Is Boomsday on its way?
Twenty-something Cassandra Devine pikt het niet langer. De VS bevinden zich in een economische crisis: de torenhoge staatsschuld, krimpende economie en miljoenen pensioengerechtigden zetten de sociale zekerheid ernstig onder druk. De kosten worden op haar en haar leeftijdgenoten afgewenteld. Terwijl de babyboomers rustig een balletje slaan op de golfbaan, worden de social security premies voor werkende jongeren alsmaar verhoogd. In haar blog doet ze een radicaal voorstel: Geef babyboomers de optie om van een pensioen te genieten met alle mogelijk benefits, op voorwaarde dat ze op 75-jarige leeftijd vrijwillig uit het leven stappen. Het wordt een hit: de gated communities waar de babyboomers zich ophouden worden overspoeld met demonstrerende jongeren. Maar pas als een senator in Washington electoraal voordeel ziet in het idee en een PR-bureau aan het spinnen slaat, begint Voluntary Transitioning pas echt aan een opmars als mogelijke oplossing voor de vergrijzing...
Een nachtmerrie? Nee, dit is in een notendop het verhaal van de satirische roman Boomsday, van de Amerikaanse auteur Christopher Buckley. Hilarisch en gelukkig fictie. Maar sommige elementen uit het boek - geschreven in 2007, dus vóór de kredietcrisis - komen griezelig bekend voor, niet alleen als je in de VS woont. Economische crisis? Check. Vergrijzing? Check. Kosten afwentelen op nieuwe generaties? Deze beschuldiging werd geuit in reactie op het onlangs afgesloten pensioenakkoord in Nederland, en sluit aan op een recent uitgekomen essaybundel over de kwestie babyboom, waarin de babyboomers er op zn zachtst gezegd niet goed vanaf komen. In dit artikel zal ik aan de hand van deze kritiek het idee van een generatieconflict tussen babyboomers en jongere generaties nader bekijken. Uit de discussie blijkt dat anti-babyboom overlap vertoont met anti-links en verrassend genoeg juist door conservatieve denkers wordt ingezet om te ageren tegen progressief gedachtegoed.
Pensioenakkoord: zekerheid voor ouderen, onzekerheid voor jongeren
Tijdens de crisis is het goed misgegaan met de pensioenfondsen: door een te groot aandeel aan risicovolle beleggingen, en wellicht zelfs onkunde bij bestuurders is bij een aantal fondsen een deel van de reserves verdampt. Tegelijkertijd weten we dat, nu de eerste babyboomers met pensioen gaan, er in de nabije toekomst meer aanspraak wordt gedaan op de fondsen terwijl er minder geld binnenkomt via premies. Het pensioensysteem moet dus op de schop, en daarom hebben minister Kamp, de werkgevers en vakbonden met veel moeite een nieuw akkoord onderhandeld. In feite goed nieuws: om het pensioenstelsel, ook wel het schoolvoorbeeld van solidariteit genoemd, te behouden worden hervormingen noodzakelijk geacht en er is daadkracht getoond om die te bewerkstelligen. Maar is het nieuwe pensioenstelsel daadwerkelijk zo solidair en toekomstbestendig?
Uit de discussie die oplaaide na de persconferentie over het nieuwe akkoord blijkt dat velen denken van niet. In het nieuwe systeem, zo beargumenteren niet alleen jongerenvertegenwoordigers van D66, maar bijvoorbeeld ook vier hoogleraren economie (NRC Next, 29 juni), wordt het stelsel zodanig aangepast dat de financiële risicos voor jongeren onevenredig groot zullen zijn. Aankomende pensioengerechtigden zullen ondanks de recente grote verliezen van reserves een gegarandeerd hoog pensioen krijgen: hoewel de AOW-leeftijd officieel omhoog gaat (pas in 2025 naar 67), wordt een verlies van inkomen dat dient als ontmoediging voor vroeg uittreden (6,5% minder), direct gecompenseerd door de vaste verhoging die is ingebouwd. Ernstiger is dat dit gebeurt door boekhoudkundige trucs (zoals verhoging van de dekkingsgraad) waarbij ervan uit wordt gegaan dat het geld voor de pensioenen van de jongeren zal worden terugverdiend op de beurs.
