Jacques van Doorn (1925-2008): vrijdenker, vriend, voorbeeld
Toen Jacques (beter bekend als J.A.A.) van Doorn niet meer kon denken en schrijven, hoefde het van hem niet meer en gaf hij letterlijk de geest. Tweeëneenhalf jaar eerder was bij hem botkanker geconstateerd, maar dat weerhield hem er niet van om in blessuretijd nog een meesterwerk (Duits socialisme) te schrijven en in Trouw, HP/De Tijd en NRC Handelsblad de tijdgeest en zijn tegenstanders dwars te blijven zitten.
De eerste keer dat ik Van Doorn ontmoette was hij nog van papier en de helft van een tweetal. Van Doorn en Lammers heette het gevreesde leerboek waarover ik bloedig tentamen deed, aan de hand van een uittreksel van dertig getypte paginas. Moderne sociologie (1957, ik blokte op de achtste druk uit 1967) was het programmaboek van een nieuwe generatie sociologen, die de Nederlandse tradities van de sociografie en van het verzuilde sociale denken wilde vervangen door een Amerikaanse empirisch-waardevrije geest die de sociologie zou veranderen in een echt vak, een echte wetenschap.
Jaren later toog ik met Piet Nijhoff, de oudere collega bij wie ik als student nog tentamen had afgelegd over het boek, naar Leiden om Van Doorn en Lammers te interviewen over Van Doorn en Lammers (Sociodrome, nr. 3, 1985). Ik had de eerste auteur enkele jaren daarvoor vluchtig ontmoet, en nu leerde ik hem wat beter kennen. Ik vond hem prettig onprofessoraal, een gewone man (ik was toen nog niet zo gewend aan professoren, en professoren waren nog niet zo gewoon), charmant en behulpzaam maar ook gedecideerd en gereserveerd. Die gewoonheid klonk ook door in Moderne sociologie, dat zich met name afzette tegen de speculatieve historische cultuursociologie van een voorganger als P.J. Bouman. Niet voor niets gaf Van Doorn het boek een motto van de dichter Greshoff mee dat hemzelf op het lijf was geschreven: En laat gerust de schone zielen ijzen/Ik houd van platte, populaire wijzen/Maar met de puntjes duidelijk op de i.
In het interview bevestigde Van Doorn dat Van Doorn en Lammers wilde afrekenen met het speculatieve gebabbel van de oudere generatie: het was te Duits allemaal. Maar hij gaf meteen toe dat hij zelf inmiddels heel dicht was komen te staan bij die eerder verguisde Duits-Europese Counter-Enlightenment sociologie, niet langer geloofde in de wetenschappelijke en cumulatieve pretenties van de moderne sociologie, en zichzelf überhaupt veel meer beschouwde als een essayist dan als een systematisch denker. Het vak sociologie kon eigenlijk niet worden gescheiden van andere sociale wetenschappen zoals de geschiedschrijving, de sociale psychologie, de politieke wetenschap en de economie. Ook de vermeende waardevrijheid of neutraliteit van de wetenschappelijke kennis moest eraan geloven: de sociale wetenschap was waardevol omdat zij een wat meer gedistancieerde bijdrage leverde aan de maatschappelijke discussie dan andere deelnemende partijen, maar zij bleef in die discussie nadrukkelijk partij.
Na zijn vervroegde, min of meer gedwongen afscheid op 62-jarige leeftijd van de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij als bouwdecaan een nieuwe beleidsgerichte sociologieopleiding had opgezet, kon Van Doorn zich voluit wijden aan zijn tweede roeping: de beoefening van wat kritische ex-vakgenoten graag afdeden als commentaar-sociologie. Die meer dan twintig jaar pensioen zijn belangrijker gebleken voor zijn gedachtegoed en zijn naam en faam als publiek intellectueel dan zijn veertig academische jaren. Toen ik vijf jaar geleden zelf afscheid nam van de universiteit en de vaksociologie om me te wagen op de markt voor freelance intellectuelen, kon ik me spiegelen aan een superieur rolmodel.
Van Doorn inspireerde me ook omdat we een grote intellectuele verwantschap koesterden, die zich onder meer uitte in een gedeelde fascinatie voor de geschiedenis en sociologie van het socialisme, fascisme en liberalisme en voor allerlei tegendraadse, foute intellectuelen, zoals met name Robert Michels, Hendrik de Man en Jacques de Kadt. Vooral over de erfenis van de de laatste raakten we niet uitgepraat. Als ik iemand moet noemen die het stokje van de scherpzinnige essayist en onverschrokken polemist De Kadt heeft overgenomen, inclusief diens doortastende, sardonische stijl, is het Jacques van Doorn – meer nog dan Bart Tromp en Hendrik Jan Schoo, die twee andere prominente en betreurde Kadtianen. Van Doorns uitvoerige reactie op mijn boek Het democratisch verschil. Jacques de Kadt en de nieuwe elite illustreert onze gedeelde bewondering voor die andere Jacques en doet me nog steeds blozen (Beleid & Maatschappij no. 3, juni 1994).
Het omstreden gelijk van Jacques de Kadt (de titel van een column van Van Doorn uit 1988) school volgens ons beiden in de noodzaak van democratische elitevorming. Juist het open en beweeglijke karakter van de democratie stond garant voor de selectie van de besten op grond van de grootst mogelijke gelijkheid van kansen. En hoewel De Kadt de onvermijdelijke spanning tussen geest en macht onderschatte en pleitte voor een heerschappij van intellectuelen (naar het model-De Kadt), was zijn kerngedachte juist: elitevorming en democratisering sluiten elkaar niet uit maar veronderstellen elkaar. Niet het volk regeert zichzelf, maar de elite regeert in wisselwerking met het volk. Van Doorn vertaalde dit inzicht aldus: de democratie is niet een nivellerend maar een profilerend stelsel, dat niet is gericht op zoveel mogelijk gelijkheid maar op zoveel mogelijk vrijheid. Democratieën moeten niet streven naar homogeniteit en consensus maar naar verscheidenheid en dissensus, en voor de politicus en het electoraat zijn in het politieke spel verschillende rollen weggelegd (een gedachte die men ook aantreft bij de Groningse filosoof Frank Ankersmit). In een recent interview formuleerde Van Doorn het kort en krachtig: Democratie is niet: de macht van het volk. Het is een verbond tussen het volk en politieke elites die perspectief bieden. Een gezonde democratie heeft iets elitairs. Vandaag ontbreken de elites omdat de ideeën ontbreken (Elsevier 6.10.07).
Dit zelfbewuste, optimistische elitisme zag hij ook als de beste en misschien enige remedie tegen het populisme, een verschijnsel waar Van Doorn zich eerder tegen had gekeerd in zijn linkse gedaante, als element van het studentenprotest en van Nieuw Links in de jaren zeventig, maar dat zich nu krachtig manifesteerde aan de rechterzijde van de Nederlandse politiek. De vloek van het populisme was over Nederland gevallen, zo zei hij in hetzelfde interview, en dat was begonnen met Pim Fortuyn. De politici bouwden de massa na, en media registreerden blind wat er in de onderlaag gebeurde, om dit vervolgens weer ongecensureerd aan de onderlaag terug te geven: Er wordt niet meer afgerekend naar boven. De samenleving heeft nood aan een zuiverende gelaagdheid – die is helemaal weg.
Over de betekenis van Fortuyn werden we het niet eens. Terwijl ik het populisme ook beschouwde als een uitdaging aan de gevestigde partijpolitiek, was hij neerbuigend over Fortuyns gedachtegoed en benadrukte hij vooral de risicos van directe verkiezingen en de media-personalisering van de politiek. Fortuyn was geen denker maar een popularisator, geen systeembouwer maar een verzamelaar van borreltafelwijsheden. Ga je daar een programma uit kneden, dan krijg je een reusachtig borreltafelverhaal maar geen politieke doctrine, schreef hij in de dramatische meimaand van 2002 (Trouw 31.5.02). Twee jaar later erkende hij echter dat Fortuyns brutale aanslag op de vaderlandse porseleinkast ook een bevrijding was geweest: De hypocrisie in de publieke sfeer is stevig aangetast (HP/De Tijd 16.4.04). Maar Fortuyns kritiek op het Haagse establishment en diens voorstellen om direct-democratische hulpstukken in te bouwen in het verkalkte parlementaire bestel kon hij niet waarderen.
