Onwetendheid of oplichterij? Hans Jansen als islamkenner
Hans Jansen schrijft al sinds jaren niet meer voor vakgenoten; in plaats daarvan richt hij zich uitsluitend tot het grotere publiek. Nu is het populariseren van wetenschappelijke kennis een belangrijke taak, die door wetenschappers maar al te vaak wordt verwaarloosd. Door de toegenomen onderwijslast en druk tot publiceren in vaktijdschriften wordt populariserend werk steeds lager gewaardeerd. Het maatschappelijke belang ervan is echter, zeker waar het het onderwerp islam betreft, zonneklaar.
Maar populariserend werk stelt ook zo zijn eisen aan de auteur: die moet een middenweg zoeken tussen toegankelijk taalgebruik en wetenschappelijke adequaatheid en precisie. Slaagt Jansen erin die balans te bewaren? Toegankelijk Nederlands schrijven is de relatief eenvoudige opgave. Jansen probeert dat met een stijl die vooral bestaat uit imitaties van Gerard Reve, tot in titels (vergelijk Zelf koranlezen met Reves Zelf schrijver worden en Zelf masturberen) en zinswendingen (vergelijk Jansens ongelukken, daar houden we niet van met Reves teveel drinken, daar hebben wij niets aan) aan toe. Origineel is anders, maar goed.
Objectieve wetenschap?
Hoe zit het echter met het wetenschappelijke gehalte van Jansens werk? Eén ding dat onmiddellijk opvalt is dat hij grotendeels de discussie met vakgenoten uit de weg gaat. Zo is hij in vaktijdschriften bij herhaling gewezen op - soms forse of elementaire - vertaalfouten en andere gebreken, maar daar heeft hij nooit op gereageerd. Het enige wat hij aan dergelijke kritiek lijkt over te houden is een blijvende wrok tegen degenen die hem geuit hebben. Voorts suggereert hij geregeld dat hij, anders dan talrijke (doorgaans niet bij naam genoemde) collegas, zich niet laat verblinden door politiek-correcte dogmas, en ook de negatieve kanten van de islam durft te belichten. Zelf zou hij dus alleen maar objectieve wetenschap beoefenen.
Tegelijkertijd legt Jansen echter een opmerkelijke belangstelling aan de dag voor pseudo-wetenschappelijke prietpraat. Zo steekt hij overal de loftrompet van Bat Yeor, die in Eurabia de hysterische samenzweringstheorie verkondigt dat de EU samen met de Arabische Liga werkt aan een programma om Europa te islamiseren, en die in elk vriendschappelijk gebaar richting moslims een teken van zelfopgelegde dhimmitude of onderdanigheid ziet. Het is allemaal gedocumenteerd, zegt Jansen over Eurabia; maar wie dat boek met een minimum aan kritische zin leest, ziet al gauw dat Yeor helemaal niets documenteert, behalve een goedbedoeld cursusje Arabisch hier en een krachteloze oproep tot wat meer solidariteit met de Palestijnen daar. Ook bezondigt ze zich aan de meest elementaire, en zo te zien opzettelijke, begripsverwarring tussen islamitische jihad, Palestijns verzet, Arabisch nationalisme en zelfs nazisme. Tsja.
Met wetenschap heeft dergelijke propaganda niets te maken. Jansen verliest echter elke kritische zin als hij Yeor aanhaalt. Iets vergelijkbaars overkomt hem met het werk van Christoph Luxenberg. Jansen slikt dat voor zoete koek, zonder zelfs maar een enkele kanttekening erbij te plaatsen. De relevantie van Luxenbergs hypotheses voor het begrijpen van wat hedendaagse moslims drijft is nihil: geen mens heeft ooit de koran gelezen op de manier die Luxenberg voorstelt. Zoals bekend verkondigt Luxenberg dat de taal van de koran allerlei Aramese termen bevat. Op zich is dat geen opzienbarend nieuws, maar hij draaft door tot in het extreme, met soms ronduit kolderieke resultaten. Het is inmiddels wel bekend dat de hoeris die in de koran aan martelaren worden beloofd volgens hem geen maagden, maar witte druiven zijn; maar ook de ghulman die in het paradijs op de gelovigen wachten zijn volgens Luxenberg en Jansen geen knapen, maar eveneens een soort fruit. Dat moet een gezond hiernamaals zijn, zo vol vitamine C. Wie zou daarvoor geen zelfmoordaanslag willen plegen?
