Leven en overleven in Nederland
In het onlangs verschenen boek geven vijftien schrijfsters een gedetailleerd beeld van hun leven. De meesten hebben een migratiegeschiedenis met elkaar gemeen, maar hun verleden is zeer divers.
Licht en schaduw is een bundel levensverhalen. Het is het resultaat van een masterclass van Halleh Ghorashi en Christien Brinkgreve. Vrouwen kregen de gelegenheid om in een aantal sessies hun eigen verhaal te schrijven, met als leidende themas identiteit en thuisgevoel. Aanvankelijk was het de bedoeling levensverslagen voor eigen gebruik te creëren, maar gaandeweg kregen ze de bredere ambitie om hun verhalen in een literaire vorm aan een lezerspubliek te presenteren. Dat kostte extra tijd en bracht complicaties met zich mee. Was het in de eerste beperkte opzet vooral lastig om de deelnemers de ruimte te bieden om openhartig over hun persoonlijke leven te schrijven, voor de nieuwe opzet hadden de verhalen een redactie nodig. Een lichte redactie, want de auteurs moesten zichzelf blijven herkennen. Gezien en gehoord worden - daar ging het de schrijvers om.
Uit de bundel straalt vitaliteit; het is een illustratie van de kracht van levensverhalen. Het boek is in veel opzichten gevarieerd. De vrouwen zijn uit alle hoeken van de wereld afkomstig, al wonen ze allemaal in Nederland. Ze komen uit Iran, Suriname, Marokko, Turkije, Nederland, Irak. Een aantal van hen heeft in verschillende landen gewoond - in de Verenigde Staten, Duitsland, Rhodesië (nu Zimbabwe), Australië, Frankrijk, Suriname, Curaçao, Frankrijk, Cuba. Ze zijn in dorpen en in steden opgegroeid. Hun ouders zijn in verschillende betekenissen wereldburgers - migranten of diplomaten. Sommigen zijn zelf geëmigreerd, op zoek naar een beter leven of op de vlucht voor een vijandig regime. Als er al standaard-levenslopen bestaan, dan passen de levens van de meesten daar niet in. Er doen zich breuken in hun levens voor, ingrijpende en dramatische gebeurtenissen.
De verschillende hoofdstukken gaan over ervaringen die voor hun identiteit belangrijk zijn geweest. Ze gaan over hun kindertijd, over school en werk, over hun eigen gezinnen en eigen kinderen, over politieke betrokkenheid en actie. Mij valt op hoe vaak lezen en boeken, school en ontwikkeling in hun verhalen voorkomen. De auteurs zijn stuk voor stuk ontwikkeld, maar ze behoren tot verschillende generaties en zoals gezegd komen de meesten van ver. Door die afstand in ruimte en tijd zeggen hun uitspraken over onderwijs en kennis niet alleen iets over hun eigen leven, maar werpen ze ook een licht op de plaats en betekenis van het onderwijs hier en nu.
Enkele vrouwen komen uit landen waar scholing al generaties lang een noodzakelijke voorwaarde is om als volwassene te kunnen functioneren. Maar de meesten behoren tot de eerste generatie die het zich kan permitteren om lang naar school te gaan. Dat kan vóór hun immigratie hebben plaatsgevonden of na hun komst naar Nederland. In ieder geval beantwoorden ze niet aan het stereotype van ongeschoolde buitenlandse vrouwen. Een vrouw uit Iran die halverwege de jaren tachtig uit Iran naar Nederland vlucht, is bijvoorbeeld een telg uit een geleerde familie: haar betovergrootvader, overgrootvader, grootvader en vader vervulden de functie van heilige meester. Ze waren wandelende bibliotheken en gaven hun kennis door van vader op zoon. Ze gaven dorpskinderen les en leerden hen mooie gedichten en verhalen. De vrouw heeft haar middelbare schooltijd op een privéschool in Teheran doorgebracht en zat ten tijde van de revolutie tegen de Sjah in 1978 in de hoogste klas. Ze beschrijft hoe opeens duizenden verboden boeken op de markt mochten komen, zonder kaft, rafelig en lelijk, toch kocht iedereen ze. Boekenkasten werden gevuld, de straten werden universiteiten. Ze gaat geneeskunde studeren en is politiek actief, totdat het voor haar niet meer veilig is en ze Iran ontvlucht, samen met haar man en dochtertje.
