Wie over bankregulering niets te melden heeft, moet ook over bezuinigingen zwijgen
Het zou grappig zijn als het niet zo ernstig was. Hoofdpunt van de Tweede Kamerverkiezingen van 9 juni a.s. zijn de bezuinigingen van 29 miljard (of 20 miljard, of 19 miljard). Progressieve partijen als GroenLinks, PvdA en D66 richten zich o.a. op afbouw van de hypotheekrenteaftrek, terwijl VVD en CDA hun heil zoeken bij het verminderen van sociale uitkeringen en bezuinigingen op zorg en onderwijs. Nadat het electorale stof is neergedwarreld, zullen kabinet en parlement ongetwijfeld ergens in het midden uitkomen: enkele miljarden minder voor de AWBZ, de lerarensalarissen wat naar beneden en een verlaging van de hypotheekrenteaftrek voor huiseigenaren. Positief beschouwd draagt iedereen zo bij aan het herstel. De verkiezingen lijken daarmee de inzet te hebben die ze in een democratie moeten hebben: de verdeling van de lasten en de vraag wie hoeveel bijdraagt?
Maar zo is het toch niet helemaal. De enige sector die in de ambtelijke voorstellen voor bezuinigingen geheel ongemoeid blijft, is de bankensector. Dat is curieus. Niet alleen is het onverantwoordelijk optreden van die sector de directe aanleiding voor de bezuinigingen, de overheid heeft de bankensector ook nog eens voor 100 miljard gered. Het gat van 29 miljard is geen natuurverschijnsel, het is een direct gevolg van een bankencrisis. Als regulering uitblijft, kan die crisis nog veel pijnlijker worden en herstel onmogelijk maken. Economisch zou dat desastreus zijn.
Toch wordt er, behalve door de SP, geen campagne gevoerd voor aanpassing van de faillissementswetgeving voor failliete banken en niemand eist dat banken het aan hen geleende spaargeld desgewenst volledig kunnen uitkeren (kapitaalseis van 100%). . De crisis van een failliete financiële sector beantwoorden met bezuinigingen in de reële economie getuigt van intellectuele impotentie van partijen die men zich nu niet kan perrmitteren.
Er ís geen alternatief voor bankregulering. Regulering is de alfa en omega van financieel-economisch herstel. Ideaal zou zijn als het banken onmogelijk wordt gemaakt andermans spaargeld risicovol te beleggen onder overheidsgarantie, waarbij ook nog het een en ander aan hun dikke strijkstok blijft hangen. De kapitaaleis moet 100% zijn.
Een solvabiliteitscrisis, geen liquiditeitscrisis
De overheid heeft 100 miljard in de financiële sector gestoken. Er zijn aandelen ter waarde van 20 miljard (ABN) en hypotheekportefeuilles ter waarde van 30 miljard (ING en ABN) opgekocht boven de marktprijs. De overige 50 miljard zijn (achtergestelde) leningen tegen gunstige en versoepelde voorwaarden.
Belangrijker dan de hoogte van de bedragen is de vraag of dat overheidsgeld terugkomt. De banken zelf stellen gezond te zijn en het geld derhalve ooit te retourneren. Dat klinkt goed, maar ook bekend. Icesave, Lehman Brothers, Van der Moolen en DSB beweerden nog tot enkele dagen voor hun faillissement solvabel te zijn. Toezichthouder De Nederlandse Bank (DNB) sloeg geen alarm. DNB stelde een week voordat DSB failliet ging dat de bank solvabel was. Accountants wekten evenmin vertrouwen; zo werkte Ernst&Young (samen met ABN) actief mee aan het creatief boekhouden van Lehman Brothers.
De stelling dat banken eigenlijk genoeg geld hebben, alleen nu even niet, gaat uit van (slechts) een liquiditeitsprobleem van banken. Banken zouden wel genoeg bezittingen hebben, maar onvoldoende in kas hebben wanneer spaarders massaal en onmiddellijk hun geld opnemen, zoals dat in 2008 bij Fortis gebeurde en najaar 2008 bij ING dreigde te gebeuren. Vergelijk het met een disgenoot die bij het afrekenen in een restaurant zijn portemonnee vergeten blijkt te zijn. Hij kan niet aan zijn directe verplichting (de restaurantrekening betalen) voldoen, maar heeft elders genoeg vermogen (de pinpas thuis). Dan is voorschieten een oplossing.
