Africa is Here!
Twee jaar maar was ik weg en de stad was veranderd. Toen ik eind 2003 uit Afrika terugkwam naar Amsterdam hadden blinde muren elektronische ogen gekregen. Beveiligers bewaakten wat vroeger geen bescherming nodig had: de dokter op de spoedeisende hulp of de behas van de HEMA. Verpleeghuisdirecteuren laten bejaarden in hun poep zitten en verdienen daar tonnen mee. In de tussentijd was er een politieke moord gepleegd en werd op het Binnenhof onbeschaamd gescholden, soms geslagen.Het meest was ik getroffen door de verandering in mijn sauna. Op de deur zat een plakkaat gespijkerd. Dat zei in vriendelijke maar niet mis te verstane woorden dat kijken daar seksuele intimidatie was. Wie daarvan beschuldigd werd, moest de sauna verlaten.
Die waarschuwing was gek. Mijn sauna was er een van oud-krakers, en de vrije en anarchistische mens heeft een afkeer van regels.
Hier was iets mis. In de tijd dat ik weg was, bleek er iets subtiels kapotgegaan, een ingewikkelde omgangsvorm die zich nergens beter laat kennen dan op een van de meest vrije plekken van Amsterdam: de naturistische krakerssauna.
Voor mijn vertrek werd hier een hoogmis voor het alternatieve gevierd. Het saunapersoneel bestond uit vrijwilligers, de yogithee kostte een kwartje, de masseur gaf bijstandsmoeders korting. Het rook er naar eucalyptus, wierook en hasj. Mannen speelden schaak, de sauna was goed heet en de sfeer was er een van alles moet kunnen.
Natuurlijk wisten we dat juist in een sauna niet alles mag. Gemengd bloot vraagt om terughoudendheid. Je ogen zijn open, maar je kijkt niet. Het is ingewikkelder: als je wel iets ziet -- genoeg tribale versieringen als blikvanger -- laat je dat niet merken. Het is de kunst van ziende blind zijn.
Wat was er gebeurd? Er waren mannen naar de sauna gekomen die naar vrouwen gingen zitten loeren. Die mannen keken niet alleen, ze vielen de vrouwen ook lastig en joegen hen de sauna uit. Dat was al begonnen voordat ik naar Rwanda vertrok. Toen ik op een mat een dutje wilde doen, werd me een massage aangeboden. Daar was geen wet overtreden, maar met mijn vrijheid was het gedaan.
Het bestuur van de sauna zat klem. Een jaar lang werd in vergaderingen de ene vrijheid tegen de andere gewogen. Om de seksist en zijn intimidatie te weren, kwam er een verbod. De sauna zag zich gedwongen de eigen ziel te verminken -- en zo kwam op de buitendeur die waarschuwing.
Wat resteert, is een vermeend vrije ruimte. We doen alsof we vrij zijn, maar dat zijn we niet meer. Zie de geboden en verboden aan de muur. Niet kijken. Geen bikinis. Geen badjassen. Geen massage buiten het massagehok. Het enige dat mag is echt en onaangeraakt naakt. Maar dat bloot is voor niemand meer ongedwongen of vanzelfsprekend.
De open samenleving in miniatuur
Het verhaal van de krakersauna is meer dan het relaas van een instelling die besluit de regels eens goed uit te leggen. Meer ook dan het drama van de anarchist die naar een etiquette verlangt. Ik besefte dat de sauna een metafoor is voor een plek waar de vrijheid vakmanschap vraagt -- het is de open samenleving in miniatuur. En toen ik dat zag, kreeg ik twee dingen scherp in het vizier.
Allereerst: dat vrijheid niet vrij is van beperkingen. Vrijheid veronderstelt een fijnmazig en moeilijk raamwerk van misschien ongeschreven, maar wel strikte codes en voorschriften. Juist op de plekken met grote persoonlijke vrijheid moet het voor iedereen duidelijk zijn dat lang niet alles kan.
Zo is ook politieke macht allereerst ingeperkt door zelfcontrole. Een politicus mag zijn professionele connecties niet gebruiken om iets voor zichzelf of zijn naasten te regelen (een kaartje voor Ajax, een bouwvergunning), ook niet als dat binnen de wet gebeurt. Een bestuurder zou gevoel moeten hebben voor buitensporig zakelijk gewin. Zo ook de verpleeghuisdirecteur die van de zorg een bende heeft gemaakt: die zou met gepaste gêne moeten afzien van zijn vertrekbonus van een miljoen euro.
Persoonlijke verlangens en lusten mogen de vrijheid van een ander niet schaden. De bronstige saunagast kleedt zich aan en gaat naar de hoeren. Of naar huis.
