De Leezenberg-theorie onderuit
Met stevige taal uit filosoof Michiel Leezenberg zijn ergernis over het wetenschappelijk niveau waarop arabist Hans Jansen het onderwerp islam voor het grote publiek toegankelijk maakt. Het stemt tot nadenken dat een man als Jansen zonder blikken of blozen de grootste nonsens over de koran als wetenschappelijke waarheid durft te presenteren...
Dat wetenschappers hoge eisen stellen aan wetenschappelijk werk is vertrouwenwekkend. Prettig dat Leezenberg niet makkelijk is. Maar hij daagt ook de ondeskundige leek uit zich in het strijdgewoel te mengen door het gehalte van sommige minder hoog gegrepen en diep gravende beweringen van Hans Jansen eens te wegen, hetgeen volgens hem eenvoudig kan door de Koranverzen waarnaar Jansen verwijst erop na te slaan. Leezenberg wil het wetenschappelijk geschil met Jansen door arbitrage beslechten, en de scheidsrechter is de leek. Een uitdaging die ik als arabistisch onbenul vol zelfvertrouwen aanvaard.
Leezenberg wijst onder meer op Jansens luchtig informerende boekje Islam voor varkens, apen, ezels en andere beesten. Jansen verklaart de keuze voor zijn titel met de Koranverzen 2:65, 5: 60, 7:166, 8:55 en 74:50, waarin ongelovigen en joden volgens Jansen aldus zoölogisch geduid worden. Leezenberg stelt dat een ieder die de moeite neemt om de Koranverzen na te lopen, al gauw zal ontdekken dat die de beweringen van Jansen in het geheel niet staven. Dit laatste is een interessante theorie, omdat zij falsifieerbaar is. Daarmee mag zij, als wij de wetenschapsfilosoof Karl Popper volgen, als wetenschappelijk worden aangemerkt. En dat betekent wel wat, want waar het gaat om eisen stellen aan wetenschappelijk werk, was Popper, net als Leezenberg, niet makkelijk. Doet zich één geval voor dat de theorie weerspreekt, dan gaat zij onderuit. Ik heb de moeite genomen de betreffende Koranverzen na te lopen en ik heb niet ontdekt dat die de beweringen van Jansen in het geheel niet staven. En ik mag zeggen dat het mij als leek met trots vervult wetenschappelijk baanbrekend werk te verrichten door iets niet te ontdekken.
De koranverzen.
2:65. Gij hebt degenen onder u gekend, die inzake de Sabbath overtraden. Alzo zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen."
5:60 Zeg: "Zal ik u vertellen over degenen wier straf bij Allah erger is dan dit? Dezen zijn het, die Allah heeft vervloekt en over wie Hij Zijn toorn heeft uitgestort en van wie Hij apen, zwijnen en duivelsdienaren heeft gemaakt. Dezen zijn inderdaad in een slechte toestand en ver van het rechte pad afgedwaald."
7:166 En toen zij overtraden, hetgeen hun was verboden, zeiden Wij tot hen: "Weest verachte apen."
8:55 Voorzeker, in de ogen van Allah zijn zij, die (de waarheid) verwerpen erger dan beesten want zij willen niet geloven.
74:50 Als bange ezels,
Volgens mij, als ondeskundige, staven deze verzen de bewering van Jansen dat de Koran ongelovigen en joden apen, zwijnen en beesten noemt wél. Alleen het laatste vers over ezels vind ik zwak omdat het om een als-vergelijking kan gaan. Echter, een onvriendelijke bejegening van andersdenkenden blijft het. En een tegenwicht vormt 8:55 waar de Koran Allah andersdenkenden zelfs als erger dan beesten laat aanmerken. Een zoektochtje op internet bracht mij bij Koran 98:6 Voorwaar, de ongelovigen onder de mensen van het Boek en de afgodendienaren zullen in het Vuur der hel geworpen worden, daarin zullen zij verblijven. Zij zijn de slechtste der schepselen.
Niet slechts erger dan beesten, nee, zelfs de slechtste der schepselen. Hans Jansen heeft het niet overdreven, hij heeft zich een beetje ingehouden.