In de bankenwereld schieten banken normaliter elkaar voor. Dat wordt thans verhinderd, aldus de banken zelf, door een diffuse vertrouwenscrisis. Dus moet de belastingbetaler, via de overheid of via de Europese Centrale Bank (ECB), voorschieten.
Er is reden om aan deze redening te twijfelen, er is eigenlijk heel veel reden om dat te doen. In de eerste plaats vallen veel maatregelen die zijn getroffen niet te rijmen met slechts een liquiditeitscrisis. De overheid heeft immers niet alleen geleend, maar ook direct aandelen en hypotheekportefeuilles opgekocht. Alsof de restaurantbezoeker ter plekke de jas van zijn disgenoot opkoopt, voor meer dan de winkelwaarde wel te verstaan. Bij een liquiditeitscrisis zou er voor de ECB ook geen aanleiding zijn om de rente te verlagen. De ECB leent momenteel 600 miljard extra uit aan grote banken, tegen 1% rente. Banken lenen dit op hun beurt weer tegen 7% rente uit aan Griekenland of desnoods tegen 3.5% rente aan Nederland. De banken hebben hiermee, in de woorden van econoom Willem Buiter, een geldmachine cadeau gekregen.
Ten tweede passen banken de boekhoudregels aan. Zij waarderen hun bezittingen niet meer tegen (in? AO tegen kan wel, DH) marktprijzen, maar gebruiken interne modellen. Zo gebruikt pensioenfonds ABP bijvoorbeeld de best-guess-method. Uit de interne modellen komt - wat een verrassing - een hogere waardering voor de bezittingen. Daardoor lijkt de winst toe te nemen, die weer aan de basis staat van de bonusuitkeringen. Deze bonussen zijn (deels) spaargeld dat de bank verlaat. Bij onvoldoende solvabiliteit is het uitkeren van bonussen op basis van interne modellen het equivalent van leeghalen van de bank, iets waar bijvoorbeeld Scheringa van beschuldigd werd.
Ten derde stemmen de bezittingen van banken niet vrolijk. Banken hebben (spaar)geld uitgeleend aan Amerikaanse huisbezitters, Dubai, vastgoedbedrijven, de Spaanse bouwsector en Griekenland. Zij zijn debiteuren van de banken, maar (deels) failliet. Een ongezonde economie en gezonde banken: zij zijn zeer moeilijk met elkaar te rijmen.
Ten vierde zijn de aandelenrendementen en salarisstijging van meer dan 10% per bank van de afgelopen decennia zeer lastig te verenigen met een economie die slechts 2% per jaar groeit. Aannemelijker is dat de methode Palminvest gevolgd is, waarbij ingelegd geld wordt uitgekeerd als bonussen en dividend. Een methode die, met wat creatief boekhouden, pas aan het licht komt wanneer mensen hun geld opeisen. Zoals tijdens de huidige crisis.
Tot slot zijn er verschillende somber stemmende commentaren die tot een andere conclusie leiden dan alles sal reg kom. Willem Middelkoop stelt dat banken technisch failliet zijn, en BNR-beurscommentator Kees de Kort schat de kans dat de belastingbetaler al het geld van de ING-deal terugziet nul voor de komma en nul achter de komma. Behalve deze kritische buitenstaanders, zijn ook niet alle ingewijden er gerust op. Zo stelde Eurocommissaris Neelie Kroes dat ABN "een bank is met ernstige problemen" en VVD-prominent Verwaaijen meende: "Er staan nog steeds veel bezittingen en leningen op de balansen van banken waarvan de werkelijke waarde niet in kaart is gebracht." Dit zijn eufemismen voor toch maar één interpretatie: het geld komt niet (geheel) terug.
