Respect, man! - De meritocratische aanslag op het zelfrespect
Evelien Tonkens en Tsjalling Swierstra -
Jongeren hebben vaak een kort lontje, hun zelfrespect staat op spanning. Ook al zijn ze nog zo klierig, verberg je irritatie, want die vatten ze op als agressie. Toon respect, adviseert deskundige Hans Kaldenbach aan bewoners van de Utrechtse probleemwijk Kanaleneiland (de Volkskrant 1-2-08). Respect tonen voor jongeren die vuurwerk door je brievenbus gooien? Is het zo bar gesteld met het fatsoen in Nederland? Of is het zo bar gesteld met het zelfrespect van deze jongeren? Waarschijnlijk wel.
Het respect voor jongeren op bijvoorbeeld het VMBO, (waar deze jongens doorgaans op school gaan) is sowieso gering, ook voor degenen die zich verder voorbeeldig gedragen. In een samenleving die steeds meer draait om schoolsucces, om hogerop komen, komt het respect voor degenen die in dat opzicht laag scoren, steeds meer onder spanning. En bijgevolg ook hun zelfrespect. Gebrek aan respect is een belangrijke klacht onder laagopgeleiden. Alles draait om booka, om respect. En dat ontbreekt eraan bij politici in Den Haag, stelt de 17 jarige Abdelaziz (in het SCP-rapport < em>Niet-stemmers uit 2002, p. 106). Alles draait om respect, bevestigt ook de 26-jarige Guido (SCP 2002, p.100).
Een belangrijke reden waarom problemen ontstaan en uit de hand lopen, ligt in het feit dat de Marokkaanse jongens onderling van mening zijn dat zij te weinig respect ontvangen van andere jongens of van buitenstaanders, stelt criminoloog Jan Dirk de Jong in zijn onlangs verschenen proefschrift < em>Kapot Moeilijk, over delinquent gedrag onder jongens van Marokkaanse afkomst in Amsterdam-West. Daardoor voelen ze zich ook erg snel veroordeeld en aangevallen. Een jongen vertelt over een ontmoeting tijdens een avondje uit:
Ik zeg: wat kijk je zo vies naar me? Zoek je problemen of zo? Hij zei eerst nog van Nee nee, is goed kameraad.(...) Maar hij blijft kijken. Die andere jongens zagen het ook weer. Toen dacht ik: klaar. Ik ben naar m toegelopen. Bam! In een keer gestrekt. Wullah! Daarna heb ik hem helemaal verrot gebeukt. Wat denkt die sukkel nou?
Een andere jongen legt uit:
Kijk, die mensen moeten me gewoon respect geven die ik verdien als man, begrijp me? Als ze dat doen, is niks aan de hand. Ben ik rustig, alles. Maar doen ze dat niet? Tja... dan ga ik die respect zelf wel pakken. Dan krijg je problemen, vriend. Dan word ik gewoon agressief. Wat moet je anders doen? Ik laat niet met me spelen, je weet toch?
Maar geldt dit niet alleen voor een beperkte groep, namelijk jongens uit etnische minderheden? Nee, er zijn voldoende aanwijzingen dat ook anderen worstelen met deze kwestie. De psycholoog Trudy Dehue wijst er in haar binnenkort te verschijnen boek op dat de enorme groei in de verkoop van ritalin en antidepressiva eigenlijk prestatiepillen zijn. Ook de enorme toename van angst- en stemmingsstoornissen en anti-depresseive cursussen zoals Kleur-jeleven en Grip-op-je-dip wijzen op de worsteling van steeds meer mensen met hun zelfrespect in een meritocratische samenleving, aldus Dehue.
