De behoefte aan rotzooi
Wat mij betreft liever geen libertair paternalisme, links moraliseren of erotisch beschavingsoffensief. Paternalisme, het streven burgers tegen zichzelf te beschermen, hoeft niet altijd afgewezen te worden. Zie het klassieke voorbeeld van de verplichte autogordel. Het is een teken van beschaving dat we psychiatrische patiënten die zichzelf levensgevaarlijk verwaarlozen eventueel dwingend te hulp schieten. Maar vanuit een liberaal oogpunt is paternalisme altijd problematisch, omdat het toebrengen van schade aan jezelf niet immoreel is. Dwingend beschermend ingrijpen dient dan ook altijd aan strikte grenzen gebonden te blijven. Het te vermijden schaderisico moet zeer groot zijn, en dan nog moet dat afgewogen worden tegen de inbreuk op de vrijheid van het door het verbod getroffen individu.Onder moraliseren kunnen we verstaan het aanspreken van burgers op de immoraliteit van hun gedrag. Dat kan noodzakelijk zijn, namelijk wanneer burgers anderen blootstellen aan onterechte dwang of onaanvaardbare schade toebrengen. Maar als het met gulzigheid wordt omarmd en tot leidend beginsel wordt gemaakt, ontaardt moraliseren snel in veroordeling van gedrag waar bij nadere beschouwing eigenlijk niets mis mee is. De moralist veroordeelt levensstijlen die niet naar zijn smaak zijn, en rekt daartoe de liberale schade- en vrijheidsbeginselen naar believen op.
Ik heb geen bezwaar tegen vliegen. Het vliegverkeer brengt het milieu schade toe, zodat beperkend ingrijpen onvermijdelijk zou kunnen worden. Dat laat echter onverlet dat de explosie van het vliegverkeer op zichzelf een fantastische ontwikkeling is, deel van het grootste internationaliseringsproces uit de geschiedenis. Ik heb ook geen bezwaar tegen de Hummer-cultuur. Deze voertuigen belasten onze dampkring zodanig dat we ze mogelijk van de weg zullen moeten halen, maar dat is dan helaas. Van mijn zijde geen culturele kritiek op hen die graag rijden in een auto ter grootte van een Sherman-tank. Je mag hen patsers noemen, maar ik heb geen bezwaar tegen patsers. Kort gezegd: laten we ons moraliseren beperken tot de eventuele negatieve effecten van levensstijlen, in plaats van die levensstijlen zelf onder vuur te nemen.
Het nieuwe paternalisme volgt een vast patroon, namelijk het bestrijden van beperkte problemen met generieke maatregelen. Een groeiende groep jongeren blijkt veertig bier per avond naar binnen te slaan. Dit verontrustende gegeven wordt in een grote toverketel gegoten en drie weken later hebben we plotseling met elkaar afgesproken dat personen onder de zestien geen druppel meer mogen drinken. Groepjes kinderen misdragen zich op straat. Na enige hektiek blijkt Nederland plots van oordeel dat alle jongeren onder de twaalf s avonds van straat gehaald mogen worden door het bevoegd gezag. Ik bespeur een verborgen agenda om oude normen te herstellen. Onder het mom van de bestrijding van risicogedrag wordt om het eigenlijke schadelijke gedrag heen een omvangrijke lege zone geschapen, waarin veel meer verboden is dan dat waarover het debat begon. Ik pleit ervoor het doel klein te houden en alleen dat aan te pakken wat echt onaanvaardbaar is.
De linkse paternalisten zien een zwakke mens: de meerderheid kan niet omgaan met drugs of met porno en moet daartegen in bescherming genomen worden. Het door hen gekoesterde beeld van de te beschermen zwakke mens lijkt als twee druppels water op de te beteugelen mens van het klassieke conservatisme. Mijns inziens is het niet slechts de vijf procent (een kleine minderheid van titanische grachtengordelbewoners) maar de 95 procent (de overgrote meerderheid van de bevolking) die heel goed met de normale verleidingen van het leven kan omgaan.
Het linkse moralisme grijpt terug op de oude traditie van volksverheffing en social engineering, de maakbare samenleving. Ik zie vier thesen telkens terugkeren in links-moralistische pleidooien. De eerste is die van het primaat van de gezondheid. In dit vertoog, waarin het schadebeginsel wordt verabsoluteerd, zijn slecht en ongezond simpelweg identieke begrippen en is plezier geen legitiem argument. Wat ongezond is maar wel leuk mag toch niet. Het mag het individu niet worden toegestaan om in naam van het plezier te kiezen voor het lopen van een risico. De opiumwet, die in zijn geheel dient te verdwijnen, is het grote monument van deze angstige mentaliteit.
Het tweede beginsel is dat van de repressieve bescherming: de neiging een groep als zo zwak te zien dat hen iets verboden of onmogelijk gemaakt moet worden, en wel omdat hun ogenschijnlijk vrije wilsexpressie in werkelijkheid niet als zodanig beschouwd zou mogen worden. De wet die seks in zorgrelaties strafbaar stelt (artikel 249) gaat ervan uit dat patiënten stumpers zijn, per definitie ontoerekingsvatbaar. De slechte jeugd van veel prostituees zou betekenen dat hun keus voor dit beroep dus niet als een vrije beschouwd zou mogen worden. Drugsgebruikers kunnen zich niet beroepen op hun vrije keuze, want als verslaafden zouden zij daarover niet meer beschikken.
Het beoordelen en veroordelen van fantasieën: postmodern links heeft er een onaangenaam handje van om te eisen dat de verbeelding aan dezelfde eisen voldoet als de realiteit. Omdat man en vrouw in de samenleving gelijkwaardig dienen te worden behandeld, zou dat in pornofilms ook het geval moeten zijn. Een film met een verkeerde strekking is verkeerd. Ik zie dat anders. Veel van onze fantasieën zijn duister en verre van gelijkwaardig, en zolang het fantasieën blijven is er geen probleem als deze verbeeld worden. Daar wordt niemand door geschaad. Pornofilms hoeven niet gelijkwaardig te zijn, alleen aan de productie ervan moet deze eis worden gesteld.
Tot slot speelt de afkeer van de commercie, die sinds Adorno en Marcuse met dwang in plaats van vrijheid wordt geassocieerd, antikapitalistisch links parten. Links kent een niet te onderdrukken elitair verlangen naar het bestrijden van rotzooi. Ten behoeve van de volksverheffing hoopt men laagwaardige cultuur aan banden te leggen en in te perken. Ik vind dat een ongewenst streven. Mijn hypothese is dat wij allen een forse behoefte aan rotzooi hebben. Daar is niets mis mee. Ik heb geen behoefte aan kritiek op de automatiek; het is mij bekend dat kroketten geen haute cuisine zijn. Hoog en laag tellen op: een prettige cultuur waar men zich thuis voelt draait om een mooie geciviliseerde kern, waar men iets van opsteekt en mee verder komt, aangevuld met een stevige dosis rommel.
Erik van Ree is verbonden aan het instituut voor Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam
