Nederland: een multiculturele natie met verzwegen staatsnationalisme
Wat is de roep om bevestiging van een enkelvoudige en ongedeelde nationale identiteit anders dan een wereldvreemd verlangen naar een imaginair verleden, roept Elsbeth Etty uit in een van haar recente columns in NRC Handelsblad, nadat ze de Nederlandse identiteit eerder als louter een fictie had afgedaan. Maar waar valt die roep te beluisteren? Het idee van een ongedeelde nationale identiteit is inderdaad een fictie, die niemand met enig inzicht in deze materie verdedigt. Een van de stijlkenmerken van die Nederlandse identiteit is juist onze neiging onderlinge culturele en andere verschillen te accentueren. Nederland koestert van oudsher meerdere identiteiten van lokaal- en regionaal-culturele en vooral ook van religieus-culturele aard : de inrichting van onze Republiek der Verenigde Provinciën was gebaseerd op het primaat van lokaal- en regionaal-culturele verschillen, onze verzuiling op die van levensbeschouwelijke verschillen. Nederland is uit dien hoofde dus van stonde af aan een multiculturele samenleving geweest.Vermenging van culturen wordt aangeprezen als een weldadige vrucht van onze multi-etnische samenleving, ook door de WRR. Maar in de vermenging van verschillende lokale, regionale en religieuze culturen was altijd wel een duidelijke dominantie van de Hollandse taal en cultuur en lange tijd ook van het calvinisme als religieuze integratiefactor. Wat de Nederlandse identiteit inhoudt is hier inzet van voortdurende rivaliteit tussen verschillende tradities; in het bijzonder tussen de confessionele traditie van christelijke, voornamelijk calvinistische, huize en een burgerlijk-liberale traditie die opkomt voor een vrijzinnige oriëntatie.
Hokjesgeest
Die diversiteitscultus in Nederland belemmert niet alleen het besef van enigerlei gemeenschappelijkheid als Nederlandse natie, maar ontaardt ook gemakkelijk in een enghartige hokjesgeest. De ergernis daarover leidde op verschillende momenten in de Nederlandse geschiedenis tot nationaal georiënteerde tegenbewegingen. Die manifesteerden zich bijvoorbeeld in de jaren 80 van de 18e eeuw in de Patriottenbeweging en in de jaren 90 in de Bataafse omwenteling. In de tweede helft van de 19e eeuw waren het liberalen die de nationale gedachte nieuw leven inbliezen. Dat resulteerde in een nationaal-liberale voorkeur voor maatschappelijke organisaties op algemeen Nederlandse grondslag, openstaand voor alle gezindten (in omroepland was het de AVRO die daaraan in de jaren 20 van de vorige eeuw gestalte gaf), in de leuze onverdeeld naar de openbare school en de introductie van Koninginnedag in 1891.
Gezien het voorgaande is het idee van een Nederlandse nationale identiteit uiteraard een dynamisch en complex concept. Maar dat neemt niet weg dat er toch zoiets is als een Nederlandse identiteit als expressie van een zekere culturele integratie, die in de loop van de tijd is gegroeid. Deze bestaat uit een gemeenschappelijke taal, geschiedenis, stijlkenmerken en gedeeld cultureel erfgoed en in Europees verband als een bijdrage tot de culturele pluriformiteit van Europa.
Vanwaar nu de weerzin onder zoveel Nederlandse intellectuelen tegen het idee van een nationale identiteit? Zou dat niet komen omdat nationaal hier al gauw geassocieerd wordt met nationalisme? Dat heeft hier sinds lang een negatieve, want rechtse, connotatie. Bij die louter negatieve waardering ziet men over het hoofd dat nationalisme in de 19e eeuw de inspiratiebron was van het zelfbeschikkingsrecht der volken dat als legitimatie diende van de nationale bevrijdingsbewegingen in Europa en daarna in Azië en Afrika en ten slotte in artikel 1 van de Internationale Mensenrechtenverdragen van 1966 als fundamenteel mensenrecht is erkend.