Naast het poneren en dus in de waagschaal stellen (zoals dat ook hoort in de wetenschap) van zijn theorie is Leezenberg ook zo mededeelzaam om zijn eigen interpretatie van de Koranverzen aan de ondeskundige leek voor te leggen. Ik citeer Leezenberg:
Vers 2.65, 5.60 en 7.166 verwijzen naar specifieke ongelovigen die bij een specifieke gelegenheid door God in apen zouden zijn omgetoverd.
Leezenberg beweert dat het bij weest dan apen niet gaat om een bejegening als apen maar om omtoveren tot apen. Deze bewering onderbouwt hij niet. Jammer, maar consequent. De leek moet het immers zelf kunnen zien. Wat mij betreft dan zijn beide interpretaties mogelijk, maar de lezing van Jansen spreekt mij meer aan. Mocht toch de lezing van Leezenberg de juiste zijn, dan maakt dit de islam er niet vriendelijker op. Wat is immers onaardiger? De andersdenkende voor aap uitschelden of hem daadwerkelijk in een aap veranderen?
Ik ga niet in op alle punten uit het stuk van Leezenberg, al is de verleiding groot. Leezenberg weet niet van ophouden: Elke lezer, ook een journalist of eerstejaars student, kan nakijken of wat Jansen over de koran beweert wel klopt, simpelweg door de desbetreffende passages erop na te slaan en in hun bredere verband te lezen. Vooruit dan:
Een nog ernstiger staaltje tekstvervalsing met verregaande gevolgen is Jansens lezing van vers 8.12, hakt dan in op de nekken van de ongelovigen. Hij schrijft in Zelf koranlezen op p. 184 dat dit vers een receptuur biedt voor het afslachten van godsdienstige tegenstanders. Ook hier wordt echter uit de omringende verzen duidelijk dat het hier geen receptuur betreft, maar de beschrijving van een specifieke gebeurtenis, te weten de slag bij Badr (624), waarin God deze oproep bovendien niet aan mensen maar aan engelen deed: onmiddellijk voorafgaand aan de woorden die Jansen aanhaalt staat namelijk: toen uw Heer openbaarde/ aan de engelen.
Dat het hier zou gaan om de slag bij Badr en om het jaar 624 onderbouwt Leezenberg niet. Alweer jammer, maar wel weer net zo consequent. Nu, kernpunt voor Leezenberg in deze verzen is dat het inhakken op de nekken van de andersdenkenden geen opdracht aan mensen is maar aan de engelen. Na lezing van de tekst in een wat breder verband kom ik tot een andere conclusie. Ik citeer de tekst uit Koran 8:
12. Toen uw Heer aan de engelen openbaarde: "Ik ben met u; versterkt de gelovigen. Ik boezem ontzag in de harten der ongelovigen. Slaat daarom hun hoofd af en slaat alle toppen van hun vingers af."
13. Dit is, omdat zij zich tegen Allah en Zijn boodschapper hebben verzet. En wie tegen Allah en Zijn boodschapper strijdt, (wete) Allah is voorzeker streng in vergelding.
14. Dat is (uw straf), ondergaat haar daarom en weet dat er voor de ongelovigen de straf van het Vuur is.
15. O, gij die gelooft, wanneer gij degenen die niet geloven, op u af ziet komen wendt hun dan niet uw rug toe.
16. En wie op die dag zijn rug toekeert, tenzij hij voor het gevecht manoeuvreert of om plaats te nemen bij een andere groep, doet inderdaad de toorn van Allah over zich komen en de hel zal zijn tehuis zijn en dat is een slechte verblijfplaats.
17. Gij dooddet hen niet, doch Allah was het, Die hen doodde. En gij wierpt niet toen gij wierpt, maar Allah was het die wierp, opdat Hij de gelovigen een grote gunst van Zich mocht bewijzen. Voorzeker, Allah is Alhorend, Alwetend.
Het laatste vers is cruciaal. Leezenberg brengt een scheiding aan tussen de hemelse en aardse strijd. Niet de mensen, maar de engelen moeten hoofden en vingertoppen afhakken. Echter, vers 17 wijst erop dat de hemels en de aardse strijd identiek zijn. De tekst legt uit dat het bloedbad dat de moslims aanrichtten een hogere en meer eigenlijke betekenis had: het aardse bloedbad was een stoffelijke manifestatie van de opdracht van Allah aan de engelen. Maar met zijn oneigenlijkheid bleef het wel degelijk een aards bloedbad: ...gij wierpt niet toen gij wierpt,....