Het tweede dat ik inzag, is dat een optimale ordening zich niet vanzelfsprekend bestendigt. Een systeem kan afglijden. De gedachte dat de open samenleving zichzelf kan ondermijnen, was tot dan toe voor mij ondenkbaar. De liberale democratie leek mij een soort eindstation met niet zo gauw een weg terug -- zoals Francis Fukuyama het over een finale bestemming had, toen hij de vrije-marktdemocratie uitriep tot het einde van de geschiedenis.
Wat de verminking van de sauna nog meer betekenis gaf, was het feit dat de krakerssauna vol zat met individuen die verwoed streefden naar authenticiteit en zelfrealisatie, maar die tegelijkertijd de belangen van het collectief zwaar lieten wegen. Mij leek de krakerssauna het best mogelijke voorbeeld van wat de erfenis van de jaren zestig zou kunnen zijn.
Ik ben dan wel van 1971, ik vier de jaren zestig elke dag. Ik koester mijn vrijheid om mezelf steeds opnieuw uit te vinden. Seks, drugs en nachtleven mochten spelenderwijs worden uitgeprobeerd. Ik kan zijn wie ik wil zijn zonder te worden gehinderd door sociale controle, stand, klasse of religieus milieu. De hoogste verwachtingen over mijn leven komen van mijzelf. Ik conformeer me aan weinig meer dan aan mijn eigen dromen. Het is een schitterende erfenis.
Halfbakken revolutie
Maar de waarde van de nalatenschap is omstreden. Hoe divers de cultuurkritiek vandaag de dag ook is: de jaren zestig hebben het gedaan. We zijn slap en verwend, we leven hedonistisch voor en op onszelf, overal hangt porno en onze als tolerantie verpakte onverschilligheid heeft ook nog eens nieuwe Nederlanders economisch en cultureel geïsoleerd. Nadat de knellende religieuze en sociale banden zijn doorgesneden, blijft er een bandeloze aso achter. Hij verwart emancipatie met een grote bek. Zijn autonomie is asociaal.
In dat licht oogt de erfenis van de jaren zestig niet zo sprankelend. De conclusie dat de sixties ons belabberd hebben achtergelaten, is sinds Pim Fortuyn en de Britse psychiater en cultuurpessimist Theodore Dalrymple bijna een cliché. Telkens worden narcisme, atomisme, egoïsme, relativisme, fragmentatie, slapte, zwakte en moraalontwaarding gezien als een product van de cultuur van zelfontplooiing.
Maar die conservatieve cultuurpessimisten zien niet dat er sprake is van scheefgroei juist omdat het project van de jaren zestig nooit is afgemaakt. Uit een verkeerde diagnose komen remedies die de vrijheid zelden ten goede komen. Vraag de cultuurpessimisten en de conservatieven (vaak vallen die samen) naar een remedie voor de uitwassen van de jaren zestig, en ze beginnen over harder optreden, aanpassen en terug naar de gemeenschap. Het vrije individu is dan snel geknipt en geschoren. Bovendien wordt duidelijk dat ze niet helemaal hebben begrepen dat de samenleving tussen 1968 en 2008 ingrijpend en onomkeerbaar is veranderd, vloeibaar is geworden, zoals sociologen graag zeggen. Alsof er geen global village zou zijn waarin veranderlijkheid de laatste constante is. Alsof elite en instanties per besluit hun autoriteit kunnen terugkrijgen. Alsof we in een draaideur lopen en gewoon weer bij de ingang kunnen uitstappen.
Het vrijheidsstreven van de generatie 68 komt voort uit een onverminderd prachtig ideaal: het meest waardevolle, rijke leven ontstaat als een mens vrij is om zijn eigen leven vorm te geven. Dit is wat Isaiah Berlin bedoelde met de positieve vrijheid die hij onderscheidde van de negatieve vrijheid waarbij je niet door anderen wordt beperkt. Geen groter geluk dan een leven zo trouw mogelijk aan jezelf.
Dat het lang niet iedereen lukt om wat van dat vrije leven te maken, doet aan het ideaal niets af. Beschermende kaders, vaders en paters kunnen de kans op ongelukken misschien verkleinen. In dezelfde beweging beperken ze de mogelijkheden tot vervulling, tot vervolmaking. Ze verkleinen de kans op geluk.
Met het ideaal is niks mis. Alleen zijn de jaren zestig onaf. Het is een halfbakken revolutie geweest die is blijven steken bij de bevrijding van het individu. Ze liet na om in plaats van de oude ordening een nieuw moreel kader te bieden. En dat terwijl de vrijheid pas floreert bij gracieuze terughoudendheid en andere deugden. Juist op de plekken waar alles moet kunnen, moet het voor iedereen duidelijk zijn dat lang niet alles mag.
