Burgers en brandstichters
Het woord 'leidcultuur' dook in Nederland in december 2002 voor het eerst op in de Volkskrant. Het kwam uit het Duits, waarschijnlijk langs een omweg door het Vlaams. Filip Dewinter van Vlaamsch Belang was er al langer verzot op. Het woord werd in Nederland, net overigens als in Duitsland, meteen ervaren als besmet. Minister-president Balkenende en andere nette Nederlanders hebben het liever over Nederlandse kernwaarden en –normen. Betogen en polemieken daarover waren al eerder als een veenbrand om zich heen gaan grijpen. Uit de as van nationale gêne en ostentatieve zelfdepreciatie op cultureel gebied Nederlanders lieten zich graag voorstaan op hun gebrek aan nationaal zelfbewustzijn is onverwachts een fenix opgerezen van zelfverzekerdheid en trots, cultureel, nationaal, en al even ostentatief. De vraag is, hoe dat eigenlijk komt.Voorstellingen van Nederlandse kernwaarden en -normen wordt doorgaans geplaatst tegenover voorstellingen van multiculturaliteit. Nederland is door immigratie multicultureel zijn geworden daarvan waren politici, experts en ook mensen in de straat eerder vrij breed overtuigd geraakt. Juist daarom is de vraag zo interessant waar de plotse omslag vandaan is gekomen in het publieke vertoog in Nederland als het gaat over migranten, over hun cultuur, over hun geloof, en over de Nederlandse cultuur? En waar komt het kwade daglicht vandaan waarin multiculturaliteit is komen te staan?
Migratie wereldwijd
Na de toestroom van Belgische vluchtelingen tijdens Eerste Wereldoorlog gingen migratiestromen decennia lang aan Nederland voorbij. Vanaf de jaren zeventig van de twintigste eeuw zijn migratiestromen echter toegenomen en meer wereldwijd geworden. Dat had vier oorzaken of althans aanjagende dynamieken. In de twintigste eeuw is de kloof tussen rijke en arme landen gestaag groter geworden. Sommige arme landen zijn ook absoluut gezien in levensstandaard achteruit gegaan. De pull-factor vanuit rijke landen: de aantrekking door de westerse welvaartswereld, is krachtiger geworden. De push-factor uit de absoluut verarmde landen is ook krachtiger geworden: de verdrijving door armoede en hongersnood.
Daarbij zijn alle rijke, westerse landen in de twintigste eeuw gegaan door de zogenoemde demografische transitie en beland in het stadium van lage sterftecijfers, lage geboortecijfers, een stabiele of zelfs krimpende bevolkingsomvang en een oude of althans verouderende bevolkingssamenstelling. Dat kon door hun groeiende rijkdom, die zich in de negentiende eeuw vertaalde in onderwijs, publieke hygiëne en openbare gezondheidszorg en in de twintigste eeuw in sociale zekerheid. Individuele en collectieve welvaart maakte de luxe van een laag kindertal mogelijk. Arme, niet-westerse, vooral Afrikaanse landen daarentegen dreigen te blijven steken midden in diezelfde demografische overgang. Ook zij zien sterftecijfers dalen niet door publieke hygiëne en openbare gezondheidszorg maar door curatieve geneeskunde: de antibiotica. Maar zij zien geboortecijfers niet dalen. In de strijd om het bestaan blijft de bevolking, bij gebrek aan vooral sociale zekerheid, aangewezen op een hoog kindertal.
De resultante van deze twee ontwikkelingen is een demografische tweedeling van de wereldbevolking. De westerse wereld heeft een stabiele of zelfs krimpende en tevens verouderende bevolking. De niet-westerse wereld heeft een groeiende en relatief jonge bevolking. Op dit laatste, groeiende aantal mensen werken dus de genoemde uitdrijvende of push-factoren van armoede en uitzichtloosheid, en de aantrekkende of pull-factoren van rijkdom en onbegrensde mogelijkheden. Go West (or North), Young Man! Ook al, omdat de mondialisering van de communicatiemiddelen: radio, satelliet-televisie en internet, de beloftes en verlokkingen van het rijke Westen tot in de verste uithoeken van de wereld verspreidt. Nooit eerder konden arme mensen, waar ook ter wereld zich zon nauwkeurig beeld vormen, in kleur, van het leven en de welvaart van rijke mensen, waar ook ter wereld.
