Vergrijzing en deeltijdbanen
De uitstroom van werkenden zal het hoogst zijn in de sectoren die uit publieke middelen worden betaald. Een pijnlijke en kostbare ontwikkeling. Door de vergrijzing gaat de vraag naar zorg revolutionair stijgen en dalen de inkomsten uit arbeid, terwijl de overheidsfinanciën door de wereldwijde financiële crisis nog lange tijd in zwaar weer zitten.
Bij ongewijzigd beleid groeit de behoefte aan werkenden in de zorg tot 470.000 extra mensen in 2025, grofweg 33.600 per jaar. Waren er voor iedere oudere in 2005 nog 3 mantelzorgers beschikbaar die de formele zorg ontlastten, in 2030 zullen dat er nog maar 1,5 zijn. Ook de ontwikkelingen in het onderwijs baren zorgen. In die sector gaan tot 2020 ieder jaar 3 van de 10 werknemers met pensioen. In het MBO vertrekt bijna een derde van alle werknemers binnen 10 jaar. In het voortgezet onderwijs en in het HBO is dat er 1 op de 4[1]. Door de dalende beroepsbevolking zal de werkdruk bij ongewijzigd beleid aanzienlijk toenemen, terwijl de investeringsmogelijkheden van de overheid om docenten te ontlasten afnemen.
In de zorg en in het onderwijs werken veel vrouwen. De meeste van hen werken in kleine deeltijdbanen (minder dan 24). Als al deze vrouwen minimaal twee uur per week meer zouden gaan werken, zijn de tekorten goeddeels op te lossen. Zou het extra aantal uren hoger liggen, dan biedt dat zelfs kansen om de werkdruk per werknemer te verminderen. Ook stijgen zo de overheidsinkomsten uit arbeid. Zo snijdt het mes aan twee kanten. Om deze oplossing te verkennen riepen overheid en sociale partners in 2008 de Taskforce Deeltijd Plus in het leven. Deze Taskforce kreeg de opdracht om aanknopingspunten te zoeken voor het verhogen van de arbeidsparticipatie van vrouwen in kleine deeltijdbanen. Men startte pilots, de argumenten van vrouwen en mannen om meer en minder uren te werken werden in kaart gebracht en er is onderzoek gedaan naar cultuur op werkvloeren en in gezinnen. Voorjaar 2010 verschenen de conclusies.
Het eindrapport kreeg de titel De Discussie Voorbij. De Taskforce concludeerde aan de hand van haar bevindingen dat er twee mogelijke benaderingswijzen zijn. Of je benadert de arbeidsparticipatie van vrouwen als een emancipatievraagstuk, ofwel als een kwestie van economische noodzaak. De eerste benaderingswijze vraagt om geduld, diepgang en gesprek. Om trage, moeilijk beïnvloedbare cultuurveranderingen en om rolmodellen. De tweede benaderingswijze, die van de economische noodzaak, vraagt om helder beleid en duidelijke communicatie. Om investeringen in de randvoorwaarden die nodig zijn om vrouwen in staat te stellen om meer uren te werken. De urgente dreiging van arbeidstekorten in cruciale sectoren rechtvaardigde de benaderingswijze van de economische noodzaak, zo stelde de Taskforce: Het ontbreekt ons simpelweg aan tijd om met een emancipatiedebat de participatie te laten stijgen.
Vervolgens liet de Taskforce zien in welke spagaat het participatiebeleid verkeert. Aan de ene kant beloont de overheid arbeidsparticipatie op economische gronden, aan de andere kant faciliteert de overheid gezinnen die kiezen voor het kostwinnersmodel of een moderne variant daarvan op argumenten uit het emancipatiedebat. Aan de ene kant doet de overheid een beroep op vrouwen om grote deeltijdbanen te aanvaarden. Aan de andere kant daalt de overheidsbijdrage voor de kinderopvang aanzienlijk zodra er meer dan drie dagen gebruik van wordt gemaakt. Een keuze die gemakkelijk opgevat kan worden als een normatieve stellingname: kinderen horen niet meer dan drie dagen te worden opgevangen. Tegenover de bezuinigingen bij toenemend gebruik, stellen vrouwen dat beschikbaarheid en kwaliteit van de kinderopvang randvoorwaarden zijn om meer uren te werken. De bedoelingen en uitgaven zijn diffuus.
De spagaat van het overheidsbeleid klinkt door in de verhalen van vrouwen. Ze willen betere en flexibele kinderopvang, brede scholen, flexibel in te delen werk, verruimde openingstijden in het publieke domein en professionele verantwoordelijkheden. Maar ze willen ook de mogelijkheid hebben om er géén gebruik van te maken. Ze willen de vrijheden en voorzieningen behouden die bij het kostwinnersmodel horen, in de veronderstelling dat het kan. Omdat dat is wat de overheid communiceert. En zolang de overheid niet de benaderingswijze van economische noodzaak kiest, zullen vrouwen dat ook niet doen. Voelt men de urgentie niet, dan wordt er ook niet naar gehandeld.
De cijfers spreken echter voor zich. Er zijn zwaarwegende argumenten om een beroep te doen op vrouwen. Met een aantal eenvoudige ingrepen op de arbeidsmarkt en in het fiscaal beleid is al grote winst te behalen. De Taskforce gebruikte het uitgangspunt Meer werk moet lonen, zowel materieel als immaterieel. Zou de overheid al haar beleid aan dat uitgangspunt toetsen, dan zou zelfs kostenneutraal al een enorme winst in arbeidsuren kunnen worden geboekt. Bijkomend zou ook de boodschap helder zijn: We hebben iedereen nodig. Een gelegitimeerde boodschap. We zijn het aan onze ouderen en onze kinderen verplicht om stelling te nemen.
Judith Ploegman is zelfstandig projectleider en conceptontwikkelaar en werkt aan sociale innovatie en innovatie van werkplekken en netwerken. Ze is oud-lid van de Taskforce Deeltijdplus.
[1] Bron: De grote uittocht (2010) een toekomstverkenning van de arbeidsmarkt van onderwijs en overheid & infographic De Vergrijzing (2010) van Edwin Gardner voor Partizan Public.
