De vrijzinnigen hebben de toekomst
De crisis
In november 2008 werd in het Amsterdamse Rijksmuseum het duurste kunstwerk aller tijden tentoongesteld. Het betreft hier een menselijke schedel, belegd met duizenden diamantjes, gemaakt door de Britse kunstenaar Damien Hirst. Het is getiteld: For the love of God. Grijnzend kijkt dit icoon van het vrije marktdenken ons aan: alsof hij ons wil zeggen: ziedaar waar ik jullie gebracht heb. Ik ben het duurste van het duurste. Ik ben de ultieme waarde van het vrijemarktdenken, waar de waarde van iets bepaald wordt door de hebzucht van de mensen. De belangstelling was enorm.
Tegelijkertijd woedde er een financiële crisis die het financiële stelsel en de economie als geheel op zijn grondvesten deed trillen. Het maakte het mene tekel, het teken aan de wand van het diamanten doodshoofd des te bijtender. Menselijke schedels hebben in de kunst, in de iconografie, een duidelijke betekenis: memento mori, denk eraan, je gaat dood. Het is duidelijk: de hebzucht van de mensen, of eufemistischer, het welbegrepen eigenbelang, het ongebreideld streven naar meer als laatst overgebleven steunpunt van de moraal brengt ons uiteindelijk de dood. Een platina dood, rijk versierd met diamantjes.
Sommige mensen zullen door de economische crisis en de letterlijke leegheid van het ultieme kunstwerk aan het twijfelen worden gebracht. Hun geloof in de markt als zin- en normgevende instantie zal geschokt zijn. Anderen, Jan Marijnissen voorop, zullen zich haasten om hun gelijk te halen. Zie je wel dat het marktfundamentalisme niet deugt en alleen maar ellende brengt? Wat wil Jan dan? Een solidariteitsfundamentalisme? Ook dat is uitgelopen op een regelrechte ramp.
Zo zullen er meer reacties zijn die stoelen op een gedroomde utopie. De kerken zullen zich zeker niet onbetuigd laten. Het probleem van deze reacties is dat het er zoveel zijn en dat ze zo verschillend zijn. Kunnen we dan geen gemeenschappelijk uitgangspunt vinden voor ons handelen? Het tragische is dat we in de hebzucht iets dergelijks gevonden dachten te hebben. Waarden en emoties verschillen, daar kun je niet mee rekenen, zo dachten de grondleggers van het kapitalisme in de 17e eeuw, maar met hebzucht is wel degelijk te rekenen. Als mensen volledig op hun eigenbelang uit zijn, weet je wat je aan ze hebt.
Toen het communisme, een stelsel dat gebaseerd is op de neiging van de mens tot naastenliefde, moreel en economisch failliet was, was het triomfalisme in de Westerse wereld groot. Het kapitalisme, gebaseerd op welbegrepen eigenbelang, de markt en de concurrentie had zijn superioriteit bewezen. Dat blijkt dus niet zo te zijn. In wat voor wereld leven wij, waar je zelfs op de hebzucht niet meer kan vertrouwen? We leven in een pluralistische wereld, waarin een gemeenschappelijke noemer niet te vinden is. Ook niet in de godsdienst? Nee, ook daarin niet. Godsdiensten kunnen verbroederend werken, maar even vaak kunnen ze ook mensen uit elkaar spelen en tegen elkaar opzetten. Ze lopen enorm uiteen, en zijn vaak onbegrijpelijk en ondoorzichtig. En dan heb je ook het wijd verbreide secularisme: mensen die weinig of niets van religie moeten hebben. Zo is de situatie, niet alleen in Nederland, maar wereldwijd.
Vrijzinnigheid als mentaliteit
In een dergelijke wereld hebben de vrijzinnigen de toekomst. Vrijzinnigheid vat ik daarbij niet op als een stroming naast andere stromingen in de dogmatiek of in de ideologie. Het is eerder een mentaliteit die zich kenmerkt door een open, kritische houding ten aanzien van de traditie waarin men nu eenmaal staat, zonder dat men die traditie geheel los wil laten. De vrijzinnige houdt vast aan de kernpunten van zijn eigen traditie, zonder die traditie als alleen zaligmakend te zien. Hij gunt ook de ander zijn traditie. Hij schrikt niet als anderen er andere gewoonten op nahouden. Hij gunt een ander haar hoofddoekje. Hij schrikt niet als een ander hem geen hand wil geven. Het maakt hem eerder nieuwsgierig.