Vrijheid is niet hetzelfde als bandeloosheid. Geen synoniem ook voor anything goes. Mensen voor wie de last van de vrijheid moeilijk te dragen is, maken die vrijheid te schande.
En de last is zwaar. Het ideaal van authenticiteit stelt hoge eisen aan de gebruiker van die vrijheid. Menig gebruiker van de vrijheid is niet goed uitgerust. Wie de Mount Everest op wil zonder stijgijzers, loopt grote kans te verongelukken. Iemand die in de hoogste sferen van persoonlijke vrijheid te weinig mentale en morele bagage heeft, verziekt de sfeer. Maar anders dan op de Everest sneuvelt niet om te beginnen hijzelf. Allereerst gaat de vrijheid van een ander eraan.
Naarmate meer mensen zijn voorbeeld volgen -- en dat gebeurt doorgaans omdat de moraal stroomt naar het laagste punt waar het oneerlijk voordeel van de spelbederver wordt opgeheven -- verliest de samenleving haar aanleg voor vrijheid en welvaren.
Precies dat lijkt nu al een paar jaar gaande. Nadat Nederland tussen 1980 en 2000 misschien wel de grootste vrijheid en welvaart uit zijn geschiedenis genoot, zie je in allerlei domeinen de sporen van een minder open en uiteindelijk minder welvarende samenleving.
Ik kwam terug naar Amsterdam en voelde mij er nieuwkomer. In zeven trends daagde een patroon dat ik nou net in de voorgaande jaren zo goed had leren kennen.
Gebrekkige zelfcorrectie speelt op in verschillende sferen; van de verordeningen in de krakerssauna en de belaagde ambulanceman, tot aan de verpleeghuisdirecteur die miljoenen verdient.
In de economie hebben we het perspectief verschoven van de lange naar de ultrakorte termijn. Die blikvernauwing is af te lezen aan de ontwikkeling van het aandeel. Nederlands meest succesvolle uitvinding was in 1602 een product van langetermijndenken en sociaal vertrouwen. Na vier eeuwen blijkt dat die wereldhit zelfdestructieve kanten heeft gekregen. In de aandeelhouderseconomie heeft de belegging zich losgemaakt van de onderneming waarvan het aandeel de waarde becijfert. Datgene waar het aandeel uit voortkwam, wordt nu door het aandeel zelf ondermijnd. Het kortetermijndenken uit de aandeelhouderseconomie vlekt uit naar andere domeinen van de samenleving, ook naar die waar maatstaven van kwaliteit relevanter zijn dan efficiëntie, bijvoorbeeld in de zorg voor ouderen.
Politiek draait om personen. De politicus heeft zijn troon naar het centrum van de politieke macht geschoven. Zijn karakter, zijn stijl en zijn persoonlijke overtuiging hebben grote invloed op de koers van een partij. Die nieuwe helden bedienen zich van populisme: het voertuig voor de personalisering van de politiek. Populisme is ideologisch geladen -- het volk heeft het officieel voor het zeggen -- en die ideologie valt samen met een politieke stijl die tot doel heeft het de kiezer naar de zin te maken.
In de personendemocratie laat de kiezer zich graag behagen. Hij zoekt vervulling voor zijn verlangens en geruststelling in onzekerheid. Die geruststelling komt in de vorm van politici die ons zo vertrouwd zijn dat ze een van ons zijn geworden -- zoals Pim, Geert, Rita en, voordat hij een moeilijke ministerspost kreeg, Wouter. In die nabijheid heeft de politicus-als-persoon aan gezag ingeleverd.
Al heeft het personalisme in Nederland een andere herkomst dan de personenpolitiek in Afrika, het roept dezelfde twee mechanismen op: politiek wordt een handel in onzekerheidsreductie, en waar de strijd om de macht gaat tussen persoonlijkheden, daar dwingt de korte termijn.
De mores aan de top zijn die van een roofzuchtige elite. De buitensporige beloningen hebben gevolgen voor de rest van de samenleving. Net als in Afrika beperkt de cultuur van pakken-wat-je-pakken-kan zich in Nederland niet tot de elite. Ze sijpelt door naar alle lagen van de samenleving. Een trickle-down die bij armoedebestrijding nooit wilde lukken (als de bovenlaag eerst maar rijker wordt, dan verbetert de positie van de armen vanzelf) vindt wél plaats als het gaat om moraal. Dwars door de samenleving heen is het vanzelfsprekend geworden dat je probeert zoveel mogelijk binnen te halen. Waarheid, wet en waarden laten zich plooien naar het (materiële) belang van het individu. Voorzieningen en verzekeringen zijn kansen waarvan optimaal gebruik moet worden gemaakt.
