Een militant feminisme blijft nodig
Het is mijn overtuiging dat vrouwen en moeders in Nederland geen noemenswaardige problemen hebben, schrijft de econome en publiciste Marike Stellinga in haar boek De mythe van het glazen plafond (Balans, 2009). Er zijn misschien hier en daar nog wat kleine probleempjes, zo schrijft ze, maar daarvoor luidt haar advies: geef het tijd. Daar zullen nogal wat lezers van moeten slikken. Heel wat vrouwen, zeker alleenstaande met kinderen, hebben het bijzonder moeilijk om de eindjes aan elkaar te knopen, en om hun al dan niet deeltijdse baan te combineren met de bijzonder zware opvoedingstaak voor hun kinderen. En dan mag een statistiek die Stellinga in haar boek aanhaalt nog aangeven dat drie kwart van de Nederlandse vrouwen gelukkig is, één kwart is dat niet. Voor Stellinga zijn al die vermeende achterstellingen van vrouwen echter alleen maar fabeltjes. Zo hebben werkende moeders het volgens haar niet zwaarder dan werkende mannen, verdienen vrouwen terecht minder dan mannen, zijn vrouwen geen betere (of aardigere) bazen dan mannen, willen vrouwen niet even graag dan mannen carrière maken, en bestaat er ook geen glazen plafond.
Volgens Stellinga zijn Nederlandse vrouwen gewoon minder ambitieus en zijn ze tevreden met hun lot. Tegelijk keert ze zich keihard tegen feministen die in haar ogen vrouwonvriendelijk zijn, zich met alles en nog wat willen bemoeien en via de overheid het leven van vrouwen (en mannen) willen sturen. Haar zwarte beest is Noorwegen (en ook de andere Scandinavische landen) dat zichzelf beschouwt als the most gender equal country in the world. Sinds 2008 bestaat daar een door de wet opgelegd quotum van 40 procent vrouwen voor de raad van commissarissen van beursgenoteerde ondernemingen. Volgens de auteur een miskleun, want dit ging ten koste van mannelijke commissarissen. Discriminatie dus, en dat vind ze schokkend. Het kan best zijn dat Stellinga oprecht geschokt is, maar ik vermoed dat vóór die wet van kracht was heel wat meer vrouwen geschokt waren door het feit dat ze in de praktijk geen kans kregen om tot de top door te dringen.
Politici en bedrijfsleiders deden in het verleden al talloze aanbevelingen en vrijblijvende intentieverklaringen om vrouwen te laten doorstromen, maar in geen enkel land heeft dit op spontane wijze geleid tot een significante toename van het aantal vrouwelijke topfuncties. Alle pogingen van de overheid of het bedrijfsleven zelf om meer vrouwen te laten doorstromen naar de top, stranden steeds op dezelfde hardnekkige vooroordelen. Werkgevers zeggen dat ze geen geschikte - oftewel écht ambitieuze - vrouwen kunnen vinden, ambitieuze vrouwen op hun beurt zeggen dat ze hun vinger wel degelijk opsteken, maar stelselmatig worden overgeslagen, zo luidde het commentaar na een onderzoek van de Volkskrant onder 29 grote Nederlandse bedrijven deze voorbije zomer. Het is een problematiek die niet alleen in Nederland voorkomt, maar in zowat alle landen.
Het is juist dat een quotum een vorm van positieve actie is, maar die komt er dan wel na decennialange negatieve discriminatie door mannen die er blijkbaar goed in slagen de gelederen gesloten te houden. Of moeten we denken dat vrouwen minder intellectuele capaciteiten hebben? Dat blijkt alvast niet uit de cijfers van het hoger onderwijs waar meisjes steeds duidelijker in de meerderheid zijn. Stellinga schrijft dat ze het quotum erg vindt voor de Noren, maar hebben die dan niet zelf hun politici verkozen? Op 14 september jongstleden won de linkse regeringscoalitie trouwens de verkiezingen. En verderop in haar boek moet de auteur zelf toegeven dat het quotum verrassend pijnloos is ingevoerd. Een beetje vilein schrijft ze dat Noorwegen door zijn natuurlijke rijkdommen zich dit soort experimenten kan veroorloven, waarmee ze insinueert dat de Noorse bedrijven zelfs door (vrouwelijke) klungels kunnen bestuurd worden, want efficiëntie is daar niet zo nodig. Voor zover ik weet worden Noorse bedrijven niet slechter bestuurd dan Nederlandse of Belgische.
