Pornografie in Indonesië
Onlangs heeft het Indonesische parlement een controversiële wet aangenomen: de anti-pornografie-wet. Maar controverses zoals deze maken mijn vak als docent filosofie juist zo spannend in dit land. Aan drie verschillende universiteiten in vijf verschillende klassen heb ik deze wet besproken. Aan de afdeling Arabisch van de Universiteit van Indonesië, de afdeling ontwikkelingsstudies van het Bandung Instituut voor Technologie en de faculteit filosofie van de Parahyangan Universiteit volgden serieuze, hilarische en verwarrende discussies over religie, cultuur, traditie, gewoonten, recht en natuurlijk pornografie, waaraan in totaal ongeveer 150 studenten deelnamen.
Ik begon deze discussies met een vijftal vragen: 1. Wat is pornografie? 2. Wat is er verkeerd aan? 3. Wie is er het slachtoffer van of, minder sterk: wie heeft er hinder van? 3. Wat is Indonesische moraliteit? 4. Wie heeft het recht te bepalen wat moreel juist en onjuist en dus pornografisch is? Tenslotte 5. Wie heeft er in de Indonesische samenleving het recht te handelen tegen immoraliteit en pornografie? Ik verlangde van mijn studenten geen definitie van pornografie, maar vroeg hen om voorbeelden te geven van wat zij als pornografisch beschouwden. Niet om te zien of deze wet als legitiem werd ervaren, wat doorgaans zo was, maar om te laten zien dat een duidelijke definitie van pornografie niet mogelijk is. En deze wet biedt inderdaad geen duidelijke definitie, wat kan leiden tot rechtsonzekerheid, omdat niet te voorspellen is hoe de instituties van de staat en de regering zullen handelen.
Mijn studenten droegen een aantal voorbeelden aan: het blad Playboy (zijn naam onwaardig, ongelooflijk preuts, er valt meer huid te zien in de Indonesische versie van Cosmopolitan); prostitutie en striptease (er bestaat al wetgeving die hier tegen gebruikt zou kunnen worden); pornografische films, fotos, literatuur, en websites; seks voor het huwelijk en vreemdgaan (beide worden hier vrije seks genoemd); seks in het publieke domein (volgens mij vrijwel overal ter wereld ongeoorloofd); zoenen in het publieke domein; de erotische dangdut-dans van Inul; en minirokjes. Eén jongedame noemde voor de grap mijn blauwe ogen pornografisch (nu maar hopen dat ik niet binnenkort gedeporteerd word).
Uit deze voorbeelden valt geen eenduidige definitie te destilleren. Het merendeel ervan lijkt te gaan over de seksuele verlangens van mannen ten aanzien van vrouwen en de gevolgen daarvan, zoals aanranding en verkrachting. Alsof vrouwen geen seksuele verlangens zouden kennen. Alsof vrouwen met een hoofddoek geen seksuele verlangens zouden kunnen oproepen. En wat als iemand een koffie&jazz-fetisj heeft? Zijn koffie en jazz dan ook te beschouwen als pornografisch?
Wat is er eigenlijk verkeerd aan pornografie? In Glodok, West Jakarta, worden pornografische dvds openlijk op straat verkocht. Indien ik daar naar toe ga, een paar films koop en deze bekijk in mijn slaapkamer, wie val ik daarmee lastig? De openlijke verkoop van deze dvds wordt tot dusverre door de politie getolereerd, waarschijnlijk tegen betaling. Slechts af en toe treedt de politie in naam van de wet symbolisch op. Al deze dvds zijn illegale kopieën uit landen als China. Een wet die schending van copyright en intellectuele eigendom verbiedt kan voldoende soelaas bieden (en zon wet bestaat hier al).
De anti-pornografie-wet stelt tevens dat pornografie al datgene is wat in strijd is met de Indonesische moraal. Maar dat is nu juist de kwestie: hoe kunnen we de Indonesische moraliteit definiëren in een gebied dat groter is dan dat tussen Ierland en de Oeral, waar een groter aantal talen wordt gesproken en wordt geloofd in een groter aantal goden? Niet alleen is er sprake van enorme verschillen tussen Atjeh en Papua, er is ook sprake van enorme diversiteit in steden zoals Jakarta, dat meer inwoners heeft dan heel Nederland. Bandung heeft ongeveer evenveel inwoners als de vier grootste Nederlandse steden bij elkaar. Terwijl Soendanezen er de meerderheid vormen, wonen er tegenwoordig grote groepen Balinezen, Batakkers, Javanen, Ambonezen, Padangnezen, Chinezen, Arabieren en Indiërs. Geen van deze groepen is homogeen ten aanzien van taal en religie. Er zijn Chinezen die moslim, katholiek, protestant, boeddhistisch of confucianistisch zijn en die Indonesisch, Mandarijn, Kantonees of Hokkien als eerste taal spreken.
