: 20 miljard verlies valt direct toe te schrijven aan incompetente uitvoering. Dat is meer dan er deze kabinetsperiode bezuinigd wordt (18 miljard). Het verlies van 20 miljard was volgens de commissie vermijdbaar, een interessante conclusie.
Wie veronderstelt dat vermogensbeheerders als APG en PGGM salaris inleveren en de kosten verminderen, heeft het bij het verkeerde eind. Dat klemt te meer omdat het een publiek geheim is dat vermogensbeheerders niet slechts het door pensioenfondsen geformuleerde beleid uitvoeren, zoals officieel beleden wordt. Pensioenfondsen volgen de adviezen van vermogensbeheerders klakkeloos. Bovendien blijkt uit onderzoek van toezichthouder DNB dat vermogensbeheerders de door pensioenfondsen gegeven beleggingsmandaten oprekken of deze domweg niet nakomen.
Tot slot
Pensioenfondsen zijn feitelijk failliet. Dat is een treurig feit maar dat ontkennen verandert de zaak niet. Het pensioenakkoord negeert het echter en zoekt een uitweg door een hoog verwacht beleggingsrendement in te boeken. Verzekeraars deden dat eerder bij woekerpolissen en ook toen werkte dat niet, althans niet voor de polishouders. Wat dan wel te doen?
De kosten van het vermogensbeheer dienen aanzienlijk verlaagd te worden. En vooral dienen werkgevers een goed deel van de verliezen te dragen. Werkgevers kunnen daarbij niet het volledige tekort betalen, daarvoor is het eenvoudigweg te groot. Evenmin zou dat redelijk zijn. De vakbonden zijn immers uiteindelijk, in naam van deelnemers die geen directe zeggenschap hebben, akkoord gegaan met het premie- en beleggingsbeleid. Pensioenfondsdeelnemers zullen daarom ook een bijdrage leveren moeten. En dat gebeurt ook allang door het langjarig uitblijven van indexatie.
De huidige verdeling, waarbij werkgevers niets aan het tekort van 250 miljard bijdragen is onrechtvaardig, onnodig en daarom ongewenst. Dat is de zaak en daar gaat het veel te weinig over. En dat is ook politiek. Zoals het gezegde luidt: hij die over de discussie heerst bepaalt. Bijvoorbeeld door na een decennialang amechtig zwijgen paginagrote advertenties te plaatsen waarin staat dat er iets aan de hand is, zonder dat aangegeven wordt hoe kolossaal het tekort is, hoe ze door te lage premies en een duur en dilettantistisch beleggingsbeleid ontstaan zijn en dat ze nu volledig door de partijen gedragen worden die aan dat alles part noch deel hebben gehad.
David Hollanders is post-doc onderzoeker bij TiasNimbas/Universiteit van Tilburg.