Hij ziet in dat bepaalde waarden, of de manier waarop waarden worden ingevuld, hun oorsprong vinden in bepaalde vormen van samenleven, of in een bepaalde geografische omstandigheid. Hij ziet bijvoorbeeld in dat de ramadan: het gebod om gedurende een periode niet te eten tussen zonsopgang en zonsondergang, afkomstig is uit een gebied waar de dagen en de nachten s zomers en s winters ongeveer even lang zijn. En dat er dus een probleem ontstaat als de ramadan in Noordelijke streken moet worden geëerbiedigd.
Hij denkt ook historisch. Hij vraag zich af bij gebruiken die hem in eerste instantie tegen de borst stuiten, in welke historische omstandigheden die gebruiken zijn ontstaan, en hoe de waarden die in die gebruiken zijn vervat, in een moderne contekst kunnen worden gerealiseerd. Hij is ook bereid van andere culturen te leren. Hij ontdekt bijvoorbeeld dat tijdens de ramadan het gezamenlijk hongeren, afgewisseld door het gemeenschappelijk eten in de avonduren, de solidariteit tussen mensen kan vergroten. Daarbij denkt hij kritisch, juist ook over zijn eigen cultuur. Hij vraagt zich bijvoorbeeld af of de hang naar kuise kleding, die uit andere culturen naar voren wordt gebracht, niet een welkome correctie zou zijn op de permissiviteit van zijn eigen westerse cultuur, waar alle romantiek en erotiek ten onder dreigt te gaan aan seksuele explicietheid.
Hij vraagt zich af of uithuwelijken door de bank genomen een zoveel slechtere manier is om vrouwen aan een partner te helpen dan het gescharrel op de vrije huwelijksmarkt. En hij relativeert. Hij herinnert zich bijvoorbeeld hoe twee of drie generaties geleden de partnerkeuze eerder werd ingegeven door economische motieven dan door romantische liefde. Hij gunt dus anderen hun waarden, maar dat betekent uiteraard niet dat hij ze per definitie aantrekkelijk vindt, laat staan dat hij ze overneemt. Deze positieve houding ten aanzien van het andere en het vreemde maakt de vrijzinnige in de nieuwe betekenis van het woord nog niet tot een cultuurrelativist. Hij is niet iemand die vindt dat zijn waardenpatroon evenveel waard is als onverschillig welk ander waardenpatroon dan ook. Weliswaar is hij van mening dat ook de eigen waarden betrekkelijk zijn, maar niet dat de eigen waarden in hun totaliteit kunnen worden ingewisseld voor onverschillig welke andere set van waarden ook. Of dat de kernwaarden uit zijn traditie opgeefbaar zouden zijn. Hij weet bijvoorbeeld dat de mensenrechten een produkt zijn van zijn traditie, en in die zin een westers cultuurgoed zijn, maar dat verhindert hem niet van het handhaven van mensenrechten een onopgeefbaar punt te maken. Iets dat in de hele wereld ingevoerd zou moeten worden, desnoods tegen weerstand in.
Dat men in staat is de betrekkelijkheid van de eigen positie in te zien, betekent dus allerminst dat men geen ferme standpunten kan innemen, of dat men niet staat voor zijn zaak. Het tegendeel is het geval. Juist omdat men de betrekkelijkheid en de kwetsbaarheid van de eigen waarden inziet, moet men zich er persoonlijk voor inzetten. Waarden bestaan niet alleen dankzij zichzelf of dankzij een hogere macht; waarden worden ook niet gehandhaafd door goddelijk interventie of door de voorzienigheid. Ze bestaan omdat en voor zover individuen zich ervoor inzetten. Vrijzinnigheid als mentaliteit impliceert een hoge mate van individualisme. Men is eigenzinnig in de manier waarop men met zijn traditie omgaat. Men is uiteindelijk zelf de maatstaf voor de manier waarop men de traditie verwerkt. Maar de oriëntatie op de traditie en op de sociale omgeving waarin deze figureert, geeft inspiratie en een gevoel van geborgenheid.
