Laat geluk met rust
Sinds een aantal jaar is de metende elite van Nederland in de ban geraakt van geluk. Het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) kan geen rapport uitbrengen of geluk maakt er wel onderdeel van uit. Die gelukscijfers worden steeds vaker als een belangrijke indicator voor de staat der Nederlanden beschouwd. Ook het onlangs uitgebrachte kwartaalbericht naar de opvattingen van de burgerij over diverse maatschappelijke vraagstukken ontkomt er weer niet aan: gelukscijfers. We doen er goed aan met zulke meetexercities te kappen.
Bijhouden gelukscijfers
Het SCP is niet de enige die onze endorfinische status bijhoudt, ook het CBS monitort onze gelukszaligheid. Jaarlijks rapporteert zij in welke mate wij ons een gelukkig mens vinden. Op een vijfpuntsschaaltje mogen we dan ons antwoord op de vraag der vragen aankruisen.
Geluksmetingen zijn populair. Een baaierd aan verbijzonderingen verspreidt zich inmiddels over ons land. Jongeren, ouderen, allochtonen, moeders, werkers, gelovigen, depressieven, je kunt het zo gek niet bedenken of hun gelukzalige status is in kaart gebracht. Een recente loot aan de hedonistische stam is het boek Mentaal Vermogen van Jan Walburg, voorzitter RvB van het Trimbosinstituut dat richtlijnen geeft hoe een gelukkig, lees een psychisch gezond leven te leiden: vol cijfers natuurlijk. Depressie is inmiddels het tegendeel van geluk en dus is het een officieel doel van preventiecampagnes: wees gelukkig, voorkom je dip.
Nog eentje: op de website Plus voor vijftigplussers, van het magazine Plus, kun je lezen, dat onderzoek van de universiteit van Chicago heeft uitgewezen dat elke tien jaar het geluk met vijf procent toeneemt. Ik heb geen idee wat het betekent maar het voelt wel geruststellend aan: de honderdplusser als de meest gelukkige mens aller tijden.
Het geluk van Groenlinks
Ook de politiek blijft niet achter. In haar boek Geluk kritiseert Femke Halsema de hyperconsumptie in onze samenleving en wijt deze onder meer aan het gebruik van financieel-economische parameters om de kwaliteit van de samenleving te meten. Dit leidt tot een vertekend beeld omdat deze milieuschade, overspannenheid en een onredelijke verdeling van collectieve goederen en diensten buiten beschouwing laten. Prestatiedrang, hyperconsumptie en efficiency leiden misschien wel tot meer materiële welvaart maar niet tot meer geluk.
Alleen wanneer de samenleving het Bruto Nationaal Geluk blijft meten en als serieus kental voor beleid neemt, ligt de gelukkige samenleving in het verschiet, die uiteraard een andere is dan de huidige pseudo-gelukkige die de slaaf van het hyperconsumentisme is. "Er is inmiddels meer dan genoeg onderzoek gedaan om het Bruto Nationaal Geluk van de studeerkamers te verplaatsen naar de politieke werkelijkheid", aldus Halsema. Ik dacht het niet.
Leerlingen van Bentham
De numeraire benadering, die sinds een paar jaar in de politieke en beleidsmatige côterie een revival beleeft kent een lange voorgeschiedenis. De meest bekende geluksrekenaar in de westerse wereld, maar beslist niet de eerste zoals Peter Buijs in zijn prachtige boek De eeuw van het geluk aantoonde, was Jeremy Bentham (1748-1832). Deze filosoof, excentriek, met de status van een popster, smaakmakend, creatief, opgezet en nog altijd in Londen te bezichtigen werkte de formules voor de bepaling van het geluk nog eens voor ons uit.
Zijn fameuze boek Principles of Morals lijkt op een keurig eerste hoofdstuk van een CBS-kwartaalbericht waarin onderzoeksvariabelen worden gespecificeerd en geoperationaliseerd. Geluk heeft een intensiteit, tijdsduur, puurheid (i.e. ongemengdheid met ongeluk), populatieomvang om maar wat te noemen, net als de pijn overigens. Twee flessen half goede wijn leveren net zoveel geluk op als één goede. Je kunt vreugdes en pijntjes sommeren, aftrekken, onderling vergelijken en zelfs het grootste geluk voor het grootste aantal berekenen. De formule van geluk wordt dan heel simpel: geluk is plezier minus pijn.