Respect is in onze samenleving een schaars en zeer gewild goed geworden, stellen ook de de Amerikaanse socioloog Richard Sennett in Respect (2003) en de Britse filosoof Alain de Botton in Status Anxiety (2004). Het is een onbedoeld gevolg van de toenemende meritocratisering van de samenleving. Naarmate we er meer in slagen om iedereen gelijke kansen te bieden, en ieders maatschappelijke positie meer is gebaseerd op eigen prestaties, wordt het steeds onduidelijker wat de bronnen van (zelf)respect zijn voor diegenen die in gangbare termen slecht presteren en dus maatschappelijk weinig succesvol zijn. Een meritocratie leidt tot een gedemoraliseerde onderklasse, waarin steeds meer mensen last hebben van statusangst. De angst de liefde van de buitenwereld te moeten ontberen, omdat ze in de ogen van de buitenwereld weinig waard zijn. In een standenmaatschappij hadden mensen goede redenen om te denken dat hun lage positie aan de omstandigheden, maar niet aan henzelf te wijten was. Maar naarmate iemand meer kansen heeft gehad en dan toch laag eindigt, wordt dat steeds meer zijn eigen schuld. Niet alleen in de ogen van de buitenwereld, maar ook in die van hemzelf. Tegenover het ressentiment van de verliezers staat de zelfgenoegzaamheid van de winnaars, die zich onder luid zelf-applaus afwenden van de publieke zaak. Die geen reden meer zien om solidariteit op te brengen met de verliezers die hun lot immers aan zichzelf te danken hebben.
De satire van Young
Alle bovengenoemde zorgen kwamen precies vijftig jaar geleden reeds ter sprake in de sociologische toekomstsatire The Rise of the Meritocracy van de Britse socioloog Michael Young uit 1958. Young is de bedenker van het begrip meritocratie. In zijn sociologische satire laat hij een fictieve auteur in 2034 terugblikken op het historische wordingsproces van de perfect meritocratische samenleving van de eenentwintigste eeuw: a society in which power and responsibility [are] as much proportioned to merit as education. In zon meritocratie berusten verschillen in status, inkomen en macht tussen de burgers niet langer op toevallige achtergrondkenmerken waar individuen zelf geen greep op hebben, zoals hun afkomst, sekse, geloofsovertuiging, huidskleur, leeftijd, enz. In Youngs meritocratie telt alleen de combinatie van talent en inspanning voor iemands positie op de maatschappelijke ladder. In een ideale meritocratie is dus aan twee voorwaarden voldaan. Enerzijds telt alleen verdienste voor iemands maatschappelijke positie. Omgekeerd is het voor iedereen gelijkelijk mogelijk zich door zijn verdiensten van anderen te onderscheiden.
De pre-meritocratische maatschappij geeft zich uiteraard niet zonder slag of stoot gewonnen. Youngs alter ego beschrijft (voorspelt) nauwkeurig hoe eerst een heroïsche strijd moest worden geleverd met conservatieve krachten als het gezin (met zijn dynastieke erf-logica) en allerlei andere vormen van voortrekkerij: feodalisme, nepotisme en cliëntelisme. Vooral de strijd tegen het bevoordelen van de ouderen – een vaste baan, en elk jaar automatisch een extra periodiek, u kent het wel – zou bitter en langdurig zijn geweest. De voornaamste hindernis werd daar opgeworpen door de vakbonden. Uiteindelijk werd dit gerontocratische verzet echter gebroken door een coalitie van gefrustreerde jongeren, die immers doorgaans niet zo bang zijn voor veranderingen, en getalenteerde ouderen die de meritocratische toets niet vreesden. Zij verweten de gevestigde vakbeweging een te weinig meritocratische houding. Geleidelijk maakten zo loyaliteit en vooringenomenheid plaats voor rede en onpartijdigheid: the principle of seniority has gradually yielded to the principle of merit, and industry has been modeled on the schools. Het enige legitieme criterium om verschil te maken tussen mensen is sindsdien wat ze presteerden. Natuurlijk is niet alleen intelligentie bepalend voor iemands prestaties, maar telde ook iemands inspanning. Aan een lui genie heeft de samenleving niets. Beloning naar prestatiemotiveert mensen zich zo veel mogelijk in te spannen, is daarom de gedachte.