Good bank/Bad Bank oplossing
Als een bedrijf te weinig geld heeft, dan gaat het failliet. Dat geldt voor de bakker, de notaris, de supermarkt en het café om de hoek. Wanneer dat gebeurt, zijn het de verschaffers van eigen vermogen (aandeelhouders) en vreemd vermogen (obligatiehouders) die de prijs betalen. Zo zou het ook bij banken moeten gaan. De tegenwerping is dat banken too-big-too-fail zijn. Een faillissement van grote banken zou grote maatschappelijke gevolgen hebben. Hier zit wel iets in en om dit probleem te tackelen is er de zogenaamde good bank/bad bank oplossing. Daarbij treedt de overheid of toezichthouder op als curator en splitst de bank met ernstige problemen in tweeën, een goede bank en een slechte bank. In concreto zou dat voor bijvoorbeeld ING (met een balanstotaal voor het bankdeel van 600 miljard) betekenen dat de spaarders (in totaal 300 miljard), samen met goede activa ter waarde van 300 miljard, een nieuwe bank (de good bank) vormen, een soort ING 2.0. De overige claims - ter waarde van 300 miljard - worden omgezet in aandelen in de slechte bank, waar ook alle overige slechte bezittingen in zitten. Deze bad bank wordt de bankvergunning ontnomen.
Bezittingen van de slechte bank zullen waarschijnlijk minder waard blijken dan de 300 miljard, dat was juist de aanleiding voor de problemen. Dat is vervelend voor de obligatiehouders, maar dit zijn nagenoeg uitsluitend gesofisticeerde beleggers als pensioenfondsen, beleggingsfondsen, verzekeraars en hedge-funds. Zij ontvingen eerder een hoge rente (bij ING tot 9%) en die was bedoeld ter compensatie van het hogere risico dat zij - althans op papier - lopen.
In deze good bank/bad bank constructie worden de verliezen gedragen door de aandeelhouders en de obligatiehouders, niet door de belastingbetaler die, zoals nu dreigt, minder zorg, slechter onderwijs en lagere uitkeringen tegemoet kan zien.
Kapitaaleis van 100%
De good bank/bad bank vormt een oplossing voor het probleem van failliete banken, maar beter is het om het probleem te voorkomen. Het echte probleem is dat banken risicovol beleggen met toegezegd spaargeld. De winst is voor de bankiers, het verlies voor de samenleving. De winsten zijn geprivatiseerd en de verliezen gecollectiviseerd. Het ligt nogal voor de hand om beleggen met geleend geld te verbieden. Bij een kapitaalseis van 100% moeten banken kiezen. Óf ze beleggen risicovol, kunnen het geld niet toezeggen en worden in dat geval beleggingsfondsen. Óf ze zeggen het spaargeld toe en moeten die toezegging ook volledig en te allen tijde kunnen waarmaken. Dit laatste wordt onder anderen gepropageerd door het Amerikaanse Congreslid Ron Paul en de econoom Kotlikoff.
Tot slot
De banken zijn gered met 100 miljard euro. Door deze enorme overheidssubsidie, veranderde boekhoudregels en extreem lage rente van de ECB maken banken nu ogenschijnlijk winst, die weer een rechtvaardiging is voor een nauwelijks onderbroken bonusstroom. De banken zijn evenwel allesbehalve gezond, en de 100 miljard zal dan niet volledig terugbetaald worden. En áls het geld terugkomt, zal het een kwestie zijn van vestzak-broekzak, wanneer banken bijvoorbeeld geld ophalen bij pensioenfondsen. Dan leent de belastingbetaler in zijn hoedanigheid van pensioenfondsdeelnemer, zijn eigen geld om de schuld van de banken aan hemzelf af te lossen.
Politici stellen dikwijls dat bezuinigen onvermijdelijk is en iedereen zal moeten inleveren. Nu, het eerste is waar, het tweede een zaak van politieke keuzes. Die lijken nu, van links tot rechts, gemaakt te worden op een evident onrechtvaardige en economisch rampzalige wijze.
Zolang banken niet beter gereguleerd worden, zal spaargeld de banken blijven verlaten in de vorm van bonussen. Bezuinigen is dan dweilen met de kraan wagenwijd open. Dat zou vermakelijk zijn als het niet zo droef stemde.
David Hollanders
