Populisme is geen remedie voor afgehaakte kiezers
Het populisme is volgens Dick Pels, Koen Pelleriaux, David van Reybrouck en Mark Bovens de politieke stem van de nieuwe onderklasse. De laagopgeleiden zouden het meest afhaken als kiezers van gevestigde partijen en ze zouden zich ook het beste kunnen vinden in de linkse en rechtse populistische partijen of in directe vormen van democratie.
Dit is een interessante these. Het is een variant van de invloedrijke these dat deze aanhang bestaat uit verliezers van de modernisering, maar het grote voordeel van de focus op laagopgeleiden is dat het een preciezere afbakening mogelijk maakt van de veronderstelde aanhang van populistische partijen.Het is echter de vraag of de theorie klopt. Daarnaast valt er wel een en ander af te dingen op de normatieve conclusies die aan deze opvatting van populisme verbonden worden.
Als men verliezers van modernisering ruim opvat dan is er wel enige aanwijzing dat kiezers van met name rechtsradicale partijen behoren tot deze verliezers. Verschillende onderzoeken tonen echter ook aan dat ook winnaars goed vertegenwoordigd zijn. Jonge nieuwe professionals voelen zich ook vaak sterk aangetrokken tot deze partijen. Betz, een van de grondleggers van de these van de verliezers van modernisering, is om die reden ook teruggekomen op deze theorie. Als men laagopgeleiden als specifiek criterium neemt, dan wordt het nog lastiger om bewijs te vinden. Vergelijkend onderzoek laat zien dat zowel geschoolde als ongeschoolde werknemers goed vertegenwoordigd zijn. Daarbij moet ook worden opgemerkt dat de motieven van de kiezers vooral worden bepaald door issues van deze partijen als immigratie en criminaliteit en in veel mindere mate door een populistisch appèl op onvrede met de gevestigde politiek. De theorie heeft dus op zijn zachtst gezegd een nogal smalle empirische basis.
Veel aannemelijker is dat afgehaakte laagopgeleiden zich ook niet kunnen vinden in populistische partijen. Dick Pels brengt dan ook nog een ander punt naar voren, namelijk de culturele kloof tussen de leefwerelden van hoog en laagopgeleiden. Dat er culturele scheidslijnen bestaan tussen allerlei groepen lijkt me zonder meer waar. Maar of er sprake is van een kloof? Het aandeel van populistische media als De Telegraaf, SBS6, radio 538 en GeenStijl.nl is niet bepaald marginaal te noemen. De voorzitter van de NPO, Hagoort, wilde ons onlangs nog weer doen geloven dat deze groep er bekaaid af zou komen bij de actualiteitenrubrieken op televisie. Dat is een mythe. Fortuyn, Wilders en andere populisten krijgen overmatige aandacht in de kwaliteitskranten en actualiteitenrubrieken, zo blijkt uit media onderzoek. Binnenkort krijgen we mogelijk ook nog een Populistische Omroep op initiatief van de Rotterdamse populist Sörensen. De invloed van de populistische media in Den Haag is bepaald niet gering. De politieke elite houdt heel goed rekening met de stem van het volk in De Telegraaf of andere populistische media, zoals bleek bij het aftreden van Wijnand Duyvendak en Ella Vogelaar. Deze leefwereld bloeit dus volop en van een kloof is geen sprake.
Tenslotte is het de vraag waarom nu juist voor deze kiezers directe democratie uitkomst zou bieden, zoals Dick Pels en Mark Bovens stellen. Ik geloof er niets van dat directe democratie de veronderstelde kloof tussen laag en hoogopgeleiden zou kunnen overbruggen. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de kiezers die afhaken bij verkiezingen ineens komen opdagen als er referenda gehouden worden. Directe vormen van democratie zijn vaak veeleisender en ingewikkelder dan verkiezingen. Het is ook de vraag of de belangen van laagopgeleiden via die weg beter aan bod zullen komen. Alleen als er politieke elites zijn (zoals politieke partijen of machtige belangengroeperingen) die het voortouw nemen, zullen bij directe vormen van democratie de belangen van vergeten groepen aan bod komen en zullen zij gemobiliseerd worden. Kortom, als er een kloof is zal die zich ook bij directe democratie doen gelden.
Ik geloof dus niet dat populistische partijen of bewegingen bij uitstek een stem geven aan laagopgeleiden, ik geloof ook niet dat er een culturele kloof bestaat en ik heb er een hard hoofd in dat directe democratie de politieke afhakers terug zal brengen. Als er normatieve uitspraken gedaan kunnen worden over zon dunne politieke ideologie als het populisme, dan denk ik dat die vooral gezocht moeten worden in de manier waarop populisten opkomen voor het volk. Welke vormen van directe democratie staan zij voor, zijn ze bereid daarbij de rechten van minderheden te respecteren, zijn ze ook bereid een pluralistische opvatting van politiek met checks en balances te aanvaarden of streven ze naar een ongedeelde volksdemocratie? Tendensen in die laatste richting bekijk ik met de nodige argwaan.
Tjitske Akkerman doceert politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam.
Naschrift Dick Pels en Mark Bovens: Tjitske Akkerman gelooft allerlei dingen niet die wij beweren, maar ze is vrij zuinig met argumenten. Dat ook jonge professionals zich voelen aangetrokken tot populistische partijen (in welke percentages?) wil niet zeggen dat ze niet vooral laagopgeleide moderniseringsverliezers aanspreken. Zoals Dick Houtman, Peter Achterberg en Anton Derks overtuigend laten zien in Farewell to the leftist working class (2008), zijn de meeste linkse (sociaal-democratische) partijen middenklassepartijen zijn geworden, en kiest hun laagopgeleide traditionele achterban voor rechtse populistische partijen omdat ze meer hecht aan rust, orde en monoculturalisme. Het bestaan van die culturele kloof tussen hoog- en laagopgeleiden is uitvoerig gedocumenteerd door sociologen als Elchardus en Pelleriaux. Dat populistische politici en media veel aandacht trekken en krijgen is dan ook niet het punt: het gaat om een verschil in algemene belevingswereld en politieke voorkeur dat wel degelijk structureel samenhangt met opleidingsniveau. Tenslotte gaat Akkerman niet in op onze stelling dat directe, gepersonaliseerde verkiezingen van gezagsdragers (zij noemt ten onrechte alleen referenda) laagopgeleiden gemakkelijker kunnen betrekken bij de politiek, omdat de cognitieve, programmatische dimensie daarin minder zwaar weegt. De personendemocratie is echter geen uitverkoop aan de ongedeelde volksdemocratie die zij terecht wantrouwt, maar kan een interessante uitbreiding en een verdieping vormen van de pluralistische democratie die wij net als zij omarmen.