In Nederland blijkt buitenlanderschap in de bureaucratische molens gelijk te staan aan ongeschoold. Cijferlijsten uit het land van herkomst worden niet erkend, zoals haar universitaire cijferlijst. En ook het meisje dat in 1970 op haar veertiende uit Suriname naar Nederland kwam, na een paar jaar ulo en een deel van de mulo, moest weer helemaal opnieuw beginnen. Ongeacht hun diplomas in het land van herkomst, komen immigranten op het arbeidsbureau in de bakken ongeschoolde arbeiders terecht en de cursussen Nederlands zijn vooral op die groep afgestemd. Een Turkse vrouw, die eind jaren 1970 een postacademische opleiding in Nederland volgt, beschrijft hoe ze voor Nederlandse les terecht komt bij een cursus voor analfabete vrouwen. De verspilling van talent en kennis was enorm, zo schrijft ze. Jaren voelde ik mij in een intelligentiegevangenis.
De stereotypering van buitenlandse vrouwen heeft een echo in de manier waarop ontwikkelde vrouwen over hun nauwelijks geschoolde, soms zelfs analfabete moeders en grootmoeders schrijven. Ze haasten zich om positieve eigenschappen tegenover hun eenvoudige ontwikkeling te stellen. Hun omas zijn weliswaar niet naar school gegaan, maar zij zijn intelligente vrouwen, sterke vrouwen bovendien. De kleindochters willen kennelijk laten blijken dat hun grootmoeders het wel in zich hadden, maar dat ze door een gebrek aan scholing geen kans hebben gehad om hun vermogens te ontwikkelen. Een vrouw schrijft over haar Marokkaanse analfabete oma, die er sterke opvattingen op nahield en een charismatische vrouw was, met prachtige verhalen. Is de behoefte om de positieve trekken van ongeschoolden speciaal te benoemen mondiaal verbreid, of hebben de kleindochters deze pas ontwikkeld toen ze in Nederland in aanraking kwamen met het meritocratische ethos? Deze luidt: wie een lage opleiding heeft, is weinig waard, en beschikt over beperkte vermogens.
Onderwijs en kennis hebben voor veel van de schrijvers en hun familieleden een instrumentele waarde. Een analfabete oma droomt van een zelfstandig bestaan voor haar kleindochter en benadrukt daarbij het belang van kennis. De vaders zijn naar Nederland getrokken om door zelf hard te werken hun kinderen daar een kans te geven. En bij kans denken ze aan school en cursussen als toegangspoort voor een beter leven. Kennis is macht, zegt een vader stimulerend.
School kan ook heel andere functies hebben, om je uit de wereld terug te trekken bijvoorbeeld. Een vrouw uit Almelo, beschrijft hoe ze als meisje in haar boeken verdwijnt. Ze leest voor haar lijst voor de mms en vindt uittreksels te min. Ik lees altijd en overal. Ik woon in de boeken en vergeet de kale, benauwde, luidruchtige en koude wereld om me heen.
Op verschillende plaatsen in het boek wordt beschreven hoe belangrijk taal is. De paniek van kinderen die op Schiphol mensen horen praten die ze niet kunnen verstaan, de taalbarrière die het moeilijk maakt om wegwijs te worden in het onderwijssysteem. Een Turkse vrouw beschrijft hoe ze in de omgang met anderen niet kon waarmaken wie ze in het Turks was. Je persoonlijkheid kan je alleen met taal uiten, je zelfvertrouwen, sense of humor, intelligentie, of je grappig bent of cynisch bent, het is afhankelijk van je taalgebruik.
Kennis, scholing en beheersing van de Nederlandse taal - het zijn de toegangskaarten voor de Nederlandse samenleving. Wie daarover niet beschikt, loopt de kans gediskwalificeerd te worden. Daarbij wordt identiteit gereduceerd tot onderwijs en taalbeheersing en wordt aan andere bestanddelen daarvan voorbij gegaan. Dat geldt zeker voor immigranten. Ongeacht hun voorgeschiedenis worden hun kwaliteiten en hun persoonlijkheid afgemeten aan het niveau van hun Nederlands, en aan hun vermogen zich in de Nederlandse samenleving te oriënteren.
Halleh Ghorashi & Christien Brinkgreve (red.) 2010, Licht en schaduw. Vijftien vrouwen over leven en overleven. Amsterdam: VU Uitgeverij, ISBN 978 90 8659 4221, 352 paginas, €19, 95
Rineke van Daalen werkt als socioloog op de afdeling Sociologie and Antropologie van de Universiteit van Amsterdam