Alles kan een mens gelukkig maken
Kenmerkend voor de geluksonderzoekers is dat zij elke relatie tussen de inhoud van het geluk en de beleving er van verbroken hebben. Er is alleen nog maar gevoel en deze is rekenkundig te bepalen. De mathematisering van het geluk heeft wel iets weg van de geldelijke expressie van goederen en diensten. Ook met geld wordt de waarde van een product of dienst uitgedrukt in een maat die er verder niets mee te maken heeft waardoor alles onderling vergelijkbaar en daarmee uitwisselbaar wordt.
Omdat plezier en pijn een objectieve meetlat hebben gekregen en er geen verband meer is tussen inhoud en gevoel kan geluk dus van alles zijn. De een wordt gelukkig van eten, de ander van stil zitten, weer een ander van een stabiel gezinsleven en nog weer een ander zingt het hoogste halleluja als hij zich met het Al verenigt. "Alles kan een mens gelukkig maken," zingt René Froger twee eeuwen Bentham na.
Deftig gezegd, het moderne geluksdiscours reserveert het geluk voor het domein van de affectieve effecten en niet voor dat van de middelen waarmee het gerealiseerd wordt. Het moderne geluk is middel-indifferent. Die scheiding in het geluksdiscours van doel en middel is ergens aan van de Middeleeuwen ontstaan aldus MacMahon in zijn historische overzichtsstudie Geluk uit 2005. Daarvoor was er altijd een interne relatie tussen het goede doen, het goede willen, het goede denken én het goede voelen. Geluk was meer dan alleen een gevoelseffect, het was ook altijd inhoud en middel. Voor de antieken en de christenen was het eudaimonische een kwalitatief en geen kwantitatief project. Je kunt je zelfs afvragen of het klassieke geluk wel gelukkig maakte in onze moderne zin. Het Romeinse geluk had amper iets met lekkere gevoelens te maken. Het was vooral een serieuze en moralistische zaak.
De ontkoppeling van geluk en de maatregelen maakt tegelijkertijd een agenda voor het maakbare geluk mogelijk, omdat men relaties tussen allerlei methoden en gevoelseffecten kan definiëren, onderzoeken en vaststellen. Dít leidt wel en dát niet tot vreugdestootjes. Met die kennis is het lekkere voelen nog maar een vingerlengte van ons vandaan en wordt het slechts een kwestie van organisatie en implementatie.
Net als iedere utilist stelt dus ook Halsema een programma op voor de realisatie van het geluk in Nederland. En het zal geen verbazing wekken dat dit bij haar is samengesteld uit Groenlinkse partijpunten, die uiteraard onvermijdelijk zijn voor een ieder die het geluk nastreeft: "Als bijvoorbeeld jaarlijks wordt gemeten welke vorderingen er worden gemaakt in duurzaamheid, tevredenheid en geluk (zoals in de Happy Planet Index), leidt dat tot andere politieke afwegingen en overheidsbestedingen. Onvermijdelijk dwingt dit tot grotere investeringen in milieu en onderwijs, maar ook in de leefbaarheid in wijken, in cultuur en vrijwilligerswerk. Even onvermijdelijk zal dit ten koste gaan van algemene belastingverlagingen en -subsidies die vooral de particuliere consumptie opjagen."
Maar Halsema is niet de enige met een programma, ook gelovigen, frisdrankmarketeers, verzekeraars en accessoireleveranciers hebben hun weg in het onvermijdelijke geluksdiscours allang gevonden. Jezus, Coke Zero, het Zwitserlevengevoel, dure Vuitton handtasjes, old timers, alles draagt bij aan dat ene ultieme moment waarop we kunnen verzuchten: gelukkig, zo gelukkig. Ook de claims van gelovigen en de commercianten zijn kwantitatief onderbouwd en dus onvermijdelijk: geloven in God maakt echt gelukkiger net als het drinken van de real thing.
Met de uitvinding van geluksformules konden dus zowel de politiek als de commercie het land betreden dat voorheen aan dromers, dichters en dominees was voorbehouden. Er is amper verschil tussen de politieke en de commerciële hedonisten waar vrijzinnig links amper iets mee op heeft. Beide beogen het maakbare geluksgevoel. De route ligt alleen wat anders maar bij beide is die naar eigen zeggen altijd even onvermijdelijk.