Kortom, concluderen de jongerenvertegenwoordigers, de pensioenen van de aankomende jaren (die van de babyboomers) worden uitgekeerd op basis van "imaginaire winsten" die moeten worden terugverdiend met "pensioenpokeren". Of dit zal lukken is onzeker: pensioenfondsen worden geprikkeld méér risico te nemen met beleggingen, terwijl uit het recente verleden juist blijkt dat dergelijke prikkels behoorlijk desastreuze gevolgen kunnen hebben. En hoe groot is de kans eigenlijk dat de economie van vergrijzende landen blijft groeien, terwijl opkomende grootmachten in onze nek hijgen? Dat de jongeren (verplicht!) de pensioenen van de vergrijzende babyboomers betalen, wordt toegegeven door zwaargewichten van het CPB en DNB, waarbij doodleuk wordt gesuggereerd dat jongeren er maar op moeten rekenen dat ze bij moeten sparen omdat van hun premies niet veel over zal blijven.
Simpele demografie of toch niet?
Nu denkt u wellicht: babyboomers hebben heus geen voorbedacht plan om de jongere generaties - veelal hun eigen kinderen - stelselmatig van hun pensioen te beroven. Hoe kan zon voorstel er dan toch komen? Er is in dit geval duidelijk een probleem van misrepresentatie. Akkoorden over pensioenen worden besloten door organisaties waarin jongeren ondervertegenwoordigd zijn, zoals vakbonden, werkgeversorganisaties, kabinetten. Babyboomers zijn daarin juist goed of oververtegenwoordigd. In plaats van ludiek protesteren in de Tweede Kamer luidt het advies aan jongeren dan wellicht: word lid van een vakbond! Maar dat helpt ook niet echt. Juist doordat de babyboomgeneratie zon grote generatie is, zal ze altijd (of, voorlopig) electoraal voordeel hebben, want jongeren zijn simpelweg outnumbered.
Anderzijds, als babyboomers het wél goed voor hebben met latere generaties, rijst de vraag waarom het pensioenstelsel niet al veel eerder is aangepakt. We weten al sinds de babyboom generatie als zodanig werd bestempeld dat vergrijzing onontkoombaar is. De komst van een bulk pensioengerechtigden in dit decennium was dus al lang bekend. Waarom is het stelsel dan niet veranderd in de economisch goede tijden, met het oog op toekomstige, kleinere generaties die de vergrijzing op moeten vangen? Waarom is zoveel risico genomen met beleggingen, in plaats van de reserves netjes intact te laten zodat babyboomers op basis van hun eigen premies kunnen worden uitbetaald, in plaats van imaginair geld? Is er mogelijk toch iets aan te merken op de mentaliteit van de babyboomers?
Babyboomers als zakkenvullers?
De recent verschenen essaybundel Bye Bye Babyboom, samengesteld door twee journalisten (veertigers) van BNR, is hierover duidelijk: babyboomers komen alleen op voor hun eigenbelang. De samenstellers zetten eerst een aantal feiten op een rijtje. Zo mogen de babyboomers met recht de rijkste generatie ooit genoemd worden. Door de vermenigvuldiging van de huizenprijzen (weer een boom; jongeren van nu zijn vooral bekend met bubbles) zijn vele babyboomers niet slapend, maar wel zittend (in hun huis) rijk geworden. Hoewel dit uiteraard niet voor alle mensen geldt, is het dus zo dat een relatief groot deel van de babyboomers sociaaleconomisch geprivilegieerd is. Daarnaast hebben ze, in tegenstelling tot de huidige jongeren, exorbitant lang kunnen studeren. Tenslotte is het ook de generatie die veel gunstige arbeids- en uittredingsregelingen heeft kunnen genieten: eerst de WAO (inmiddels veel strenger) en VUT (inmiddels afgeschaft) en nu dan dus een gunstige, in plaats van een aangescherpte AOW. Op basis hiervan wordt gesteld dat "de babyboomers het meest geprofiteerd hebben van de welvaartsstaat".