Daarvoor moet ieders individuele bijdrage uiteraard wel nauwkeurig worden vastgesteld. Prestatiemeting speelt een cruciale rol in Youngs toekomstschets van een halve eeuw geleden. Vergeleken met het vroegere vaststellen van sekse, afkomst en leeftijd vergt het meten van iemands individuele verdienste aanzienlijk meer inspanning. Een meritocratie is onmogelijk zonder uitgebreide instituties en procedures, zonder een art of work measurement om ieders individuele prestaties precies en herhaaldelijk te meten. Young voorspelde daarom dat kinderen op scholen steeds meer en op steeds vroegere leeftijd en ook steeds vaker op hun IQ getoetst zouden worden. De testleeftijd voor betrouwbare voorspellingen zou volgens hem steeds verder dalen, tot 3 jaar in 2020. In 2034 zou men zelfs van een ongeboren kind het IQ al kunnen bepalen.
Verdienste is echter een relatief begrip. Zij wordt niet simpel bepaald door te meten wat iemand tot stand brengt, maar door die prestatie vervolgens te vergelijken met de prestaties van anderen. Omdat presteren wordt beloond met macht, status en inkomen, is het voor iedereen van belang beter te presteren dan de omgeving. Mensen worden gemotiveerd voortdurend hun eigen grenzen te verleggen en door hard te werken hogerop te komen: Everyone has to be ambitious so that none with talents of a high order shall fail to make use of them. Youngs meritocratie wordt daarom gekenmerkt door de universele vergelijking van iedereen met iedereen en een universele competitie tussen iedereen. Samenleven is een wedren.
Een meritocratisch systeem is superieur aan een maatschappelijke ordening op basis van afkomst. Het is rechtvaardiger, biedt individuen betere ontplooiingkansen en biedt de samenleving als geheel het meeste profijt van individueel talent. Een meritocratie is rechtvaardiger in die zin dat naarmate individuen meer verdienstelijk zijn voor de samenleving, zij daarvoor meer worden beloond met status, macht en inkomen. Een meritocratie biedt ook optimale ontplooiingsmogelijkheden voor individuen, doordat allen, ongeacht afkomst, daartoe gelijke kansen krijgen. En een meritocratie zorgt er tevens voor dat talent en verdienste de samenleving optimaal ten goede komen.
Maar het probleem van het (zelf)respect blijft knagen. Hoe meer we erin slagen om gelijke kansen te realiseren, hoe prangender ook het probleem van het(zelf)respect wordt. Ook Young heeft reeds beschreven hoe de meritocratische elite steeds arroganter wordt, niet langer verzwakt door zelftwijfel en zelfkritiek. Omgekeerd wordt de lagere klasse steeds onzekerder. Vroeger kon men zichzelf nog troosten:
Here I am, a workman. Why am I a workman? Am I fit for nothing else? Of course not. Had I had a proper chance, I would have shown the world. A doctor? A brewer? A minister? I could have done anything. I never had the chance. And so I am a worker. But dont think that at the bottom Im any worse than anyone else. Im better.
Precies die bronnen van zelfrespect kalven in een meritocratie steeds meer af.