Samenvattend: bij vrijzinnigheid in deze nieuwe betekenis van het woord gaat het op zijn minst om twee dingen die onderling samenhangen. Ten eerste een zeker gevoel voor de menselijke, al te menselijke aspecten van welke onderneming dan ook. Dit impliceert wat in Nederland een gezond wantrouwen wordt genoemd. Ten tweede de neiging om de dingen in hun context te zien. Dat betekent onder meer dat ook de zogenaamde tijdgeest wordt meegewogen. De openheid impliceert de bereidheid elementen van buiten de eigen traditie op hun merites te beoordelen en eventueel geheel of gedeeltelijk over te nemen. Zo bezien kan iedereen, ongeacht zijn levensovertuiging, vrijzinnig zijn. Een orthodox gereformeerd conservatief kan een vrijzinnige mentaliteit hebben, net zoals een linkse progressief uit de spreekwoordelijke grachtengordel een cultuur-absolutist kan zijn.
Vrijzinnigheid als Nederlands cultuurgoed
Als veel mensen dezelfde mentaliteit ontwikkelen, wordt deze tot een cultuurgoed. Wanneer wij het over traditie hebben, dan spreken we over een traditie waarin moraal, politiek en levensbeschouwing of religie op een vaak niet onder woorden te brengen wijze aan elkaar zijn gekoppeld. Het gaat om een overgeleverde traditie, waarvan de waarden al op jeugdige leeftijd worden geïnternaliseerd en waarvan de wortels oud zijn, en niet meer precies achterhaalbaar. De Westerse traditie is gedeeltelijk Grieks-Romeins, gedeeltelijk Joods-Christelijk en voor een deel wellicht ook Germaans van oorsprong. Zij bestaat in de kern uit waarden zoals naastenliefde, universalisme, vrijheid, menselijke waardigheid, gelijkheid, rationaliteit, geloof in god, om slechts enkele basiswaarden van die traditie te noemen. Het is een familie van waarden waarvan de kern onopgeefbaar is. De gevoelens die het geloof in deze waarden oproepen kunnen religieus of quasi-religieus genoemd worden.
Maar deze familie van waarden als geheel is wel aan veranderingen onderhevig en onderdelen ervan zijn wel opgeefbaar. De waarden veranderen van inhoud en interpretatie. Vrijheid wordt bijvoorbeeld van gewetensvrijheid tot politieke vrijheid; gelijkheid evolueert van gelijkheid voor God naar maatschappelijke gelijkheid. De tendens om het heil in deze wereld te zoeken wordt groter. Het geloof in een persoonlijke god, of zelfs wat voor god ook, blijkt langzamerhand opgeefbaar, zonder dat de overige waarden aan betekenis inboeten.
Het relativisme van vrijzinnigen behelst dus de manier waarop zij hun traditie tot gelding brengen. Niet iedereen die deze traditie aanhangt maakt dezelfde keuze op dezelfde wijze. Iedere vrijzinnige maakt op grond van zijn traditie zijn eigen keuze en legt zijn eigen accenten. Die openheid blijkt telkens weer als men een vrijzinnige vraagt naar zijn basiswaarden. Iedere vrijzinnige heeft zijn eigen verhaal. Deze veelvormigheid is de kracht van de vrijzinnigheid, maar wordt ten onrechte als zwakte gezien.
Vrijzinnigheid heeft een perpetuum mobile karakter. Hij wordt door zijn eigen resultaten uitgelokt tot nieuwe resultaten. Vrijzinnigheid blijft dan ook weerstand oproepen. De strijd van de vrijzinnigheid is nooit gestreden. Dat geeft vrijzinnigheid ook iets ambivalents. Hij draagt bij aan de ongemakkelijkheid en de ongeborgenheid van de (post)moderne samenleving. Die ongemakkelijkheid maakt dat de tegenstanders van de vrijzinnigheid altijd kansen blijven houden en dat de ontwikkeling van de vrijzinnigheid een grillig verloop heeft.