Maar economische tijden zitten mee of zitten tegen - hebben babyboomers niet simpelweg geluk gehad? Volgens een van de essayisten, Martin Pikaart, voorzitter van het Alternatief voor Vakbond (AVV), ligt het ingewikkelder. Hij suggereert dat babyboomers een generatie zijn die "gewend is aan de luxe van een welvaartsstaat zonder de bijbehorende kosten". Die reserves, bijvoorbeeld uit de aardgasbaten, "erdoorheen hebben gejaagd" (of in ieder geval niet enkel duurzaam geïnvesteerd) in plaats van te sparen voor komende generaties. Die de genoemde gunstige regelingen voor zichzelf bedongen, terwijl "het morele besef, dat dit ook door iemand betaald moest worden, ontbrak". Toen de AVV in 2009 een aanklacht indiende tegen het ABP pensioenfonds, omdat het de reserves op de beurs verspeeld had, werd verwezen naar gewekte verwachtingen bij babyboomers. Maar "hoe [...] solidair is het om de torenhoge verwachtingen van babyboomers [...] te laten betalen door jongere generaties die part nog deel hebben aan de manier waarop deze verwachtingen zijn gewekt?" Kortom, babyboomers profiteren in tijden van groei, maar laten anderen betalen in tijden van krimp. Kan het ook anders?
Jazeker, betoogt professor Pieter Gautier in zijn essay. Als we het huidige niveau van voorzieningen ongewijzigd laten, zullen de overheidsbestedingen netto stijgen terwijl de inkomsten dalen. De babyboomers worden het komende decennium ontvanger van dit geld en zullen daarmee in de toekomst opnieuw profiteren: "Het verschil is een overdracht van de huidige werkende generatie aan de generatie die nu of binnenkort met pensioen gaat". Hoe kunnen we dit voorkomen? Simpele maatregelen kunnen zijn: lagere belastingen op arbeid en juist een hogere BTW, waardoor productie voordeliger wordt en consumptie duurder. En natuurlijk afschaffing van de hypotheekrente. Allemaal noodzakelijk om de overheidsfinanciën gezond te houden, aldus Gautier, in het belang van toekomstige generaties.
Als we deze auteurs mogen geloven, zijn er dus redelijk drastische politieke ingrepen nodig om te voorkomen dat babyboomers de samenleving te gronde richten met hun egoïstische gedrag: Boomsday on its way. Zijn er ook alternatieve toekomstscenarios?
Babyboomers als een blessing in disguise?
Ten eerste kunnen we natuurlijk onze vraagtekens zetten bij het simplistische idee van één generatie met één mentaliteit. Zo werkt Paul de Beer aan een herdefiniëring van solidariteit in de 21e eeuw, en signaleert daarbij dat "ouderen - en vooral de babyboomers - worden nogal eens afgeschilderd als profiteurs die de jongeren danig in de weg zitten, terwijl van jongeren veelvuldig wordt beweerd dat zij egocentrisch, narcistisch en materialistisch zijn [...]". Zulke stereotypen zijn niet bevorderlijk voor de discussie, zo vindt ook Kees Schuyt: "De conclusie [...] is dat in moreel opzicht niemand, geen enkele generatie, ook maar enige schuld heeft aan de vergrijzing en dat daarom elke generatie ook verantwoordelijk is en blijft voor de oplossing voor dit collectieve verschijnsel." Met zn allen ertegenaan, in plaats van zogenaamde verschillen tussen generaties opblazen.