Het zelfrespect bedreigd
Laten we iets preciezer kijken naar de wijze waarop de meritocratie het zelfrespect aantast. We onderscheiden er drie. Ten eerste het ontstaan van een winner takes all samenleving: diplomas strekken ook in andere maatschappelijke sferen tot voordeel. Wie volgens meritocratische maatstaven goed scoort, krijgt ook gemakkelijker allerlei anderen voordelen die met iemands verdienste zelf weinig te maken hebben of waarvan we besloten hebben dat die er weinig mee te maken zouden moeten hebben. Meritocratie staat bijvoorbeeld op gespannen voet met democratie. Diplomas leiden tot meer politieke macht: hoger opgeleiden zijn zowel in alle vormen van politiek oververtegenwoordigd. Dick Pels protesteerde in zijn vorig jaar verschenen boek De economie van de eer tegen de permanente stijging van topinkomens, die behalve met een beroep op de vrije markt ook beargumenteerd worden door te wijzen op de veronderstelde buitengewone verdiensten van topmanagers. De maatschappelijke ongelijkheid wordt hierdoor disproportioneel versterkt. Een meritocratie creëert gelijke startkansen maar ongelijke uitkomsten. Dat is acceptabel zolang de opbrengsten van verdienste beperkt blijven, dus in directe relatie staan tot de inspanning zelf. Dat is echter nu niet het geval.
De tweede aanslag op het zelfrespect van velen is de overschatting van één soort verdienste, namelijk schoolsucces. Velen die hier laag scoren weten zich niet gewaardeerd en waardeloos, ook wanneer ze wel andere verdiensten hebben die voor de samenleving ook van groot belang zijn. Dit leidt tot eenzijdig en schraal onderwijs en daarmee tot schraal burgerschap. Kinderen worden steeds meer alleen voor de Cito-toets klaargestoomd, ten koste van andere, meer vormende, bredere vakken. De discussie over het rapport Dijsselbloem versterkt dit probleem slechts: herhaaldelijk werd er op gewezen dat het onderwijs zich meer zou moeten beperken tot zijn kerntaken, te weten rekenen en taal. Dit impliceert miskenning van andere bijdragen aan de samenleving die ook als verdienste mogen worden aangemerkt, maar op de dominante criteria toch slecht scoren.
Tenslotte wordt in een meritocratie het belang van verdienste sowieso overschat. Het bestaan van lot en toeval wordt miskend, want succes wordt voortdurend in termen van eigen verdienste geïnterpreteerd, en falen wordt geweten aan het gebrek aan talent en inspanning. Dat successen ook aan toeval en geluk te danken zijn en veel falen ook aan pech, verdwijnt naar de achtergrond, waarmee het zelfrespect van de verliezers weer verder wordt aangetast en winnaars weer meer het idee krijgen dat ze hun succes aan zichzelf te danken hebben. Het leidt tot zelfoverschatting en zelfverrijking van mensen die niet alleen hun talent maar ook de wind mee hebben.
Ook het belang van onderhoud wordt hiermee miskend, want onderhoudswerkzaamheden (waaronder zorg maar ook praktisch maatschappelijk onderhoud zoals straten schoonhouden) zijn moeilijk meetbaar en als persoonlijke verdienste zichtbaar te maken.
Mensen wier zelfrespect aldus wordt aangetast, gaan natuurlijk niet allemaal jammerend in de hoek zitten. Velen ontwikkelen strategieën om hun zelfrespect te herwinnen. Zo kunnen ze andere, alternatieve verdiensten benadrukken. Een goede moeder of vader zijn bijvoorbeeld, of een goed moslim of christen zijn. Sommige van die strategieën kunnen weliswaar bruikbaar zijn om zelfrespect te herwinnen, maar zijn niettemin maatschappelijk onwenselijk of zelfs gevaarlijk. Het sterk benadrukken van eigen etnische of religieuze of seksuele identiteit als verdienste en dus als iets waarin je beter bent dan een ander gaat moeilijk samen met tolerantie en openheid. Tussen de mening dat je als christen of hetero beter bent dan moslims en homos en discriminatie van homos of moslims zit maar heel weinig ruimte. De stap van het een naar het ander is snel gemaakt.
De respectmaatschappij
De discussie over wat we met dit probleem moeten blijft tot nu toe echter steken bij het uiten van zorgen en waarschuwingen. De Nederlandse journalist Hans Wansink schreef in 1994 een scherp en indringend boek over de problemen van een meritocratie, maar blijft in zijn voorstellen erg algemeen. Hij besluit met de oproep dat we ons moeten realiseren dat de kwaliteit van het bestaan meer is dan een kwestie van individueel succes. Het SCP pleit sinds kort voor een zachtmoedige meritocratie, maar ook dat is nog een erg vaag ideaal.