De vette varkens van Stuart Mill
In de geluksstudies van neo-Benthamianen is het kwalitatieve aspect van geluk net als bij Bentham volledig verdwenen. Geluk is gereduceerd tot getallen en chikwadraattoetsen. So what, zou je kunnen zeggen, is daar iets mis mee? Inderdaad, daar is iets mis mee. Om dat aan te tonen is het handig om de kritiek van John Stuart Mill (1806-1873) op de Benthamiaanse geluksconceptie er nog eens bij te halen.
Hij verwoordde deze in een essay in drie afleveringen over het utilitarisme in 1861. De essentie van zijn kritiek is dat je het geluk niet zomaar kunt ontdoen van zijn inherente kwaliteiten. Sommige pleziertjes zijn nu eenmaal kwalitatief beter en nastrevenswaardiger dan anderen. Het bekijken van één mooie film van twee uur levert niet evenveel vreugde op als het bekijken van een slechte driehonderd afleveringen durende soap. Laat staan dat het geluk van het gedurende één maand rijden in een mooie auto vergelijkbaar is met twintig jaar wonen in een leuke woning of het lezen van het verzameld werk van Komrij. De inhoud van het geluk spreekt toch heus een woordje mee. Daarom maakt Mill een onderscheid maken tussen kwalitatief hoge en lage genietingen.
Het idee van Bentham dat alle vreugdes (en pijnen) onderling vergelijkbaar zijn houdt geen stand wanneer we er onze ervaring of een klein denkexperiment op los laten. Stel dat we de onmogelijke keuze krijgen voorgelegd of we een eeuwig leven willen als goed verzorgde half comateuze euforische cavia of een eindig bestaan als bewust mens maar dan ook met alles erop en eraan: liefde, verlatenheid, successen, mislukkingen, voorspoed en rampen. De meeste zullen ondanks het verleidelijke eerste alternatief toch voor het tweede kiezen en daarmee de stelling van Bentham dat alles uit te drukken is op een kwantitatieve hedonistische schaal logenstraffen. Mill zei het zo: "it is better to be a human being dissatisfied than a pig satisfied; better to be Socrates dissatisfied than a fool satisfied."
Geluksjury
Met de introductie van de kwaliteit van het geluk kwam Mill ook te staan voor de vraag met welke procedure die kwaliteit dan moet worden vastgesteld. De aanpak van Bentham, die gebaseerd was op een decompositie van geluk in variabelen die op meetschalen konden worden gemeten zoals gewicht en lengte, was voor de bepaling van het kwalitatieve geluk een doodlopende weg. Zijn oplossing was elegant én loste tegelijkertijd een ander probleem op.
Wie geluk wil meten zal een panel moeten samenstellen van onafhankelijke, deskundige én ervaren rechters aldus Mill. In onze tijd zouden we zoiets een paneltje noemen. Juryleden kunnen proevenderwijs, analyserend en discussierend tot een oordeel komen: dit is geluk van een betere kwaliteit dan dat. Zon jury zal het hoogwaardige van het laagwaardige geluk kunnen onderscheiden. En meestal zullen de genietingen van de geest, de reflectie, het bewustzijn winnen van de triviale verrukkingen van de zintuigen. Omdat Mill toch ook wel door had dat je niet al het banale genot buiten de orde kon plaatsen, pleitte hij en zocht hij zelf naar de ideale mix: zoveel procent hoge en zoveel procent lage genietingen. Uiteindelijk gaf hij die queeste op: onmogelijk vast te stellen.
Vrijheid voorwaarde geluk
Zijn voorstel voor een deskundige en ervaren jury loste nog een ander probleem op, dat later een belangrijke rol zou spelen in de discussie over het maakbare geluk: dat van de vrijheid. Een veel gemaakt verwijt aan het utilisme is dat dit de vrijheid inperkt. Wanneer bekend is welke beleidsmaatregelen het geluk van de samenleving bevorderen dienen deze desnoods onder dwang, onvermijdelijk, aan de bevolking te worden opgelegd. Het grootste geluk voor het grootste aantal prevaleert boven vrijheid. Dit kan zo luidt de overbekende kritiek leiden tot totalitaire samenlevingen. De dystopie Brave New World van Huxley is de meest literaire verwoording van dit verwijt.