Quota roepen altijd weerstand op, al was het maar omdat een bepaalde groep, hier de mannen, heel goed beseffen dat ze een stuk van hun quasi-exclusieve macht moeten afstaan. In België klaagde men bijvoorbeeld decennialang dat er zo weinig vrouwen aan politiek deden. De doorgaans mannelijke partijleiders stelden dat vrouwen blijkbaar minder interesse hadden, tevreden waren met al die mannelijke verkozenen en blijkbaar geen behoefte hadden om zich kandidaat te stellen, maar dat was niet de echte reden. In de praktijk bleven mannen, in alle partijen, de plak zwaaien en werden vrouwelijke kandidaten alleen gebruikt als opvulsel voor de lijsten, om te tonen hoe vrouwvriendelijk ze toch waren. Vraag aan elke oudere vrouwelijke politici hoe ze zich kon opwerken, en je hoort steevast verhalen over gevechten tegen de (mannelijke) bierkaaien, denigrerende opmerkingen, vooroordelen, machogedrag en regelrechte tegenkanting. In 2002 werd een wet aangenomen om op de kiezerslijsten evenveel mannen als vrouwen op te nemen, en sindsdien is het aantal vrouwelijke kandidaten (alhoewel ze maar zelden als lijsttrekker mogen fungeren) en verkozenen fors toegenomen. En die politica doen het minstens evengoed dan hun mannelijke collegas. Zonder dat quotum was dat geheid veel minder. Dat wil niet zeggen dat binnen de politiek nu alles koek en ei is voor de vrouwen. Ook vandaag nog moeten ze blijven opboksen tegen het mannenbastion.
Vrouwen zitten niet aan de top omdat ze dat zelf niet willen, schrijft Stellinga. Dat kan voor veel vrouwen (net als voor heel wat mannen) wel juist zijn, maar dat neemt niet weg dat er tal van vrouwen zijn die dat wél willen. Datzelfde geldt voor het arbeidsproces. Nederlandse vrouwen (net als Belgische) kiezen heel vaak doelbewust voor deeltijdse jobs en ze zijn bijzonder tevreden over de taakverdeling met hun partner, aldus de auteur. Niets aan de hand zo lijkt het, tot ze schrijft dat vrouwen terecht minder verdienen dan mannen. Hiervoor wijst Stellinga naar het feit dat mannen vaak langer in het arbeidsproces zitten (en dus al meer verdienen), dat vrouwen pas later aan de slag gingen, dat mannen meer uren werken en dat vrouwen bewust kiezen voor minder betaalde jobs omdat die vaak flexibeler zijn. Opnieuw een manke redenering en veralgemening want heel wat vrouwen willen wél vooruit maar hebben minder loopbaankansen. En dat geeft Stellinga in een treffend voorbeeld ook zelf toe. Sinds orkesten de eerste auditierondes achter een scherm laten plaatsvinden zodat de selecteerders kandidaten niet zien, schijnen er meer vrouwen te worden aangenomen, noteert ze. Anders gezegd: een vrouw die solliciteert, heeft minder kans juist omdat ze een vrouw is.
Dat vrouwen vaak de eerste slachtoffers zijn bij een economische recessie blijkt ook uit een rapport van de Britse Guardian van augustus 2009. Door de crisis worden zwangere of pas bevallen vrouwen nog meer gediscrimineerd dan anders op de arbeidsmarkt, zo luidde de conclusie. Vrouwen blijven het bijzonder moeilijk hebben om hun recht op zelfbeschikking volwaardig te kunnen invullen. Dat komt voor een groot deel omdat vrouwen, ondanks allerhande campagnes, vaak als enige de zorg blijven dragen voor de kinderen, geconfronteerd worden met een gebrek aan (betaalbare) kinderopvang, en minder tijd hebben dan mannen om te netwerken. In plaats van zich neer te leggen bij hun lot, zoals Stellinga bepleit, moeten vrouwen verder opkomen voor hun rechten. Tenslotte ontbreekt in haar boek nog een cruciale kwestie. Er staat niet één zin over de erbarmelijke positie van heel wat allochtone vrouwen en meisjes in Nederland die in grote mate vastzitten in patriarchale culturele en religieuze gebruiken. Ook voor deze grote groep vrouwen blijft een militant feminisme - zeg maar een derde feministische golf - hard nodig.
Dirk Verhofstadt is publicist en kernlid van de Belgische denktank Liberales. Dit stuk verscheen eerder in de nieuwsbrief Liberales op 2 oktober 2009.