Nederlands staatsnationalisme
Nederland is de weerzin ten spijt overigens evenmin vrij van een neiging tot nationalisme, in het bijzonder staatsnationalisme als het er op aan komt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was het onderscheid tussen goede en foute Nederlanders gebaseerd op criteria, ontleend aan Nederlands staatsnationalisme. Een reactionaire vorm van dat nationalisme speelde een cruciale rol tijdens de politionele acties na de oorlog tegen het Indonesische nationalisme. En getuigt de neiging in dit land op internationaal niveau een gidslandfunctie te vervullen - Nederland als voorbeeld voor andere naties - ook niet van een verzwegen nationalistische oriëntatie, evenals de argumenten waarmee de voorgestelde Europese Grondwet in het referendum op 1 juli 2005 is afgewezen? Ook de neiging tot een moreel superioriteitsbesef ten opzichte van België en Vlaanderen, is hiervan een uiting, al is daar sinds de Fortuyn-revolte weinig reden meer voor. Luc Devoldere, hoofdredacteur van het bekende Vlaams-Nederlandse tijdschrift Ons Erfdeel, spreekt in dit verband terecht van het verzwegen staatsnationalisme in Nederland. De historische canon waar zoveel over te doen is geweest is inmiddels door professor H. de Schepper, een tot Nederlander genaturaliseerde Vlaamse historicus, gekritiseerd als een voorbeeld van typisch staatsnationalistische geschiedbeoefening. De verwijzingen daarin naar de Zuidelijke Nederlanden zijn namelijk uiterst gering. In de jaren 80 ontmaskerde NRC Handelsblad columnist J.L. Heldring het sterk door links gekoesterde Nederlandse internationalisme zelfs als een verkapte vorm van nationalisme.
Wat te verstaan onder links als politiek alternatief?
De sociaaldemocratische verzorgingsstaat steunt op een sterk gecultiveerd besef van nationale solidariteit. Het is een solidariteit die het staatsnationalisme sinds de 19e eeuw doelbewust aangekweekt heeft in het kader van het proces van nationale bewustwording. Het verval van de sociaaldemocratische verzorgingsstaat is een uitvloeisel van een tweetal tendenties: ten eerste een toenemende individualisering van de maatschappelijke verhoudingen en de mentaliteit van calculerend gedrag op alle niveaus als uitvloeisel; en ten tweede economische en culturele globaliseringprocessen met als gevolg een snelgroeiende internationale interdependentie. Nationale verzorgingsstaten verliezen hierdoor meer en meer hun greep op de sociaal-economische ontwikkeling. De door de verzorgingsstaat beoogde vermindering van sociaal-economische ongelijkheid maakt in het voetspoor hiervan plaats voor toenemende inkomensverschillen. Dat gaat hand in hand met toenemende ongelijkheid op andere terreinen, met name op het terrein van maatschappelijke status (als gevolg van toenemend professionalisme van hogere beroepscategorieën), op dat van politieke machtsverhoudingen (versterking van bestaande oligarchische tendenties in de politiek en grotere machtsafstand tussen overheid en burgers) en op dat van het onderwijs.
Als reactie op die groeiende ongelijkheid sluipt staatsnationalisme met zijn nadruk op nationaal belang, nationale verworvenheden en nationale identiteit nu ook steeds meer binnen in linkse gelederen. De SP is daarvan de meest geprononceerde vertolkster en vindt daarvoor tevens steun van teleurgestelde sociaaldemocraten als Marcel van Dam. De SP-houding ten opzichte van Europese integratie en de steun daarvoor onder linkse kiezers zijn een saillante illustratie van die staatsnationalistische oriëntatie.
De vraag die ik hier ter aanwakkering van discussie zou willen stellen is: hoe stelt een linkse denktank als Waterstof, die zich onderscheidt door een specifieke combinatie van individualisme, sociale gezindheid en internationalisme, zich hiertegenover op? Links moet zich heruitvinden, zo luidt de conclusie van het Manifest dat die denktank in 2004 publiceerde onder de titel: Naar een sociaal-individualistisch alternatief. Wat kunnen we in de huidige verwarrende politieke en maatschappelijke context verstaan onder links als een duidelijk te onderscheiden politiek alternatief?