Het meetbare geluk leidt altijd tot conserverende en defensieve politiek. Immers wanneer exact bekend is welke economische, sociale, juridische en medische maatregelen het hoogste Bruto Nationaal Geluk, de eigentijdse omschrijving van Benthams grootste geluksprincipe, zullen voortbrengen is er geen ontwikkeling meer nodig. Integendeel, elke afwijking zal betiteld worden als een gevaar voor de gelukzalige orde. Als ik naar het boek Geluk van Halsema kijk, kan ik niet anders concluderen dat het op Benthamiaanse leest geschoeid is. Het draagt derhalve ook alle kiemen van conserverende voorspelbaarheid in zich. Cliteur schreef ooit het boek God houdt niet van vrijzinnigheid. Hetzelfde zouden we kunnen zeggen over het Benthamiaanse geluk. Ook dat houdt niet van vrijzinnigheid.
Hoe anders, subtieler, complexer en opener zijn dan de opvattingen van Mill over geluk! De harde noten die de filosofische en literaire critici in de vorige eeuw kraakten behelzen het geluksconcept van Bentham en niet dat van Mill. Nogmaals, bij Bentham is het geluksniveau van een land te monitoren, op indicatoren in te regelen en tot doel van onvermijdelijke, politieke en professionele interventies te maken.
Bij Mill is zoiets onmogelijk omdat het geluk is bij hem geen wetenschappelijke kwestie is maar een ambachtelijke aangelegenheid van veel proeven en gissen. Het is pas achteraf in vrijheid vast te stellen, uit ervaring, in samenspraak met anderen en die kwalitatieve vaststelling heeft ook nog eens een voorlopig karakter. Geluk en vrijheid zijn niet elkaars tegendeel maar elkaars voorwaarden, dat is het goede nieuws. Alleen in vrijheid is de kwaliteit te bepalen. Het "slechte" is daarentegen dat geluk onbruikbaar wordt voor commerciële, organisatorische en politieke deliberaties en maatregelen. Hoe moet je een politiek baseren op iets wat pas achteraf is vast te stellen en zo dubbelzinnig is? Anachronistisch gezegd: Bentham was Angelsaksisch en Mill Rijnlands.
Laat geluk links liggen
Geluk is net als liefde, haat, jaloezie, rouw en verlatenheid een menselijke ervaring die zich moeilijk laat lenen voor objectivering en kwantificering. De taal van de variabelen is beperkt geschikt deze tot klinken te brengen. Ik heb nog nooit een begrafenis meegemaakt waar bij de kist plechtig een passage van Kübler-Ross over de vijf rouwfasen werd voorgedragen. Niets voor niets zijn Marco Borsato en Queen zo populair. Zij kunnen treffen wat de wetenschap gedoemd is te missen: de beleving, de kennis van binnenuit. Wie iets over de liefde wil weten kan beter zijn of haar heil zoeken bij Brel, Barbara, Meeuwis en Bauer dan bij een psychologisch wetenschappelijk artikel zoals bijvoorbeeld Love, What Is It, Why Does It Matter, and How Does It Operate? van Reis en Aron in Perspectives on Psychological Science (2008). Je zou het voor je lol eens moeten lezen en je begrijpt precies wat ik bedoel. En het geluk in al zijn conserverende en rebels-avontuurlijke aspecten kan men prachtig ervaren in een feel good movie zoals het sprookje Chocolat. Ik geloof dat het woord geluk er niet eens in voor komt.
De gelukseconoom Layard, de gelukssociologen Veenhoven en Schnabel, de politicus Halsema zouden er goed aan doen het geluk te laten voor wat het is, het niet te annexeren en te instrumentaliseren. Volkszangers, romanschrijvers, soapsterretjes en filmmakers zijn mans en vrouws genoeg om de menselijke conditie in al zijn euforie en tragiek tot uitdrukking te brengen. Daar hebben we geen geluksprofessionals voor nodig. Zoals ouders hun kind meer met rust moeten laten, managers de werkvloer, partners elkaar zo dienen beleidsmakers en politici zich afzijdig te houden van ons geluk.
Stel je voor dat christelijke politici opeens de liefde als beleidscategorie zouden ontdekken, kengetallen zouden formuleren om vervolgens met het Bruto Nationale Liefdesproduct op de proppen te komen, - "we kunnen voor 2011 nog enkele percentielen in de liefde stijgen"- het land zou in rep en roer zijn: of ze wel goed bij hun hoofd zijn, of ze niets beters te doen hebben, of er geen crisis is. Maar als het om geluk gaat, een begrip dat tot dezelfde categorie als de liefde behoort, knikken we braaf ja en amen.