En ook nog eens, omdat de transportrevolutie in onze tijd definitief wereldwijd is geworden. Er is geen bestemming in de wereld die niet vanaf Schiphol voor maximaal zeg 2000 Euro is te bereiken. Als er ginds maar een vliegveld is natuurlijk, en dat is er steeds vaker. Vanuit Afganistan of Sierra-Leone, per vrachtwagen of zeecontainer, kan het in principe nog goedkoper. Maar autoriteiten moeten worden omgekocht en controles ontweken, en daardoor is het juist duurder. Een voorbeeld van het Mattheus-effect: wij zijn rijker dan zij, en we reizen ook nog eens goedkoper. Toch wordt het voor steeds meer mensen in de wereld mogelijk om van een arm naar een rijker land te reizen. Migratiestromen gaan intussen zelden rechtstreeks van zeer arme naar zeer rijke landen. De meeste mensen migreren van zeer arme naar wat minder arme landen, van minder arme landen naar wat rijkere landen, en van wat rijkere landen naar echt rijke landen. De grote meerderheid van vluchtelingen in de wereld wordt opgevangen door net-wat-minder arme landen, die als buffer en cordon sanitaire fungeren voor de rijke westerse wereld.
Immigratie in Nederland
Zoals gezegd was Nederland na de Eerste Wereldoorlog wat migratie betreft in den dut geraakt. Het werd ongaarne wakker. Chinese zeelieden werden gedoogd zolang hun aanwezigheid zich beperkte tot de Binnen-Bantammerstraat en omgeving in Amsterdam of Katendrecht in Rotterdam. Joodse vluchtelingen uit Nazi-Duitsland werden geweerd. Hun werd onder meer voorgehouden dat men... het anti-semitisme in Nederland niet wilde aanwakkeren. Repatrianten uit Nederlands-Indië werden wèl opgenomen, omdat ze de Nederlandse nationaliteit hadden, voortreffelijk Nederlands spraken en zich ook zo keurig invoegden in de Nederlandse samenleving. Voor de vrij weinige Surinamers die vóór de jaren zeventig naar Nederland overkwamen gold iets dergelijks. Ze bleken bovendien, anders dan sommige Nederlanders aanvankelijk dachten, niet af te geven. Echte vreemdelingen kwamen pas weer over de vloer in de jaren zestig, als 'gastarbeiders'. Visite en vis blijven drie dagen lang fris. Het sprak dus vanzelf dat zij de beleefdheid zouden hebben om ook weer te vertrekken naar Spanje, Portugal, Italië en Griekenland. Dat deden de meesten van hen ook, vooral toen de economische vooruitzichten in die landen verbeterden.
Pas de tweede golf gastarbeiders uit de gangbaar geworden uitdrukking blijkt al een veranderende sensibiliteit goeddeels afkomstig uit Turkije en Marokko, vestigde zich in Nederland. Precies: omdat de economische vooruitzichten in Turkije en Marokko níet erg verbeterden. En ook omdat Nederland een veel beter sociaal vangnet bleek te hebben dan deze landen van herkomst. Dat was belangrijk, omdat de banen waarvoor gastarbeiders waren geworven als sneeuw voor de zon verdwenen met de de-industrialisering van Nederland. In dezelfde tijd kwamen Surinaamse Nederlanders naar Holland over. Gesteld voor de keuze tussen Surinaams en Nederlands staatburgerschap, kozen velen voor het laatste. In de jaren tachtig zou bovendien een onregelmatige maar tot halverwege de jaren negentig gemiddeld groeiende instroom van vluchtelingen of asielzoekers op gang komen. Zij kwamen uit alle windstreken.
Minderhedenbeleid
Al in de jaren zeventig steeg de werkloosheid in Nederland snel, van vier procent van de beroepsbevolking in 1975 tot twaalf procent in 1983. Deze werkloosheid zou maar langzaam gaan dalen. Het Nederlandse minderhedenbeleid, allochtonenbeleid, integratiebeleid, immigratiebeleid of inburgeringsbeleid het verschuivende vocabulaire verraadt een gedurig ongemak heeft vorm gekregen onder deze conjunctuur. Aanvankelijk werden op de viermastbark Verzorgingsstaat alle zeilen bijgezet: sociale zekerheid, onderwijs, welzijnswerk, interculturele educatie, bestrijding van discriminatie en racisme. Het hielp allemaal een beetje, en het gaf allochtonen vertrouwen in de Nederlandse overheid en in de autochtone Nederlanders. Hartelijk waren Nederlanders niet, maar fatsoenlijk en betrouwbaar wel.
