Wie ben ik waar?
De Nederlandse belastingdienst zou zo maar kunnen concluderen dat ik lid ben van de onderwereld. Volgens het bevolkingsregister woon ik nog steeds in Mokum, maar ik ontvang daar salaris noch een uitkering. Ik verblijf inmiddels al weer geruime tijd aan de andere zijde van de evenaar, waar kinderen veelal straatzangers en bedelaars zijn.Sinds maandag 3 maart 2003 ben ik in Indonesië. Rond het middaguur arriveerde ik, begroet door een blakende zon en een file van onmenselijke proporties – drie uur duurde de eerste taxirit. Een rit waarin ook een liefde ontstond – voor Mei, inmiddels mijn echtgenote.
Voor deze stad, de megalopolis Jakarta geen liefde op het eerste (noch op het tweede) gezicht. Jakarta: een aaneenschakeling van gestapelde wegen met hoogbouw en shopping malls, er tussen door kampungs en sloppenwijken. Een zee van voertuigen schrijden voetstaps voort. Voetgangers zijn ongewild wild, schaarse vluchtheuvels vormen een sporadische toevlucht. De afstanden zijn te voet toch niet te overbruggen. En Jakarta is Jakarta, oververhitte twaalfbanige herrie. Het is een stad die lijkt te bestaan zonder stedelingen die van haar houden, zonder stedelingen die zich met haar identificeren. Kan Jakarta voortbestaan zonder Jakartanen?
De laatste maal dat ik Nederlandse klei onder mn voeten had was volgens mijn paspoort – mijn dagboek – ruim drie jaar geleden. Mijn paspoort is een verzameling stempels, handtekeningen en aantekingen. Pagina na pagina wordt mijn dagboek door bureaucratische mangels gehaald. Mn paspoort raakt ook wel eens zoek op reis tussen immigratiekantoor, politie, veiligheidsdienst, ministerie van onderwijs, ministerie van arbeid, tussen Jakarta en Bandung vice versa, en dit jaar-in-jaar-uit.
Soms geef ik wat extras, een fooi. Soms moet ik wat extras betalen, een boete om binnen de landsgrenzen te blijven. Tijdens het pingelen wordt me gebakken banaan en zwart-zoete koffie voorgehouden. Blijven glimlachen is het adagio. Alles om niet op een zwarte lijst terecht te komen. Vaak is het koddig. Desalniettemin bij tijd en wijle lastig om niet cynisch boos te worden. Tevens: Rusisch fatalisme in de tropen.
En toch, toch voel ik me thuis in Indonesië. Immers, liefde alleen overwint geen cynisme, geen fatalisme. Het land sijpelt door tot onder mijn huid. De herrie, de hitte, het stof, het vuil, de eeuwige filés in Jakarta en Bandung – de genoegens voor ons urbane junkies.
Heb ik ergens zonder het op te merken een grens overschreden? Ben ik een emigrant/immigrant geworden zonder ooit daadwerkelijk een beslissing genomen te hebben? Vertrokken als toerist en aangekomen als iemand anders.
Een emigrant/immigrant gaat ergens naar toe. Een emigrant/immigrant komt ergens aan. De emigrant/immigrant poogt de toekomst te kolonialiseren door zich een nieuwe plek eigen te maken. Zo een plek kan het exotische Heerlen zijn, met haar specifieke taal, zeden en gewoonten. Heerlen, mijn geboorteplaats, is gedurende de laatste eeuw tweemaal van gedaante veranderd. Door de vondst van steenkolen kwamen Hollanders en Italianen. En de laatste maal dat ik in Heerlen was was deze voormalige mijnstad nogmaals van gedaante veranderd door nieuwkomers uit Irak, Somalië en andere probleemgebieden van waaruit velen pogen te vluchten.
Maar ben ik een emigrant/immigrant? Ik heb nooit een beslissing tot migratie genomen. Nog steeds heb ik een adres in Amsterdam (waar nu al niet zo meer zo tijdelijk een Chinees woont). Daarbij komt dat ik me niet kan voorstellen permanent hier te blijven wonen. (Waar dan wel?) Het wekt vervreemding om altijd eerst als vreemdeling beschouwd te worden, een vreemdeling met een blanke huid en blauwe ogen (Belg in Holland, Hollander in de tropen).
Wortel schieten in nieuwe aarde is wellicht schier onmogelijk indien de belangrijkste deel-identiteit die van de vreemdeling is. Hier word ik menigmaal voor meneer bleekscheet uitgemaakt. De Joodse Pool Zygmunt Bauman schrijft dat de vreemdeling did not belong in the life-world initially, originally, from the start, since time immemorial, and so he questions the extemporality of the life-world, brings into relief the mere historicality of existence. Bauman concludeert dan dat de vreemdeling alleen tijdelijk kan blijven als vreemdeling opdat het bestaan weer geordend en veilig kan voortgaan.
Met tussenpozen zucht ik naar normaliteit. Niet in de zin van normaal versus abnormaal, rechtvaardig versus onrechtvaardig, mooi versus lelijk, efficiënt versus inefficiënt, goed versus slecht, en Indonesië is dan telkens de laatste. Met normaliteit bedoel ik datgene wat ik gewend ben, zonder erbij te hoeven nadenken. Hier bevraag ik alles, af-en-toe behoorlijk vermoeiend – en niet alleen voor mijzelf.