Veel Indonesiërs beseffen dat hun land gekenmerkt wordt door diversiteit. Nochtans benadrukken zij vaker de eenheid tussen die diverse religieuze en culture vormen. Natuurlijk hebben Indonesiërs gemeenschappelijke waarden. Het huwelijk wordt bijvoorbeeld als de norm beschouwd, ook al wordt er veel gescheiden, met name wanneer huwelijken het gevolg zijn van een moetje. Maar veel Indonesiërs zien gemakshalve over het hoofd hoe divers hun eigen cultuur is. In een tempelcomplex bij Solo staat bijvoorbeeld een standbeeld van ongeveer een meter hoog, met een erectie van ruim dertig centimeter. Het is een zinnebeeld van vruchtbaarheid, en kinderloze stellen bidden hier al vrijend om kinderen te krijgen.
Zelfs wanneer er zoiets zou bestaan als de Indonesische moraliteit, wie heeft dan het recht om te bepalen wat moreel juist en onjuist is? De president Susilo Bambang Yudhoyono? De politie? Rechters? Islamitische organisaties? Mijn studenten? Hun ouders en docenten? Wanneer een overheidsinstantie zich dit recht toe-eigent, hebben burgers niet langer de vrijheid om sociale situaties zelf in te schatten. Moderne samenlevingen worden ten enenmale gekenmerkt door een complexiteit die niet per decreet valt te ordenen.
De anti-pornografie-wet vermeldt tevens dat de Indonesische samenleving het recht heeft om op te treden tegen pornografie. Er bestaat dan een wezenlijk gevaar dat burgers en groepen het recht in eigen hand nemen. Dit gebeurt nu al. Een voorbeeld hiervan is de FPI (Front voor de Verdediging van de Islam), een militante organisatie waarvan de leider Habib Rizq Shihab een gevangenisstraf van anderhalf jaar uitzit voor het gewelddadig verstoren van een pro-pluralisme demonstratie. Drie jaar geleden bracht de FPI de CP Biënnale in mineur door te eisen dat het werk Pinkswing Park van de schilder Agus Suwage en de fotograaf Davy Linggar verwijderd zou worden. Dit werk verbeeldt Adam en Eva, en voor deze rollen stonden celebritys als Anjasmara en Isabel Yahya model, die net als Adam en Eva naakt waren afgebeeld. Curator Jim Supangkat gaf toe aan de druk en verwijderde het werk, met als gevolg dat de overige kunstenaars uit protest hun werk terugvorderden. Anjasmara bood zijn excuses aan op televisie voor het beledigen van de Islam.
Velen zien in de anti-pornografie-wet een stap op weg naar de islamisering van de Indonesische samenleving. Maar ook nationalistisch-seculiere partijen stemden voor de wet in de hoop stemmen te winnen bij de parlements- en presidentsverkiezingen van 2009. En ook veel van mijn katholieke studenten zien deze wet als legitiem (het merendeel van hen volgt een opleiding tot priester). Zij kan daarom eerder worden gezien als een uiting van de patriarchale samenleving. Een student gaf aan dat het dragen van een minirokje kan leiden tot verkrachting. Als dit al een plausibele verklaring is, is het nog geen rechtvaardiging. Vrouwen verdienen het om als gelijkwaardig beschouwd te worden en hebben daarom het recht op respect voor hun lichamelijke integriteit. Als het vlees zo zwak is, is het wellicht beter om mannen te heropvoeden. De anti-pornografie-wet is een ondeugdelijke wet die slechts een symboolfunctie heeft, maar die mijn vakgebied wel uitermate spannend maakt.
Roy Voragen verblijft sinds 2003 in Indonesië en doceert filosofie aan de Parahyangan Universiteit in Bandung; zijn weblog: fatumbrutum.blogspot.com