Toch hielp het onvoldoende om de werkloosheid juist onder allochtonen terug te dringen. Daarom, en omdat de viermastbark zeil moest minderen in de storm van de mondiale economische recessie en ballast overboord moest zetten in de daarop volgende opleving, kwam in de jaren negentig de nadruk te liggen op de arbeidsmarkt, ook in het allochtonenbeleid. Weg onderwijs in eigen taal en cultuur, weg categoriaal welzijnswerk. De gerichtheid op Werk, werk en nog eens werk (Wim Kok) kwam, samen met het herstel van de economie en het functioneren van de job machine, in de eerste plaats ten goede aan autochtone Nederlanders, in het bijzonder aan vrouwen onder hen, die in groten getale de arbeidmarkt betraden. Maar allochtonen profiteerden mee: met vertraging begonnen ook onder hen werkloosheidscijfers terug te lopen. De kinderen van immigranten, allochtonen van de tweede generatie, begonnen het in het Nederlands onderwijs langzaam beter te doen.
Welvarend en toch bang
Toch bleef er onvrede in de Nederlandse samenleving, vooral onder de autochtonen. Onvrede met de toestand van die samenleving in het algemeen, èn onvrede met allochtonen, asielzoekers, moslims en andere nieuwkomers. Het lijkt erop dat autochtone Nederlanders hun onvrede zijn gaan projecteren op allochtone Nederlanders en medelanders. Daarover zo meteen. Eerst: waar kwam en waar komt die onvrede vandaan? Nederlanders zijn in de jaren negentig snel rijker geworden, maar niet iedereen evenzeer. De inkomens- en vermogensverschillen zijn groter geworden. Sommige bevolkingsgroepen zijn zelfs in koopkracht achteruitgegaan, terwijl zij moesten toezien hoe andere bevolkingsgroepen snel rijker en nog rijker werden. De welvaart is labieler geworden. Meer mensen dan ooit tevoren wonen in een eigen huis, en meestal staat dat op hypotheek. Via die hypotheek, en ook via pensioenfonds en particulier aandelenbezit, zijn individuen en huishoudens meer dan ooit verbonden met de financiële wereldmarkt. De economen Servaas Storm en Ro Naastepad spreken over de stock-marketization of household wealth.
De arbeidsmarkt is onherbergzamer en harder geworden. De werkgelegenheid is weliswaar gegroeid, maar daar zitten veel laag betaalde en flexibele lees: onzekere banen bij. Mede door deregulering van de arbeidsmarkt en vermindering van ontslagbescherming is de baancompetitie scherper geworden. Er vindt op grote schaal verdringing plaats: de emmer wordt naar beneden toe doorgegeven. En mensen die wel een goede baan hebben moeten harder werken en ze rapporteren hogere niveaus van stress. Werknemers staan zwakker tegenover werkgevers dan ze vroeger deden. Door de economische mondialisering zijn werkgevers immers footloose geworden. Ze kunnen hun kapitaal en hun bedrijf opnemen en in een ander land plaatsen, waar de werknemers goedkoper en docieler zijn.
De verzorgingsstaat lijkt nu echt te worden afgebroken. Arrangementen worden geprivatiseerd, uitkeringen verlaagd, rechten ingeperkt of geschrapt, uitkeringsontvangers opnieuw gekeurd. Misschien wordt de AOW wel afgeschaft. De ontwikkeling betekent een de-collectivisering van sociale zekerheid, en dus van bestaanszekerheid. De de-collectivisering gaat hand in hand met een meer algemene individualisering in de samenleving. Ze wordt daar trouwens vaak mee gelegitimeerd. Mensen willen niet meer van de wieg tot het graf verzorgd worden, zo menen politici te weten. En hup! daar schaffen ze alweer een overheidsvoorziening af. De man en vrouw in de straat blijven voorstanders van collectieve voorzieningen, zo blijkt uit onderzoek. Maar naar hen wordt door politici selectief geluisterd.