Anderen benoemen zelfs voordelen van de vergrijzing. Zo ziet professor Theo Schuyt een gouden eeuw van filantropie aanbreken: dat enorme vermogen van de babyboomers moet natuurlijk ergens blijven, en met meer horizontale solidariteit komt wellicht ook wel extra vrijgevigheid kijken (daar rekenen Zijlstra en vrienden ook op met hun charitatieve model voor de kunstsector). Leden van Denktank 2100 vinden ook dat men juist de meerwaarde van de vergrijzing moet inzien: in een "samenleving met zo veel meer levenservaring" is het heel onverstandig om iedereen ouder dan 65 te bestempelen als een kostenpost. "Voor een toenemend aantal mensen nu [...] geldt dat zij na hun 65e nog 20 à 25 gezonde levensjaren voor de boeg hebben. Door dit te negeren, is er sprake van economische en maatschappelijke onderbenutting van menselijk kapitaal." Specifiek de sociale talenten van ouderen, die volgens deze Denktank meer ontwikkeld zijn dan bij jongeren, zouden meer moeten worden benadrukt zodat gepensioneerden een actieve bijdrage aan te maatschappij kunnen blijven leveren, in plaats van weggezet te worden als de grijze golf die verstikkend werkt op diezelfde maatschappij.
Exit Boomsday, welkom Utopia? Moeten we dus juist blij zijn met de babyboomers die de samenleving komen verrijken met levenservaring en bakken met geld? Dat gaat ook wel weer erg ver. Hoe kunnen zulke extreme typeringen naast elkaar bestaan? Om dit te begrijpen, moeten we de overige inhoud van Bye Bye Babyboom wat nader beschouwen.
Is er nog meer mis met babyboomers?
De overige verwijten die de auteurs Paul van Liempt en Paul van Gessel van deze essaybundel de babyboomers naar het hoofd slingeren blijken meer van psychologische aard. Zo zouden babyboomers leiden aan "zelfvoldaanheid", "een overtuiging van morele superioriteit", en een "maakbaarheids-syndroom". Zo hebben volgens publicist Mirjam van Immerzeel feministen uit de babyboomgeneratie last van een misplaatste trots: in plaats van de weg te hebben geplaveid voor alle vrouwen na hen hebben ze met hun deeltijdbanen in de publieke sector "en masse bijgedragen aan het verder optuigen en uitdijen van de welvaartsstaat [...]". Het onderwijs hebben de babyboomers - volgens Albert Jolink en Presley Bergen - desastreus hervormd door iedereen gelijk te stellen, waarna ze vervolgens de deur dichtgooiden voor de volgende generatie, die te maken kreeg met ernstige salariskortingen: men ging "van babyboomer naar babyboeman". Volgens hoogleraar ethiek Frits de Lange komt dit doordat deze generatie geen geloof heeft in verticale solidariteit: men prefereert forever young boven plaats maken voor een nieuwe generatie. Ze beschouwen hun welvaart als "persoonlijk eigendom, in plaats van een erfenis voor hun kinderen". Door dit individualisme is horizontale solidariteit - binnen de generatie - belangrijker geworden, waarbij ouderlijk gedrag "automatisch als autoritair paternalisme wordt bestempeld", terwijl volwassen ouders zich zelf als adolescenten gedragen en vooral vrienden willen zijn met hun kinderen.