Wél vermoedde hij dat de transformatie van een programmatische naar een meer personalistische democratie niet was terug te draaien, en dat we het spel maar zo goed mogelijk moesten leren spelen. Dat bracht hem tot de actuele conclusie dat de personalisering van de politiek vraagt om fatsoenlijke, moedige en ideeënrijke politici. Tijdens het volgens hem onbenullige schouwspel van de verkiezingsstrijd van 2006 schreef hij: Als de politiek persoonlijk wordt, zijn persoonlijkheden nodig, politici die indruk maken, die gezag en ervaring hebben. Ze moeten een snee over de wang hebben uit een oud duel en ooit het prikken van een mes in de rug hebben gevoeld van een rivaal. Ze mogen niet bangelijk zijn maar, ondanks alle peilingen, aan hun eigen standpunt vasthouden. Precies op dit punt is het momenteel helemaal mis. Geen van de drie partijen (PvdA, CDA en VVD –DP) beschikt over een leider die een groot gebaar weet te maken en met kracht en humor een goed verhaal kan brengen. Er zit geen echte vent tussen. En dat wreekt zich (Trouw 18.11.06).
Eind februari 2006 mocht ik hem weer bezoeken, nadat hij een maandenlange depressie als gevolg van zijn doodvonnis enigszins had overwonnen. Jacques was breekbaar geworden, zijn benen onder een deken, het looprek binnen grijpafstand, op het tafeltje naast hem een borrel en een stapeltje boeken waar we nodig over moesten spreken. Later op de middag volgde ik hem naar zijn studeerkamer, waar hij achter zijn werktafel ging zitten, een sigaar opstak, en een verhaal begon over het grote boek over de geschiedenis van het Duitse socialisme waar hij al een heel leven materiaal voor had verzameld, maar met die kanker natuurlijk niet meer aan toe zou komen. Ik moest het nu maar gaan schrijven, suggereerde hij. Ik dacht op dat moment twee dingen: misschien was dit wel het soort boek dat helemaal niet af mócht komen, een wijkende horizon waar je altijd naar toereist en die je nooit bereikt, een onmogelijk megaproject dat eigenlijk fungeert als excuus om nog meer materiaal te verzamelen, nog meer boeken te lezen en nog meer details uit te zoeken.
De tweede gedachte sprak ik ook uit: dat boek moet er komen, en je moet het zelf schrijven, want het is de samenvatting van een levenslange intellectuele belangstelling: sociologie, geschiedenis, politiek, samengebracht in de scherpgerande these dat het nationaal-socialisme als een authentieke revolutie en zelfs als een alternatieve vorm van socialisme moet worden gezien. Waarom vergeet je al die mappen en boeken niet, het zit immers allemaal in je hoofd, waarom schrijf je het niet op zoals je het nu aan mij vertelt? Hij was namelijk begonnen te vertellen hoe hij als vijftienjarige jongen de intocht van de Duitsers in Maastricht had beleefd. Twee dagen later kreeg ik een briefje waarin hij liet weten dat hij na mijn vertrek meteen achter de schrijfmachine (Jacques was nog uit het pre-computertijdperk) was gaan zitten en het begin van een betoog had gemaakt. Een week of zo later kreeg ik de inleiding van wat Duits socialisme zou gaan heten.
Wonderbaarlijk was dat de kanker zich niet verder uitzaaide zodra de workaholic die Jacques ook was zijn zelfvertrouwen en geestkracht had hervonden. Het boek is onmiddellijk als een kritisch meesterwerk herkend, en vormt de kroon op zijn veelzijdige oeuvre. Van al mijn leermeesters en gesprekspartners heeft Jacques van Doorn het beste begrepen wat mij drijft en bezighoudt, als politieke relativist in het spoor van De Kadt en Ter Braak. Het is een voorrecht om zo goed te worden begrepen, al is het door een enkeling. Als die enkeling Jacques van Doorn heet, is alles goed en alles verkeerd, want hij is er niet meer.