Wij pleiten ervoor het ideaal van de meritocratie te vervangen door dat van de respectmaatschappij: de aidocratie (naar het Griekse woord voor (zelf)respect). Een samenleving waarin iedereen een gelijke kans krijgt op het verwerven van (zelf)respect. De respectmaatschappij kent drie hoofdpijlers. Presteren in rekenen, taal en Cito-scores is dan slechts één van de manieren om (zelf)respect te verwerven.
De respectmaatschappij houdt verdienste op zijn plek. Meritocratie creëert gelijke startkansen, maar ongelijke uitkomsten; dit is inherent aan meritocratie en daarmee tot op zekere hoogte onvermijdelijk. Deze maatschappelijke ongelijkheid is acceptabel zolang de opbrengsten van merites beperkt blijven. Wanneer ze dus in directe relatie staan tot de inspanning zelf en niet leiden tot voordelen op allerlei andere terreinen, ver buiten de geleverde prestatie zelf.
Verdienste vertaalt zich in een meritocratie in status en inkomen, maar aan de mate waarin dat zo is en de deuren die daardoor verder nog geopend worden, worden in een respectmaatschappij beperkingen gesteld; dit is de eerste pijler. Met diplomas kan wel een hoge positie op de arbeidsmarkt bereikt worden, maar aan het daaraan gekoppelde inkomen stellen we grenzen. Die grenzen zijn inzet van een publiek debat en worden democratisch bepaald. De rol van de markt in het bepalen van verdienste wordt daarmee aanzienlijk teruggedrongen. Bovendien bieden deze verdiensten in een respectmaatschappij niet langer automatisch toegang tot andere maatschappelijke sferen. Bijvoorbeeld niet tot politieke macht.
De tweede pijler van de respectmaatschappij is de pluralisering van verdienste. In de respectmaatschappij worden veel meer verdiensten erkend dan cognitieve vaardigheden en marktwaarde: ook bijvoorbeeld praktische, kunstzinnige en sociale vaardigheden en deugden gelden als verdienstelijk. In een respectmaatschappij kennen de diverse vormen van verdienste elk hun eigen statusladder. Ook buiten het formele onderwijs verworven competenties krijgen erkenning. In het onderwijs wordt de Cito-toets vervangen door een palet aan (eind)toetsen dat recht doet aan de verscheidenheid van belangstelling en talent. Niet langer wordt iedereen langs dezelfde meetlat gelegd of met alle anderen vergeleken: er ontstaat een diversiteit aan meetlatten die recht doet aan de realiteit van een diversiteit aan verdiensten. Uit een palet aan verschillende eindtoetsen kunnen alle kinderen die toetsen doen die het best bij hun talent en belangstelling aansluiten. Om die pluralisering van verdienste nog meer recht te doen, kan bovendien het cijfersysteem vervangen worden door een omschrijving van het resultaat.
De derde pijler betreft de relativering van het maatschappelijk en persoonlijk belang van verdienste. Er is meer in het leven en meer in de samenleving van belang dan verdienste. In een respectmaatschappij neemt deze relativering van verdienste vijf vormen aan.
Ten eerste de erkenning en herwaardering van lot en toeval. Een dergelijke erkenning en herwaardering relativeren bijvoorbeeld de individuele verantwoordelijkheid voor het falen en slagen door te erkennen dat het individu niet de enige vormgever van zijn eigen leven is. Ze relativeren omgekeerd ook het succes van de winnaars van de meritocratie: dezen hebben hun succes niet uitsluitend aan hun eigen prestaties te danken, maar ook aan (hulp van anderen en) aan geluk en toeval. Naast competitie mogen dus ook loterijen en lotingen deel uitmaken van de verdelingsmechanismen. Daarmee wordt het belang van verdienste enigszins getemperd. Dit stimuleert het zelfvertrouwen en de hoop van de verliezers en tempert de zelfingenomenheid van de winnaars.