Wel is waar dat mensen individualiseren. Meer dan ooit tevoren vatten mensen hun eigen leven op als een project waarvan het welslagen afhankelijk is van eigen aanleg en inspanning, in plaats van geboorte, klasse of geslacht. Deze meritocratisering is aangenaam voor wie slaagt in de vormgeving van zijn of haar project die heeft het succes aan zichzelf te danken maar onaangenaam voor wie daar niet in slaagt. Die faalt, in de volle, morele en in dit geval zelf-veroordelende betekenis van het woord. Succes is relatief. Er lopen dus heel wat individuele verliezers of losers rond. En zelfs de winnaars kunnen niet gerust slapen. Zoals de antropoloog Jules Henry heeft opgemerkt: De prijs van slagen is dat je moet dromen van falen. Bovengenoemde ontwikkelingen kunnen onder één noemer worden gebracht: een individualisering van bestaansrisicos in zowel sociale als psychische zin. Het leven in Nederland is voor velen rijker geworden, voor sommigen armer, en voor bijna allen meer onzeker.
De immigratie gaat door
Konden autochtone Nederlanders aanvankelijk nog denken dat de wederzijdse acculturatie van nieuwkomers en gevestigden op afzienbare termijn haar voltooiing zou vinden, waarop ieder weer s morgens zou kunnen gaan jagen en s middags vissen (courtesy Karl Marx), de werkelijkheid was anders. De immigratie ging gewoon door. Aanvankelijk door gezinshereniging, later door huwelijk, blijft een gestage stroom van kettingmigratie Nederland binnenkomen. De instroom van asielzoekers kwam daar bovenop. Aan de taak van acculturatie bleek voorlopig geen einde te komen.
De uitkristallisering van Surinaamse, Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse en andere gemeenschappen binnen Nederland bracht nog drie andere dingen met zich mee. Deze gemeenschappen zijn tot op zekere hoogte deel gaan uitmaken van transnationale samenlevingen waarin mensen soms een dubbele nationaliteit hebben en veel vaker een dubbele loyaliteit. Immigrantengemeenschappen in Nederland zijn een schuilplaats gaan vormen voor georganiseerde misdaad. En ze zijn een voedingsbodem gaan opleveren voor georganiseerd of althans orkestreerd religieus extremisme. Merk op: al deze drie verschijnselen zijn internationaal of transnationaal van karakter. Transnationale criminaliteit en religieus extremisme zijn zichtbaar en verontrustend geworden. Bij associatie maken ze de dubbele loyaliteiten ook van gematigde, de wet respecterende migranten verdacht. En ze geven minder welwillende autochtonen een stok om de hond te slaan.
Vreemdelingenhaat en rituele solidariteit
De omslag in het politieke en publieke klimaat jegens immigranten in Nederland in het begin van de jaren tweeduizend is te begrijpen tegen boven geschetste achtergronden. De individualisering van bestaansrisico's maakt mensen angstig en hun angst neemt licht de vorm aan van xenofobie. Daar is weinig meer voor nodig dan die angst zelf en een handjevol buitenstaanders. Ontbreken die laatsten, dan wijzen gevestigden ze zelf wel aan uit eigen kring. Denk aan Nazi-Duitsland, de Sovjet-Unie onder Stalin, Rwanda. Er bestaat een uitgebreide sociaal-wetenschappelijke literatuur over de socio- en psychodynamiek van vreemdelingenhaat. Abram de Swaan heeft daar in een opstel over Rwanda (herdrukt in Bakens in niemandsland, 2007) een gecondenseerde samenvatting van gegeven. Emile Durkheim heeft er al op gewezen dat een negatief ritueel, bijvoorbeeld bestraffing of roddel, de mensen die eraan deelnemen verbroedert. Het vermindert het gevoel van anomie en bevordert de solidariteit behalve dan natuurlijk met de mensen die er het mikpunt van zijn. Norbert Elias heeft een vergelijkbare analyse gemaakt van de verhouding tussen gevestigden en buitenstaanders, waarin het in- en uitsluitingsmechanisme van de roddel een centrale rol speelt (Gevestigden en buitenstaanders, 2005). En Anil Ramdas heeft laten zien hoe de verhouding tussen autochtonen en allochtonen in Nederland dezelfde dynamiek heeft gekregen (NRC Handelsblad, 31 januari 2005).