Kortom, er worden forse beschuldigingen geuit aan het adres van de naoorlogse generatie. Een gemene deler in al deze essays is dat babyboomers volgens de auteurs idealen die ze op jonge leeftijd aanhingen uiteindelijk niet zelf in praktijk hebben gebracht. Wat hieraan opvalt is dat deze kritiek grotendeels overlapt met veel van de beschuldigingen die in het huidige politieke debat geuit worden tegen de linkse kerk: GeenStijl-achtige klaagzangen over zogenaamd socialistische, zakkenvullende wereldverbeteraars zijn duidelijk dominant. Hiermee wordt de kritiek - los van dat het natuurlijk als provocatie bedoeld is - snel bepaald onzinnig omdat er heus ook wel rechtse of conservatieve babyboomers zijn. Het lijkt erop dat de schrijvers het fenomeen babyboom hier simpelweg hebben aangegrepen om eens flink uit te halen naar de zittende socialistische elite.
Generatieconflict als politiek argument
Toch, of misschien juist hierom, is het wijs om de kritiek niet zonder meer onder tafel te vegen. Zo beargumenteert De Lange dat het bestaan van verticale solidariteit - waar het babyboomers dus aan zou ontbreken - essentieel onderdeel uitmaakt van de duurzame samenleving die we allemaal voorstaan. Een interessante passage, want hier wordt een links-progressief argument (duurzaamheid) gebruikt tégen de generatie die tegelijkertijd het verwijt krijgt te idealistisch of te socialistisch te zijn. Ook in Engeland maken rechtse conservatieven dankbaar gebruik van dit beeld van de babyboom generatie: deze wordt ook hier afgeschilderd als linkse zakkenvullers en in dit spotje uit verkiezingstijd wordt rancune tegen de babyboomers expliciet aangewakkerd. Het generatieconflict wordt dus gekaapt door rechtse conservatievelingen om zich af te zetten tegen progressief gedachtegoed.
Dat het ook anders kan, werd onlangs betoogd in deze column in de Volkskrant: juist de huidige generatie twintigers zou de handen ineen moeten slaan met de babyboomers, om een nieuw idealistisch geluid te laten horen. Zou hier wellicht een mogelijkheid liggen om weerstand te bieden aan de nieuwe conservatieve wind die door Nederland waait? Tenslotte zijn Rutte, Wilders en Zijlstra het gezicht van dit nieuwe Nederland: allen geen babyboomers, maar geboren in de flower-power sixties waar ze ongetwijfeld een grote hekel aan hebben. Om de linkse leegte te kunnen vullen, zullen progressieve partijen dus ook een alternatief voor het hierboven geschetste beeld van de babyboomer moeten bieden.
Conclusie
Enfin, moeten jongeren nu echt bang zijn voor de zelfzuchtige babyboomers en net als Cassandra de barricades op om Boomsday te voorkomen? Hoewel het niet erg zinvol lijkt om een hele generatie een bepaalde mentaliteit op te plakken, is het wel duidelijk dat we met een erfenis zitten die niet probleemloos is. De oplossing hiervoor moet van twee kanten komen: jongeren moeten ervoor zorgen dat zij gehoord worden in de besluitvorming over bijvoorbeeld het pensioenakkoord, in plaats van weggestopt te worden in een jongerenafdeling van de vakbond of partij. De babyboomers zelf, moeten oppassen voor negatieve beeldvorming vanuit rechtse hoek en wellicht nadenken over de spanning tussen hun verworven rechten en duurzame keuzes voor de toekomst. Solidariteit over generaties is belangrijk: door middel van het sluiten van een sociaal contract kan de potentie van de babyboomers gebundeld worden met de aanstormende generaties die het nog aan middelen en invloed ontbreekt om een lans te breken voor het progressieve gedachtegoed. Tegen de babyboomers zou ik willen zeggen: denk aan alle voordelen die je zelf hebt genoten en hoe toekomstige generaties dat ook kunnen behouden. Dus niet potverteren op de golfclub, maar investeren in je eigen idealen, ook in de toekomst!
Christopher Buckley, Boomsday, Allison & Busby limited, London, UK, 2007.
Paul van Liempt & Paul van Gessel, Bye Bye Babyboomers, Uitgeverij Business Contact, 2010.
Iris Groen is redacteur van Waterstof.