Ik ben een non-reiziger. Ik haat formulieren, paspoorten, visa, stempels, quota, verordeningen, vergunningen, toezeggingen, herbevestigingen, steekpenningen, boetes, termijnen, namen, titels, uniformen, tassen, verhuisdozen, doorzoekingen, fouilleringen, vermissingen, opsporingsverzoeken, en enzevoorts.
Heimwee kent vele gedaanten. De eerste strofe van Homo Ludens van de Indonesische dichter Sitok Srengenge luidt:
Om de wereld te ervaren
verlaat ik de vredige hemel
Wellicht hebben Sitok Srengenges woorden ook betrekking op mijn vertrek uit Nederland. Heimwee is een last die ik meedraag met een glimlach. Heimwee naar Nederland ken ik niet, verlangen naar een thuis wel (de wereld is immers niet enkel een immense bibliotheek, ik heb ook een bed, bureau, en boekenkast nodig – voorheen stelde ik dat mijn thuis daar is waar mijn boekenkast staat, inmiddels zijn mijn boeken verspreid over twee continenten en diverse steden).
De Argentijnse schrijver Jorge Luis Borges (1899-1986) zou zich hier eveneens thuis voelen. Woorden, bijvoorbeeld tafel, worden niet gebruikt om het bestaande te benoemen. Hier worden woorden gebruikt om het mogelijke uit te drukken, om naar het ideale te verwijzen. Dat is veilig, doet niemand zich zeer. Woorden als wellicht en misschien zijn standaard gebruik om rekening te houden met claims van tegenvoorbeelden – tropische logica alom.
Een tweede taal is nodig om het alledaagse te communiceren. Voor hen – de transmigranten – die deze taal verliezen op hun reis naar een ander eiland, naar een andere stad hebben geen voeling meer met de realiteit. Spraakverwarring is een alledaags verschijnsel. Vraag hier iemand naar zijn naam en hij vraagt of je bedoelt dat hij jou zijn naam moet vertellen.
Dit is het land van schier mogelijke onmogelijkheden. Hier wordt de werkelijkheid voor realiteit aangenomen enkel wanneer het past in een procrustesbed. Regels, decreten en wetten vormen een papieren werkelijkheid, een hinderlaag. Provincies en personen veranderen om de haverklap van naam. Contradicties worden met vele mantels der liefde bedekt. Het alledaagse wordt zo al snel fantastisch.
Inmiddels heb al zon vijfhonderd maal het traject Jakarta-Bandung afgelegd; elke boom en berg kan ik eigenhandig benoemen. Hier meten wij afstand in tijd. En reistijd is variabel. Meestal doe ik er rond de drie uur over (van West naar Oost Jakarta kan meer tijd in beslag nemen). Eenmaal was de reistijd zelfs dertien uur, dit in verband met een nogal gulle overstroming. Na aankomst gelukkig weer droge voeten, Mei en ik wonen in Jakarta op de zestiende verdieping. In Bandung vormt mijn kantoor op de kampus tevens slaapkamer (een lekkage daar wordt niet gerepareerd, het is geduldig wachten tot het regenseizoen weer voorbij is).
In de woorden van de Duitse socioloog Ulrich Beck ben ik een plaats polygamist. Amsterdam, Bandung en Jakarta zijn mijn steden (Heerlen is op de achtergrond, geen waterlanders voor de mijnstreek en Roda J.C.). Transnationaal in de zin dat ik iedere dag begin met het lezen van Nederlandse kranten (Balkenende en Wilders beginnen wel al behoorlijk exotisch te worden). Indonesië sluit Nederland niet uit. De wereld maakt deel uit van mijn biografie. Beck schrijft: For the notion that many lives in one must mean despair and impossibly high demands is a legend that place-monogamists use to shield themselves from the impositions of place-polygamists. Beck roept op tot een renaissance van cosmopolitisme.
Natuurlijk is plaats van belang voor identiteitsvorming. Maar mensen hebben geen wortels, wij verankeren onze identiteit niet in een bepaalde bodem, bijvoorbeeld in vruchtbare humus. De Nederlandse cosmopoliet en socioloog Abraham de Swaan stelt dat de natie een perron moet zijn van waar wij mogelijkerwijs de wereld kunnen bereizen.
Een onbegrensd verlangen naar vrijheid. Het overtreden van arbitraire grenzen (niet alleen de nabij gelegen Nieuwstraat/Neustrasse van mijn jeugd). Van eenduidigheid en congruentie naar veelvormigheid en hybridisatie. De nieuwe onduidelijkheid kan zeker tot meer onzekerheden, uitsluitingen en zelfs conflicten leiden. Maar duidelijkheid verordonneren waar slechts ambiguïteit bestaat, zal op de lange duur ondubbelzinnig tot grotere ongelukken leiden (Huntingtons clash of civlizations als een self-fulfilling prophesy).
De auteur woont in Jakarta en Bandung, in Bandung doceert hij filosofie en politieke theorie aan de Katholieke Parahyangan Universiteit. Zijn weblog: fatumbrutum.blogspot