Michiel Leezenberg toont veel respect voor de Koran en voor de leek. Over beiden doet hij vergaande uitspraken. Mag ik ook een voorzichtige conclusie over het werk van Michiel Leezenberg proberen te trekken? Mij bekruipt het gevoel dat hij weinig van de Koran begrijpt. Zijn respect voor de Koran is hem gegund, maar lijkt niet te worden gedragen door deskundigheid.
Wim Lourens (Dit is een ingekorte versie, het volledige artikel van Wim Lourens verscheen op 28 december op www.hetvrijevolk.com)
Naschrift Michiel Leezenberg:
Ik kan het niet helpen als Lourens niet bereid of in staat is het onderscheid te zien tussen bevelen of betoveringen als wees een aap en beschrijvingen als je bent een aap. Hoe moet je een dergelijk elementair grammaticaal onderscheid verder onderbouwen, anders dan met een beroep op de dikke Van Dale of een middelbare schoolgrammatica? Lourens hele betoog, dat hij het niet ziet, is minder een weerlegging van mijn argumenten dan een demonstratie van zijn eigen gebrekkige gezichtsvermogen, of taalbeheersing. Ik stel ook nergens voor om Jansens interpretaties door arbitrage te laten beslechten. Onder wetenschappers wordt zijn werk allang niet meer serieus genomen. Dat heeft niks met politieke correctheid te maken, maar alles met de talrijke feitelijke fouten en verdraaiingen die zijn recente werk bevat, en waarvan ik slechts een klein aantal noem.
Dat vers 8.12 van de Koran over de slag bij Badr gaat heeft een simpele onderbouwing: het staat nota bene ook vermeld op pagina 199 van de door Jansen zelf geredigeerde Koranvertaling. Dat maakt het des te kwalijker dat Jansen deze context elders verdonkeremaant; en dat kan iedereen zien die deze vertaling erop naslaat,- althans, als hij het wìl zien. Blijkbaar wil Lourens evenmin zien dat het in mijn betoog niet gaat om een onderscheid tussen hemelse en aardse strijd, maar om een onderscheid tussen wetten, of universele voorschriften, en beschrijvingen van specifieke gebeurtenissen. Koranvers 8.12 is geen algemeen of tijdloos voorschrift,maar een onderdeel van een verhalende passage over een specifieke historische gebeurtenis. Dat punt, wezenlijk voor mijn argument dat Jansen de boel zit te belazeren, wordt door Lourens betoog in het geheel niet weerlegd.
Over de vraag hoe belangrijk het is dat 8.12 uit een verhalende passage komt en geen algemene oproep is, valt te discussiëren. Maar precies datzelfde onderscheid wordt door Jansen aangeroepen in zijn pogingen de gewelddadiger passages in het Oude Testament goed te praten.
Een laatste complicatie die door zowel Jansen als door Lourens over het hoofd wordt gezien is dat 98.6 niet gaat over ongelovigen in het algemeen, maar veel specifieker over de ongelovigen onder joden, christenen en andere niet-moslims, zoals het door Lourens aangehaalde citaat ook al aangeeft. De vraag wie die ongelovigen onder de volken van het boek precies zijn is een complexe en belangwekkende, die helaas door Jansen geheel wordt genegeerd. Voor een zelfverklaarde leek is het nog niet zon ramp om dergelijke nuances over het hoofd te zien; voor een zelfbenoemd deskundige als Jansen is het kwalijker. Maar Lourens zal het wel met de conclusie van mijn stuk eens zijn dat je pro- en anti-Koranverhalen gelijkelijk kritisch moet beoordelen, en niet slechts die visies prijzen waarmee je het toevallig eens bent. En als hij werkelijk zon kritisch-rationele geest is als hij zichzelf vindt, zal hij ook wel bezwaar maken tegen de, vrijwel geheel van voorbeelden en argumentatie verspeende, tirades en insinuaties aan het adres van - doorgaans naamloze - collega-arabisten waaraan Jansen zich geregeld bezondigt.