Ten tweede vindt er een herwaardering plaats van competitievrije domeinen en sferen. In een respectmaatschappij wordt afgewogen waar en wanneer competitie op haar plaats is en waar en wanneer niet. Er worden dus ook meetvrije sferen en meetvrije perioden gecreëerd en gekoesterd. Waarin mensen kunnen oefenen en zich kwetsbaar op kunnen stellen, zonder met elkaar vergeleken te worden. In organisaties wordt dus niet voortdurend de productie en de prestaties van werknemers vergeleken en langs de meetlat gelegd. De default mode van interactie is, net als in een huwelijk of vriendschap, de loyaliteit en het vertrouwen dat men het samen wil doen.
Herwaardering van onderhoud, zorg en preventie is het derde onderdeel van de relativering van verdienste. Of men daarin uitblinkt of niet, is nauwelijks of niet meetbaar. In een respectmaatschappij wordt die onmeetbaarheid erkend en dit soort activiteiten toch hoog gewaardeerd. Die waardering moet georganiseerd worden, zowel via inkomenspolitiek als via een meer immateriële weg, bijvoorbeeld via meer maatschappelijke aandacht, waardering en lof voor onderhoudsactiviteiten en de daarop gerichte beroepen.
Ten vierde wordt in een respectmaatschappij naast verdienste ook behoefte als verdelingscriterium erkend. Behoefte geldt als een fundamenteler verdelingscriterium dan verdienste. De respectmaatschappij biedt fundamentele bestaanszekerheid door een basaal niveau van inkomen, huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg te garanderen op grond van behoefte, los van verdiensten.
Ten vijfde wordt verdienste in een respectmaatschappij regelmatig prettig belachelijk gemaakt. Vooral zelfspot van de winnaars en gezagsdragers wordt in een respectmaatschappij enorm aangemoedigd. Een respectmaatschappij koestert en steunt spotprententekenaars, cabaretiers en andere kunstenaars die invloedrijke personen op de hak nemen.
Over de voorgaande pijlers wordt in een respectmaatschappij een permanente publieke discussie gevoerd. Bijvoorbeeld over de vraag waar verdienste toegang toe mag geven. Wat moet je van geld kunnen kopen en wat niet? Wat mogen de maximale inkomensverschillen zijn? Wat mag eigenlijk als verdienstelijk gelden? Wat vinden we een zinvolle bijdrage aan de samenleving? Hoe kun je je verschillende vormen van verdienste meten en wat voor beloning koppel je eraan? Over al deze vragen bestaat in een respectmaatschappij een levendig publiek debat. Burgerjurys, burgerfora en correctieve referenda zorgen ervoor dat ook lager opgeleiden aan die discussie deelnemen.
Uiteraard ogen deze pijlers niet erg realistisch. De wereld is hard, mensen zijn per definitie competitief, de Amerikanen zullen ons uitlachen, en de Chinezen zullen gehakt van ons maken als we niet al onze zeilen bijzetten en niet al onze hoektanden bijvijlen omdat ons teweer te stellen in de inmiddels mondiaal geworden survival of the fittest. Dat soort tegenwerpingen lijkt de harde werkelijkheid inderdaad aan zijn kant te hebben. Maar is het werkelijk realistisch om als samenleving geen andere ambitie te koesteren dan steeds harder te rennen, en op de koop toe te nemen dat steeds meer burgers door die samenleving worden uitgekotst?
Tsjalling Swierstra is filosoof aan de Universiteit Twente, Evelien Tonkens is socioloog aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel is gebaseerd op het boek De beste de baas? Verdienste, respect en solidariteit in een meritocratie onder redactie van de auteurs, dat op 27 maart a.s. verschijnt bij Amsterdam University Press.