Brandstichters
Bestaansonzekerheid en sluimerende onvrede zijn noodzakelijke maar nog geen voldoende voorwaarden voor xenofobie. Een smeulend vuur laait pas op tot een bosbrand als het wordt aangewakkerd en krijgt dan pas richting. Wie waren de brandstichters of althans degenen die het smeulende vuur hebben aangeblazen? Ik zie drie groepen moral entrepreneurs. In de eerste plaats politici. In het tijdperk van de zwevende kiezer zijn zij meer dan ooit tevoren op zoek naar uitbreiding van hun achterban. Het is het talent van Pim Fortuyn geweest dat hij heeft gezien dat in Nederland een heel publiek geen spreekbuis had, en dat hij trefzeker de thematiek en het vocabulaire heeft gevonden om daar een achterban van te maken. Die thematiek en dat vocabulaire gaven stem aan rancuneus-revanchistische gevoelens onder de Nederlandse bevolking. Na zijn dood en na de deconfiture van de LPF hebben de gevestigde politieke partijen gestreden om Fortuyns politieke erfenis en zijn electoraat. Geert Wilders en Rita Verdonk zijn er uiteindelijk mee vandoor gegaan.
In de tweede plaats journalisten. Door het openbreken van het publieke omroepbestel en de groei van de commerciele televisie, en ook door de hevige concurrentie binnen de dag- en weekbladpers, heeft de journalistiek in Nederland een meer dramatiserende en vulgariserende toon gekregen. If it bleeds, it leads, zo geldt in Amerika. Ook in Nederland kennen we inmiddels reality tv en een reeks van andere vulgaire maar kijkcijferverhogende programmagenres. Tussen politici als Pim Fortuyn, Ayaan Hirschi Ali en Geert Wilders aan de ene kant, en media als De Telegraaf, maar ook de Volkskrant, Elsevier, HP/De Tijd en actualiteitenrubrieken als Nova aan de andere kant, bestaat een symbiose of althans belangencollusie. De partijen hebben elkaar meer dan ooit nodig en ze ruilen statements met nieuwswaarde uit voor aandacht. Dat is niet nieuw. Nieuw is wel, althans voor Nederland, de nauwe verstrengeling binnen dit politiek-publicitair complex.
In de derde plaats onze eigen 'grote intellectuelen in een klein land' (een karakterisering van Johan Heilbron), de columnisten. Geen land ter wereld heeft er zo veel per krant en per duizend inwoners als Nederland. De kakafonie van hun meningen ontneemt ons soms het zicht op de werkelijkheid. Ze hebben maar één gezamenlijk belang: ongebreidelde vrijheid van schrijven en desgewenst schelden. Dat verklaart dunkt me de verrassende eensgezindheid in hun overigens zo hetrogene kring na de moord op Theo van Gogh. Niets in Nederland hoeft heilig te zijn niets mag zelfs heilig zijn behalve het vrije woord. Maar weinig columnisten hebben afstand genomen van deze karikatuur van de vrijheid van meningsuiting en van de posthume heiligverklaring van Van Gogh.
Morele paniek
Er bestaat in de sociale wetenschap een term voor de toestand waarin we ons nu bevinden: morele paniek. Een morele paniek is een heftige, door massamedia uitvergrote maatschappelijke reactie op een als verontrustend gepercipieerd verschijnsel dat, wanneer de paniek weer is gezakt, veel minder verontrustend blijkt te zijn dan het leek¬. Morele paniek heeft meestal weinig te maken met het object ervan, zo leren gevalsstudies telkens opnieuw, maar veel met de conjunctuur van onvrede in een samenleving en met de manier waarop media op die onvrede inspelen. Het boek waarin de term voor het eerst gebruikt werd heette Folk Devils and Moral Panics, geschreven in 1972 door de criminoloog Stanley Cohen. Moslims zijn in Nederland nu de 'folk devils'. Zoals J.A.A. van Doorn schreef: Destijds waren het de katholieken, nu zijn het de moslims, in beide gevallen als achterlijk gekarakteriseerd, vreemde gasten bovendien met vreemde gewoonten, zoals de hebbelijkheid van sommige mannen om in lange gewaden rond te gaan (NRC Handelsblad, 10 december 2005)
De angst voor moslims drijft autochtonen naar elkaar toe en doet dezen zoeken naar houvast aan hun eigen 'leidcultuur' en aan nationale canons van de geschiedenis, van de literatuur, van Nederlands burgerschap. Maar die canons zijn, zo weten we, constructies van historici, literatuurwetenschappers en rechtsgeleerden. Voor zover ze worden afgekondigd voor algemeen gebruik door het gewone volk zijn het invented traditions, uitvindingen en heruitvindingen van het verleden ten dienste van het heden. Het meest interessante eraan is meestal de vraag waarom ze op een bepaald moment worden gemobiliseerd.