Terloops geluk
Kortom, niet alles van het menselijk bestaan laat zich met het oog ontsluiten. Sommige zaken moeten als parfum in vrijheid geroken en als wijn geproefd worden. Dat is de verdienste van de kritiek van Mill op Bentham, dat hij ons er op wees, dat een groot deel van de menselijke werkelijkheid alleen maar kenbaar is in de ervaring: van binnenuit. Terecht wordt wel gesteld dat Mill niet alleen een kind van de Verlichting maar vooral van de Romantiek was.
Geluk vluchtte bij Mill steeds meer naar de periferie van zijn filosofie tot het zelfs een terloops karakter kreeg. "The enjoyments of life (such was now my theory) are sufficient to make it a pleasant thing, when they are taken en passant, without being made a principal object." Met deze uitspraak in zijn autobiografie verlaat Mill m.i. overigens het utilitarisme. Hij stelt nadrukkelijk dat je geluk beter niet tot levensdoel moet maken. Zodra je dat doet verdwijnt het als sneeuw voor de zon. Je kunt je beter bezig houden met zaken die omwille van zichzelf de moeite waard zijn de aandacht te krijgen zoals de verbetering van de samenleving en de cultivering van je karakter: "Ask yourself wether you are happy, and you cease to be so. The only chance is to treat, not happiness, but some ends external to it, as the purpose of life."
In een politiek, moreel of economisch programma moet je geluk niet gebruiken als ultieme rechtvaardiging. Het is een kwalitatief begrip, slechts terloops kenbaar in de subjectieve ervaring en dus volledig ongeschikt om er beleidsmaatregelen op te baseren. Bovendien als je het toch doet en je gebruikt het voor politieke of commerciële doeleinden, dan steel je iets van de mensen: hun verlangens, hun wanhoop, hun gevoelens, hun ervaring, hun individualiteit, hun geluk.
Voor alle helderheid, mijn verzet tegen de annexatie van geluk door politici en beleidsmakers is geen afwijzing van een duurzame economie, rechtvaardige inkomensverdeling, uitdagend onderwijs, een empathische gezondheidszorg en dergelijke. Deze zaken zijn goed in zichzelf, lovenswaardig en nastrevenswaardig. Zoiets zou Mill, als hij in onze tijd geleefd had, ongetwijfeld gezegd hebben.
Maar men doet er goed aan het existentiële begrip geluk links te laten liggen en het aan ons, schrijvers, zangers, schilders over te laten. Zij zijn de experts bij uitstek om van liefde, verraad, verlangen, verdriet, verlies én geluk te zingen. Duizenden mensen die in Ahoi met Frans Bauer mee kwelen "heb je even voor mij, maak wat tijd voor me vrij" begrijpen meer van geluk dan alle geluksprofessoren en gelukspolitici ooit bij elkaar.
Joep Schrijvers is publicist. Hij schreef o.a. Hoe wordt ik een rat? (2003) en Het Wilde Vlees, de tomtomisering van de passionele mens (2006).
Geraadpleegde literatuur
Bentham, J. (1781), The principles of morals and legislation, editie (1988), New York, Prometheus Books
Buijs, P. (2007) De eeuw van het geluk, Nederlandse opvattingen over geluk ten tijde van de Verlichting, 1658-1835, Hilversum, Verloren
Crisp, R. (1997), Mill on Utilitarianism, Milton Park, Routledge
Halsema F. (2008) Geluk!, Voorbij de hyperconsumptie, haast en hufterigheid, Amsterdam, Bert Bakker
Hemans C. (2008), Een engelsman in Frankrijk, een andere geschiedenis van John Stuart Mill
Layard, R. (2006), Waarom zijn we niet gelukkig?, Amsterdam, Atlas
McMahon, D. (2005) Geluk, een geschiedenis, Amsterdam, De Bezige Bij
Mill J.S. (1861), Utilitarianism, editie (2001), Indianopolis, Hackett
Mill J.S. (1873), Autobiography, editie (1989), Londen, Penguin
Rozemond K. (2005) Filosofie voor de zwijnen, Over het geluk van dier en mens, Diemen, Veen Magazines
Smart, J. & B. Williams (2006), Utilitarianism, For & Against, Cambridge, University Press
Southwood Smith, T. (1832), A Lecture delivered over the Remains of Jeremy Bentham, in Crimmins, J. (2002), Benthams auto-icon and related writings, Bristol, Thoemmes
Venman P. ((2008), Over de zin van nut, Amsterdam, Atlas
Walburg, J. (2008) Mentaal Vermogen, investeren in geluk, Amsterdam, Nieuw Amsterdam
