Continueert de WRR honger in Afrika?
Het recente rapport van de WRR, Minder pretentie, meer ambitie: ontwikkelingshulp die verschil maakt, doet forse aanbevelingen voor wijziging van Nederlandse ontwikkelingshulp. Nu de belangrijkste betrokkenen zich al dan niet kritisch hebben laten horen over de grote lijn van dit nieuwste WRR-rapport wordt het tijd bepaalde individuele kwesties nader onder de loep te nemen, zoals landbouw en voeding. Landbouw en voeding zijn belangrijke onderwerpen, omdat nog steeds boeren de allerarmsten zijn, in het bijzonder in Afrika. De manier waarop de WRR landbouw en voeding behandelt is echter uiterst merkwaardig. Door zich vooral te richten op het voorkomen van voedseltekorten en niet op het tegengaan van gebrekkige voedselkwaliteit, gaat ze voorbij aan een belangrijke oorzaak van structurele ondervoeding in ontwikkelingslanden.
Het is ten eerste opvallend dat de WRR zonder enige argumentatie de toekomst van de landbouw ziet in termen van grootschaligheid en gebruik van pesticiden en kunstmest. Ze stelt zelfs dat deze vorm van landbouw al in de achttiende eeuw in Europa aanwezig was: “De eerste groene revolutie vond plaats in Europa en stelde door middel van mechanisering, kunstmest en nieuwe gewasvariëteiten de voedselproductie voor een snel groeiende bevolking veilig, en stond daarmee aan de basis van de industriële revolutie.” Over Afrika beweert ze dat de groene revolutie er in de jaren zestig mislukt is: “Door het ontbreken van instituten die kunstmest verstrekten, van grootschalig georganiseerde irrigatie en van een goed georganiseerde landbouwextensieservice (landbouwvoorlichting) mislukten de meeste oogsten van deze nieuwe gewassen.”
De WRR heeft echter haar huiswerk over landbouw en voeding onvoldoende gemaakt. In het begin van groene revolutie eind jaren zestig is in de meeste landen van Afrika grote groei van de opbrengsten van oogsten tot stand gebracht, onder andere door enorme importen van kunstmest en inderdaad grote, sterke landbouwextensieorganisaties. Maar vanwege allerlei nog steeds van kracht zijnde redenen, die de WRR niet onderzoekt, zakten de opbrengsten na een paar jaar weer in. Omdat de meest arme landen ook de landen zijn waar de bewoners meestal boeren zijn, die volgens de WRR juist geholpen moeten worden, is het ontbreken van enige analyse waarom grootschalige landbouwhervormingen tot nu toe niet hielpen, een grote omissie. Nog erger is dat opnieuw grootschalige en intensieve landbouw worden aanbevolen.
Het tweede opvallende is dat de WRR helemaal voorbij gaat aan één van de belangrijkste factoren die arme mensen arm en ongezond houdt: de kwaliteit van voeding. In veel zuidelijke landen (Afrika beneden de Sahara, Indonesië, China) is het dieet uiterst eenzijdig, met als gevolg dat ondervoeding door gebrek aan mineralen en vitaminen zich manifesteert in verminderende weerstand en hoge (kinder)sterfte. Honger kan betekenen een tekort aan energie en eiwitten in de dagelijkse voeding, maar ook een tekort aan mineralen zoals ijzer en zink en aan vitaminen. Minimaal de helft van de sterfgevallen veroorzaakt door honger komt op het conto van dit laatste tekort en komt niet door energie- of caloriegebrek vanwege te weinig voedsel. Men noemt deze eerste vorm van ondervoeding micronutriële ondervoeding, omdat essentiële micronutriënten ontbreken. Deze tekorten veroorzaken blindheid, maar ook gebrek aan concentratie en slaaptekorten, problemen met de normale groei van kinderen en zijn de oorzaak van een zwak immuunsysteem. De in het Westen normale kinderziektes leiden daardoor tot hoge kindersterfte, in plaats van tot een steviger afweersysteem.
De WRR maakt een scherp onderscheid tussen voedselkwantiteit en voedselkwaliteit en meent dat het eerste geen probleem is: “In tegenstelling tot voedselkwaliteit is voedselkwantiteit nooit verzekerd”. Ze legt alle nadruk op maatregelen om voedselzekerheid te garanderen, zoals productie van bulkgewassen in gebieden waar de grond en klimaat dat mogelijk maken. Landen die niet over deze grond en dit klimaat beschikken, wordt geadviseerd iets anders te verbouwen en bulkgewassen in te voeren. Terwijl de meeste landen zich zo langzamerhand richten op voedselsoevereiniteit en hun voedselbehoeften proberen aan te passen aan de gegeven mogelijkheden, continueert de WRR zo in feite de problematische aanpak van de laatste decennia.