Een dubbele vertrouwensbreuk
Voor moslims in Nederland is deze situatie intussen weinig benijdenswaard. 'Als mensen situaties als werkelijk definiëren,' schreef W.I. Thomas, 'zijn zij werkelijk in hun consequenties.' De consequenties van de morele paniek over de Islam en over immigranten zijn voor moslims in Nederland schokkend. Ze ondergraven het vertrouwen dat ze eerder nog konden hebben in autochtone Nederlanders, in niet-moslims, in Nederlandse politici, in de Nederlandse overheid, die ook hun overheid is of althans zou moeten zijn. Zij voelen zich in Nederland minder veilig dan voorheen. Op de eerder door Pim Fortuyn en anderen aangewakkerde vertrouwensbreuk tussen delen van de autochtone bevolking en het autochtone politieke establishment volgde dus een tweede vertrouwensbreuk, nu tussen het allochtone en autochtone deel van de bevolking. Daarmee is een spiraal van wederzijds wantrouwen in gang gezet.
De multiculturele samenleving
Hoe kan het wederzijds vertrouwen weer worden hersteld? Morele paniek op kleinere schaal ebt meestal vanzelf weer weg. Maar dit is een morele paniek op nationale schaal, die bovendien is ingebed in een paniek op westerse-wereldschaal. En daartegenover staat een andere paniek en dito vertekening, die van het occidentalisme in delen van de Arabische en Aziatische wereld. Zij maken op hun beurt het Westen tot hun 'folk devil', thank you very much! Wat Bush en Bin Laden elkaar en ons aandoen hebben Nederlanders niet in de hand. Wat Nederlanders elkaar en zichzelf - onszelf – aandoen wel, of althans een beetje. Het lijkt mij duidelijk wat zij, wij, niet moeten doen. 'Wie Nederland wil omvormen tot een culturele vesting,' schreef Geert Mak, 'reduceert de ingewikkelde tijd waarin we leven tot één grote angstfantasie.' In plaats daarvan moeten allochtonen, uit Marokko, uit Ghana of van elders afkomstig, en autochtonen als je het aan Amsterdammers vraagt zijn dat alleen: Amsterdammers de uitdagingen van de eenentwintigste eeuw open tegemoet treden. En ook de gevaren daarvan. Vandaar de titel van Maks pamflet uit 2005: Wij zijn gedoemd tot kwetsbaarheid.
De historicus Piet de Rooy heeft een subtiele geschiedenis geschreven van Nederland sinds 1813. De titel luidt: Republiek van rivaliteiten (2005). Nederland is eigenlijk nooit een hechte eenheid geweest. De tegenstellingen tussen steden en streken tot en met de achttiende eeuw en die tussen zuilen in de negentiende en twintigste eeuw zorgden voor aanhoudende rivaliteiten. 'De nationale eenheid bleef daarbij bijna achteloos behouden,' zo merkt De Rooy op. Dat is vier en een halve eeuw goed gegaan en ik zie niet in waarom het niet goed zou kunnen blijven gaan. Daarvoor is nodig dat wij, in plaats van te vluchten in een vermeende 'eigen' cultuur, opnieuw en alsnog ernst maken met het ideaal en vooral met de praktijk van een multiculturele samenleving en dus van een wereldcultuur. Het probleem van de multiculturele samenleving is niet dat zij niet bestaat, maar dat zij nog niet genoeg bestaat.
Geert de Vries is hoofddocent Sociologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Faculteit Sociale Wetenschappen, Afdeling Sociologie. E-mail: gc.de.vries@fsw.vu.nl