Dialoog tussen doven
Maar het is niet uitgesloten dat Jansens eigen geschriften van een hoger niveau zijn dan dat van zijn voorbeelden. Laten we daar dus eens naar kijken. Over Bombrieven kunnen we kort zijn. Dat wordt door de uitgever aangeprezen als een unieke correspondentie, maar het is eerder een dialoog tussen doven. Jansen correspondeert hier met poldermoslim Abdul-Jabbar van der Ven, die zijn eigen fifteen minutes of fame inmiddels alweer achter zich heeft, inclusief de bedreigingen die daar blijkbaar bij horen. Geen moment komt er een constructieve dialoog op gang. In plaats daarvan klinken beide auteurs bij elke volgende brief meer verongelijkt, en eisen ze van de ander op steeds hogere toon dat die zich distantieert van deze of gene wandaad die door christenen respectievelijk moslims is begaan. Dat maakt dit boek tot pure geld- en papierverspilling.
Wetenschappelijke kennis heeft het voordeel dat ze testbaar is. Natuurkundige theorieën kun je testen met experimenten, en de beweringen van islamologen kun je verifiëren door hun verwijzingen na te lopen. Sommige van Jansens beweringen zijn alleen door collega-arabisten te verifiëren, zoals zijn opmerking in Zelf koranlezen, dat de uitleg in Galalayns korancommentaar als het ware ingeweven in de oorspronkelijke tekst van het koranvers zou zijn (p. 40). Wie Galalayn erop naslaat, ziet onmiddellijk dat daar niets van klopt: korantekst en uitleg worden altijd duidelijk van elkaar onderscheiden, met zowel typografische als syntactische middelen: korancitaten worden met haken aangegeven en vet gedrukt, en uitleg wordt doorgaans ingeleid met het woordje ay, dat wil zeggen. Bovendien blijkt dat het citaat op dezelfde bladzijde, dat Jansen als de letterlijke bewoordingen van Galalayn presenteert, van alles uit het origineel weglaat. Andere beweringen van Jansen zijn echter voor iedereen eenvoudig na te gaan, gewoon door de koran erop na te slaan of wat op het internet rond te kijken; specialistische kennis is daar niet voor nodig. Het verbazingwekkende is dat dat niet vaker gebeurt.
Islam voor varkens enz. lijkt op het eerste gezicht een zinvollere exercitie dan Bombrieven, omdat het antwoorden geeft op allerlei vragen die bij leken over de islam spelen. Die antwoorden blijken echter al gauw van een bedenkelijk allooi. Het gaat al mis bij de titel: volgens Jansen maakt de koran ongelovigen uit voor varkens, apen en ezels; hij is zo behulpzaam om zelf zijn bewijsplaatsen daarvoor aan te geven. Wie echter de moeite neemt om die eens na te lopen, zal al gauw ontdekken dat die zijn beweringen in het geheel niet staven. Vers 2.65, 5.60 en 7.166 verwijzen naar specifieke ongelovigen die bij een specifieke gelegenheid door God in apen zouden zijn omgetoverd; 74.50 als waren zij opgeschrikte ezels/ die vluchten voor een/ woeste leeuw en 62.5 de gelijkenis van hen/ wie de Torah te dragen is/ gegeven en haar daarna niet/ hebben willen dragen is als de/ gelijkenis van de ezel/ die boeken draagt zijn geen scheldpartijen maar vergelijkingen. Bovendien gaat 62.5 niet over joden in het algemeen, maar over joden die hun eigen openbaring, de Torah, hebben afgewezen.* Op de middelbare school worden leerlingen al geacht te weten wat het onderscheid tussen beweringen en vergelijkingen is, maar aan Jansen is het blijkbaar niet besteed.