Dit geldt ook voor de kwestie van micronutriële ondervoeding door gebrekkige kwaliteit van het voedsel. De vanuit het Westen werkende benaderingen van de bestrijding van dit type honger leiden tot de gebrekkige doeleinden en vaak tot niet op het Zuiden toegesneden hulpmaatregelen. Een goed voorbeeld zijn de al tientallen jaren durende pogingen om de gevolgen van ernstige ondervoeding op te heffen door supplementatie of biofortificatie. De grote VN- en andere projecten die tekorten aan vitaminen en mineralen tegengaan bestaan al tientallen jaren, maar hebben tot nu weinig resultaat gehad. Dat blijkt uit de jaarlijkse cijfers van UNICEF en de WHO. Dit gebrek aan resultaat heeft te maken met het feit dat deze grote projecten een heel beperkte definitie van ondervoeding hanteren, namelijk als een gezondheidsprobleem. Ondervoeding wordt in termen van gezondheid gedefinieerd en om die reden wordt ook de oplossing gezocht in bekende gezondheidsmaatregelen, zoals pillen, medicijnen (supplementen) en in met vitaminen en mineralen verrijkte gewassen. Gedacht wordt dat deze gezondheidsbenadering een soort magic bullet-oplossing tot gevolg heeft, maar zoals gezegd, de cijfers wijzen uit dat micronutriële ondervoeding niet vermindert. De redenen voor het falen van deze in westerse ogen zo voor de hand liggende oplossingen zijn zowel biologisch als sociaal en cultureel.
Biologisch gezien werkt deze simplificerende formulering van het probleem van ondervoeding averechts, omdat er duidelijke bewijzen zijn dat toegevoegde vitaminen of mineralen, zoals ijzer, bij ondervoede kinderen niet door het lichaam worden opgenomen. Het metabolisme van ondervoede kinderen is onvoldoende in staat individuele toevoegingen om te zetten. Hun maag-darmkanaal is meer te vergelijken met een uitgedroogde woestijn dan met de weelderige darmflora van westerse mensen. De complexiteit van het probleem van ondervoeding komt ook daarin tevoorschijn dat bijvoorbeeld toevoeging van ijzer aan malariazieke mensen juist tot verergering van het effect van malaria leidt. Kortom, de medische oplossing van de toevoeging van een of meer vitaminen, of dat nu in pilvorm is of in de vorm van producten van voedingsgewassen, leidt niet tot het gewenste effect.
Ten tweede, en dat hoort tot de complexiteit van het probleem, hebben de grote gezondheidsbevorderende programmas niet vanaf het begin de communicatie over en weer met boeren en consumenten over de mogelijkheden om ondervoeding tegen te gaan op hun agenda staan. Pas als het product (een voedingssupplement of een veranderd gewas) op de markt kan worden gebracht, wordt gekeken of de ondervoede mensen bereid zijn dit te slikken of te eten. Dan is het al te laat en blijkt keer op keer dat een andere kleur of een andere smaak van de tot dan toe gebruikelijke voedingsmiddelen de mensen afschrikt.
In de discussie over de mislukkingen van ontwikkelingshulp in Afrika worden de oorzaken daarvan gelegd bij de corrumperende invloed van hulp op overheid en samenleving. Recentelijk legden zowel Mwenda als Moyo veel nadruk op de averechtse effecten, de toegenomen corruptie en de afwentelingeffecten als gevolg van ontwikkelingshulp aan Afrika. Overheden die hulp krijgen hoeven zich niet te verantwoorden, de markt wordt verstoord en boeren worden niet aangespoord om hogere opbrengsten te produceren. De oorzaken van het falen van ontwikkelingshulp liggen echter ook vaak bij de in het Westen geformuleerde problemen, doelen en benaderingen die onderontwikkeling willen tegengaan. Voor de westerse organisaties lijken deze problemen, doelen en benaderingen zo vanzelfsprekend dat het moeilijk is over de eigen schaduw heen te springen en na te gaan wat nu precies de kern van een bepaald ontwikkelingsprobleem is. De oorzaken van het falen van veel ontwikkelingshulp hebben dus niet alleen te maken met het feit dat hulp averechts effect heeft, maar komt ook door probleemdefinities van hulporganisaties die niet kloppen.
In feite is deze eenzijdige definitie het gevolg van de rigide (bestuurskundige) scheidslijnen die in het westen getrokken worden tussen gezondheid en voeding. Voeding hoort bij de FAO en op landelijk niveau tot het ministerie van LNV. Gezondheid hoort bij de WHO en in Nederland bij het ministerie van VWS. Een project dat de relatie tussen voeding en gezondheid in de volle complexiteit wil onderzoeken en wil verbeteren zit dus ergens tussen deze organisaties in en wordt meestal van het kastje naar de muur gestuurd.
Het probleem van armoede en ondervoeding zou consequent moeten worden gezien als een voeding- én landbouwprobleem. Men zou eerst met boeren en consumenten moeten analyseren hoe het komt dat de noodzakelijke micronutriënten ontbreken: komt het misschien door de kwaliteit van de bodem, van de gewassen, door andere metabolismen, of door de kook- en consumptieactiviteiten? De eenzijdige probleemdefinitie van ondervoeding als een puur gezondheidsprobleem van de kant van westerse organisaties verhindert deze complexe benadering. Dit is misschien nog wel een belangrijker oorzaak voor de ineffectiviteit van de huidige ontwikkelingshulp dan de door de WRR genoemde oorzaken.
Michiel Korthals is werkzaam bij de afdeling Toegepaste Filosofie van de Wageningen Universiteit.