Tegenover vrijzinnigheid staan meerdere aan elkaar verwante contrastbegrippen: orthodoxie, fundamentalisme, dogmatisme, conservatisme. Ook deze begrippen worden vaak eerder inhoudelijk dan als mentaliteit geduid. Het zou eens moeten worden onderzocht via een sociologisch survey-onderzoek welk percentage van de bevolking zichzelf in één van deze begrippen herkent. Het lijkt waarschijnlijk dat een meerderheid een dergelijke zelfkarakterisering afwijst. Daarom is het niet onzinnig de Nederlandse cultuur als een voornamelijk vrijzinnige cultuur te zien. Dat is overigens ook in overeenstemming met de reputatie die Nederland in het buitenland heeft.
Als deze hypothese juist is, dan is vrijzinnigheid ook niet te beschouwen als religieus en politiek alternatief. Zeker sinds de jaren zestig van de vorige eeuw, toen het zuilenstelsel instortte, is de vrijzinnigheid mainstream in Nederland. Dat betekent overigens niet dat zij niet bedreigd kan worden. Het behoud van de vrijzinnigheid moet telkens weer bevochten worden, hoe vanzelfsprekend zij ook lijkt. Dat is vooral opportuun geworden nu er politieke stromingen de wind in de zeilen lijken te hebben die zich als alternatief voor de vrijzinnigheid profileren.
Op dit moment wordt de strijd tussen vrijzinnigen en cultuur-absolutisten vooral gestreden op het punt van de integratie van religieuze minderheden, met name de islam. De cultuur-absolutisten wensen vast te houden aan de waarden en normen zoals die in Nederland zijn overgeleverd, terwijl de vrijzinnigen de uitdaging aan willen gaan en bereid zijn open te staan voor de islam. De cultuur-absolutisten verwijten de vrijzinnigen cultuurrelativisme, poldermentaliteit, schipperen, vaagheid, onduidelijkheid in de positionering, het op het spel zetten van overgeleverde waarden, gebrek aan principes etc. Het zijn precies de verwijten die altijd al aan het adres van vrijzinnigen worden gemaakt. Vrijzinnigen stellen daar tegenover dat de onbuigzaamheid van de cultuur-absolutisten uiteindelijk kan leiden tot een bloedige clash of civilizations.
Slot
Dat brengt me terug bij mijn uitgangspunt: het duurste kunstwerk aller tijden For the Love of God van Damien Hirst. Het teken aan de wand van een sociaal systeem dat te veel op hebzucht vertrouwt, en daardoor de marktwerking als absoluut zaligmakend beschouwt.
Nederland is tot op zekere hoogte een wereld in het klein, met veel problemen die in de grote wereld ook bestaan. Hier ontmoeten de meest uiteenlopende culturen elkaar. Hier doen zich wereldwijde problemen voor op vaak nog overzichtelijke schaal. De problemen van een wereld waarin de grote pogingen tot een alleen zaligmakend sociaal-economisch stelsel op de klippen zijn gelopen. Een wereld met een veelheid van opinies, religies en levensstijlen die allemaal tot gelding gebracht willen worden. De problemen die een dergelijke wereld kent zijn niet op te lossen met grote doctrines zoals het geloof in de almacht van de markt en van het geloof in het welbegrepen eigenbelang. Ze zijn niet op te lossen met socialistische of communistische ideeën. Ze zijn ook niet op te lossen met het cultuur-absolutisme. We leven op aarde, dat wil zeggen: in een conditie waarin de oplossing van het ene probleem vaak het volgende probleem blijkt te zijn. In een dergelijke wereld helpt vrijzinnigheid een beetje. Het houdt de wereld een beetje menselijk. Het maakt de kans een beetje groter dat we problemen met praten te lijf kunnen. Het geeft net dat beetje houvast dat het verschil maakt.
Meerten ter Borg is bijzonder hoogleraar Niet-institutionele religie in de hedendaagse samenleving en schreef in Waterstof 32 over de actualiteit van vrijzinnigheid.