Irrelevant
Dezelfde fouten worden goeddeels herhaald in Zelf koranlezen, dat de pretentie heeft de beginnende lezer op weg te helpen bij deze veeleisende en dikwijls duistere tekst. Maar hoe behulpzaam is deze gids? In het tweede hoofdstuk neemt Jansen de lezer mee in een lange discussie over de diakritische punten in en grammaticale aspecten van de Arabische korantekst - kwesties die grotendeels irrelevant zijn voor degenen die de koran in vertaling lezen, en slechts een mist van geleerdheid opwerpen die een kritische blik op de rest van het boek kan belemmeren. Probleem is namelijk dat Jansen eerst het welbekende verhaal vertelt hoe duister en meerduidig de koranteksten op veel plaatsen is, maar verderop in zijn boek deze wijze lessen zelf weer volledig lijkt te vergeten. Zo bespreekt hij in hoofdstuk 7, Pijnlijke kwesties, allerlei koranpassages die zouden oproepen tot geweld tegen afvalligen en ongelovigen. Niet alleen doet Jansen voorkomen alsof de betrokken passages probleemloos vertaald en geduid kunnen worden, ook gaat hij hier zelf voor imam spelen: hij legt uit wat er werkelijk in de koran zou staan, en wat echte moslims daarom volgens hem zouden moeten doen. Dat is een ronduit fundamentalistische leeswijze, die zelfs door de radicaalste auteurs die Jansen aanhaalt niet wordt gevolgd.
Zo weet volgens hem elke moslim dat vers 2.256, in religie bestaat geen dwang, geabrogeerd zou zijn door het latere 9.5, doodt dan de genotengevers/ waar gij hen aantreft/ en grijpt hen. Hij beweert zelfs dat islamologen die er anders over denken mogelijk niet te goeder trouw zijn. Dit is pure bluf (en loze verdachtmaking van collegas): zelfs de door Jansen herhaaldelijk aangehaalde Sayyid Qutb heeft, ook in zijn radicaalste geschrift, al-maalim fi al-tariq, juist vers 2.256 hoog in zijn vaandel staan. Bovendien berust Jansens weergave van 9.5 op een serieuze tekstvervalsing: dat vers betreft namelijk een heel specifieke groep ongelovigen, te weten de genotengevers/ met wie gij/ een verbond hebt aangegaan (9.1); waarschijnlijk verwijst deze passage naar het verdrag dat Mohammed in 628 met de heidense Mekkanen van Hudaibiyya sloot. Door deze context weg te laten verdraait Jansen de betekenis van 9.5 radicaal.
Een nog ernstiger staaltje tekstvervalsing met verregaande gevolgen is Jansens lezing van vers 8.12, hakt dan in op de nekken van de ongelovigen. Hij schrijft in Zelf koranlezen op p. 184 dat dit vers een receptuur biedt voor het afslachten van godsdienstige tegenstanders. Ook hier wordt echter uit de omringende verzen duidelijk dat het hier geen receptuur betreft, maar de beschrijving van een specifieke gebeurtenis, te weten de slag bij Badr (624), waarin God deze oproep bovendien niet aan mensen maar aan engelen deed: onmiddellijk voorafgaand aan de woorden die Jansen aanhaalt staat namelijk: toen uw Heer openbaarde/ aan de engelen.
En ga zo maar door. Sommige fouten zijn zelfs van een zó elementair karakter dat je je afvraagt hoe Jansen ze in s hemelsnaam heeft kunnen maken. Of hij snapt de tekst van de koran niet, maar dan deugt hij niet als arabist; of hij zit zijn lezerspubliek willens en wetens te bedonderen, wat nog veel erger is. Of heeft hij zijn korancitaten soms zonder erbij na te denken ergens anders vandaan gehaald, bijvoorbeeld van één van de talloze anti-islamsites op het web? Of het nu onwetendheid is of oplichterij, het is ronduit verbazingwekkend dat Jansen niet of nauwelijks wordt aangesproken op zijn talrijke slordigheden en elementaire fouten.
Elke lezer, ook een journalist of eerstejaars student, kan nakijken of wat Jansen over de koran beweert wel klopt, simpelweg door de desbetreffende passages erop na te slaan en in hun bredere verband te lezen. Wie zich niet door een ideologische pro- of anti-islamitische stellingname laat verblinden, ziet dan al gauw dat Jansens werk op puur inhoudelijke en methodologische gronden niet deugt. Het stemt tot nadenken dat een man als Jansen zonder blikken of blozen de grootste nonsens over de koran als wetenschappelijke waarheid durft te presenteren; het stemt nog meer tot nadenken dat blijkbaar geen collega-arabist de moeite neemt om dergelijk prutswerk publiekelijk aan de kaak te stellen.
*Korancitaten komen uit de door Jaber en Jansen in hedendaags Nederlands omgezette vertaling van Kramers.
Michiel Leezenberg doceert filosofie aan de Universiteit van Amsterdam en is verbonden aan het MA-programma Islam in de moderne wereld. Dit stuk verscheen eerder in ZemZem 2008, nr. 2 (www.zemzem.org)