De instituties van de democratische rechtsstaat raken leeg. De politieke partij is een deel van haar traditionele functies kwijtgeraakt aan de politicus de persoon. Het parlement is erg afhankelijk van medialogica en te weinig autonoom als controleur. In belangrijke maar weinig sexy dossiers als de Europese Unie of de Wereldhandelsorganisatie laten te veel Tweede Kamerleden de macht tussen de vingers door glippen. In politiek en economie zijn de media steeds nadrukkelijker speler in plaats van verslaggever. Rechters moeten moeite doen om hun onafhankelijkheid én hun legitimiteit te bewaren.
Het wereldbeeld versplintert. Culturele veelvormigheid reageerde met de technologische innovatie van internet en satelliet-tv. Iedere cultureel onderscheiden groep is als een horde Chinezen: in het eigen universum opgesloten, ongeacht de plek waar ze fysiek verblijft. Met tv en pc zitten we in onze eigen cockpit: we selecteren wat ons mag bereiken, meestal een bron die ons eigen wereldbeeld bevestigt en versterkt. Broadcasting is daardoor veranderd in narrowcasting. Mensen die een geografisch gebied delen, hebben niet per se meer iets met elkaar gemeen. De beweging die daarmee is ingezet, doet het omgekeerde van wat gebeurde na de vijftiende-eeuwse uitvinding van de drukpers. Toen werd nationale eenheid mogelijk, nu verdeeldheid.
Sociaal wantrouwen wint terrein. De vertrouwenssamenleving die Nederland was, toont steeds meer tekenen van wantrouwen. Een van de oorzaken is dat zowel in de politiek als in de economie vertrouwen tot instrument is gemaakt. Vertrouwen was altijd het onbedoelde, maar positieve neveneffect van iets anders -- van nagekomen afspraken met de buren, of van jarenlang goed vlees van de slager. Nu wordt vertrouwen nagejaagd om zichzelf. Het is de sleutel naar de gunst van de kiezer en de belegger, naar hoge peilingen en verkiezingswinst en naar een hoge beurskoers.
Het patroon: onvoldoende zelfsturing, kortetermijndenken in politiek en economie, een elite die goed voor zichzelf zorgt en een bevolking die minder moeite heeft met fraude, holle instituties, maatschappelijke fragmentatie en sociaal wantrouwen -- dit alles is kenmerkend voor de doorsnee Afrikaanse samenleving. (Al is dat niet exclusief voor Afrika. Je ziet een vergelijkbaar systeem in het Midden-Oosten en in Brazilië, in toenemende mate in de Verenigde Staten.) Het zijn de trekken van een ordening waarin vrijheid en welvaren minder kans maken. Gaan wij stilaan op Afrika lijken?
Ziende blind
Deze ontwikkeling naar een andersoortige ordening is geen natuurverschijnsel. We hebben de grootst mogelijke vrijheid niet goed gezekerd. We hebben aangenomen dat het autonome individu van nature de ingewikkelde mores en manieren zou snappen die horen bij de vrijheid om het meest eigen leven te leiden. Als gevolg daarvan wordt de vrijheid nu van binnenuit bedreigd.
Als het gaat om de sporen van een gesloten, minder vrije en op den duur minder welvarende samenleving, mogen we ons niet ziende blind houden. We moeten juist verschrikkelijk goed kijken. En we moeten werk maken van onze innerlijke ontwikkeling, van karakter.
Vrijheid en welvaart blijken gefundeerd in een ingewikkelde paradox: in de samenleving die werkelijk vrij is, verstaan de leden de kunst van de zelfbeperking. De stijgijzers voor de hoogste regionen van de vrijheid vinden we allereerst in de vier klassieke deugden: wijsheid, rechtvaardigheid, zelfbeheersing en moed. Om het ideaal van de jaren zestig -- zoals uitgedragen door links-liberalen als Femke Halsema -- te redden, zullen we conservatieve denkers als Andreas Kinneging en Ad Verbrugge om spullen uit hun gereedschapskist moeten durven vragen.
Wie de vrijheid lief is, moet zich nu de deugden toe-eigenen, ze heroveren op (bijna altijd) mannen die met het autonome, vrije individu weinig op hebben. Voor de noodzaak tot ontwikkeling moeten we niet meer alleen naar Afrika kijken. De blik moet ook naar binnen om te zien hoe moeilijk de vrijheid is. Want wat deed ik in de krakerssauna toen een stalker mijn plezier vergalde? Ik ben wel opgestaan, maar in plaats van met een klacht naar de balie naar de kleedkamer gelopen. Ik heb de deur achter me dichtgetrokken en ben thuis met krant en cappuccino op de bank gaan zitten.
Voor vrijheid is meer moed nodig.
Marcia Luyten is publicist en mede-oprichter van Waterland, en woont met haar gezin in Kampala, Oeganda. Zie ook www.marcialuyten.nl
