De actualiteit van het eerbegrip
Wat is er misgegaan in Nederland? Waar is onze tolerantie, onze harmonieuze en ontspannen samenleving gebleven? Waarom is Nederland geen gidsland meer? Veel heeft het debat hierover tot nog toe niet opgeleverd. Sterker nog: de polarisatie en de vaak onaangename wijze waarop het debat wordt gevoerd lijken de geconstateerde kwaal alleen maar te verergeren. Misschien kan het helpen om in dit debat een nieuw begrip te introduceren dat op onderdelen verhelderend kan werken.Dat is het begrip eer. Misschien verrast u dat. Eer is voor veel mensen immers een verouderd begrip, zoals de Amerikaanse socioloog Peter Berger schreef in The Homeless Mind (1973). Het is echter de vraag of het eerbegrip niet moet worden geactualiseerd. Het gaat immers om heel concrete handelingspraktijken binnen maatschappelijke instituties. Via het begrip eer kan de focus van het debat worden verlegd naar concrete situaties waarin mensen leven. De huidige malaise binnen verschillende van onze instituties kan volgens mij mede worden verklaard uit het verlies van eer.
Er is nog een tweede reden om het eerbegrip aan een nader onderzoek te onderwerpen. Mevrouw Verdonk appelleert met haar beweging Trots op Nederland impliciet aan eer en eergevoel. Gegeven de politieke succeskansen die haar worden toegedicht, kan het geen kwaad het veld te beschrijven waarop zij haar voetzoekers en gillende keukenmeiden zal afvuren. Socialisten zouden eer en eergevoel niet als politiek thema moeten overlaten aan rechts. Zoals links ook zou moeten afrekenen met de potsierlijke regressie naar de mythische eer van de VOC als oorsprong van het Nederlands kapitalisme. Daarvoor in de plaats kan het beter gaan om een geloofwaardig eerbegrip met betrekking tot het actuele en reële Nederland.
Eer en menselijke waardigheid
Hoewel honor en dignity vaak in één adem worden genoemd, vormt niet de menselijke eer maar de menselijke waardigheid het uitgangspunt van de drie politieke hoofdstromingen. Confessionelen, liberalen en socialisten beschouwen de menselijke waardigheid als het funderende beginsel van hun politiek is, of dat nu in opdracht van God of in naam van de Verlichtingsidealen is.
De kerngedachte is dat waardigheid een intrinsieke menselijke eigenschap is die aan ieder mens ongeacht zijn afkomst, ras of sekse toekomt. Zelfs de meest dierlijke, criminele of onwaardige mens behoudt zijn intrinsieke waardigheid, en behoort daarom dienovereenkomstig te worden behandeld. Deze opvatting wordt doorgaans als een van de grootste prestaties van de westerse beschaving gezien. Hoewel veel mensen zeer onwaardig kunnen handelen en zelfs van tijd tot tijd tot barbarij kunnen vervallen, gaat ons rechtssysteem ervan uit dat de mens redelijkerwijs geen andere optie heeft dan waardig te leven en zijn menselijke mogelijkheden tot optimale ontplooiing te brengen. Daarom wordt de menselijke waardigheid wel eens een heilzame fictie genoemd.
En een fictie is het zeker. Niet alleen omdat de mens net zo goed door onwaardigheid als door waardigheid wordt gekenmerkt, maar ook omdat hij/zij wordt opgevat zonder sociale context, zonder sociale of etnische afkomst en dus zonder maatschappelijk bepaalde feitelijke kwaliteiten of tekortkomingen. De waardigheid van de mens zou volledig intrinsiek zijn, los van de externe invloed van de vele instituties en sociale identificaties die elke samenleving nodig heeft, wil er überhaupt van samenleven of van persoonlijke ontwikkeling sprake kunnen zijn.
Door het abstraheren van de concrete en reële verhoudingen waarin mensen leven, dreigt het beginsel van de menselijke waardigheid snel ideologisch te worden. In navolging van Berger pleit ik er daarom voor om het te vullen met het begrip eer. Want het eerbegrip blijkt nauw verbonden te zijn met sociale omstandigheden en sociale instituties, en dus met de reële voorwaarden van een menswaardig bestaan. Mede daarom is het juist voor socialisten een interessant begrip.
Negatieve connotatie van eer
Het blijft opmerkelijk dat er over eer zo weinig wordt geschreven in de politieke en wetenschappelijke literatuur. Eer heeft kennelijk een negatieve connotatie. We associëren het met militarisme, aristocratie, masculiniteit, tribale levensstijlen, wraak en vendettas. Of is onze cultuur zodanig gefeminiseerd geraakt dat spreken over eer met al zijn mannelijke associaties not done is? Verzwijgen we het belang van eer in onze eigen cultuur, nu we worden geconfronteerd met de eercultuur van allochtone bevolkingsgroepen, wier praktijken wij als primitief, althans premodern zien? In de gangbare wetenschappelijke opvatting zouden moderne geïndividualiseerde westerse samenlevingen immers worden gekenmerkt door een schuldcultuur, en de premoderne, naar collectiviteiten georganiseerde mediterrane en oosterse samenlevingen door een eer- en schaamtecultuur.
Waarschijnlijker is dat het eerbegrip besmet is geraakt door de Duitse Nazi-praktijken. Zoals in zo veel hedendaagse discussies zou ook hier de Tweede Wereldoorlog wel eens het morele ijkpunt kunnen zijn voor wat wel en niet gezegd kan worden. Na de Tweede Wereldoorlog werd internationaal immers uitdrukkelijk afscheid genomen van de militaire eercultuur van de Duitse officieren, die werd gevoed door de burgerlijke elite. Deze elite was mede gevormd door de negentiende-eeuwse studentencorpora die, dwars tegen de modernisering van de negentiende eeuw in, feodale rites als het duel (de Mensur) hanteerden, waarin een sabelhouw over de wang als een erelitteken gold. Het devies van deze militante corpora was Eer, Vrijheid en Vaderland. De corpora waren strikt hiërarchisch georganiseerd. Men ging alleen een duel aan met gelijken op grond van het - op zich honorabele - beginsel van fair play. Dat impliceerde dat degene met wie men geen duel aanging een ongelijke en dus een inferieur wezen was.
Na hun afstuderen werden veel studenten reserveofficier in het Duitse leger. De functie van reserveofficier verschafte sociale status, vergemakkelijkte de carrière in staatsfuncties, en bond deze officieren ook als burger strikt aan de militaire erecodes. Deze militarisering werd geradicaliseerd in de eercultuur van het SS-officierencorps. Na de Tweede Wereldoorlog werd de Mensur in Duitsland verboden. Het beroep op militaire eer werd langdurig taboe verklaard.
Hoe polyinterpretabel het eerbegrip kennelijk is, en hoe afhankelijk van de sociale context blijkt uit het feit dat in Frankrijk na de Tweede Wereldoorlog de militaire en nationale eer een nieuwe impuls kregen in de figuur van generaal De Gaulle. De Gaulle zag het als de hoogste eer om Frankrijk te dienen, zoals hij tijdens de oorlog gepoogd had de eer van Frankrijk te redden. De vorige Franse president Chirac heeft in een interview ooit de elementen opgesomd waaruit de Gaullistische eer bestond: trouw aan de principes van de Franse republiek; het primaat van het algemeen belang; de weigering om privébelangen te laten prevaleren boven algemene (iets waaraan Chirac zichzelf overigens als burgemeester van Parijs niet gehouden heeft); een samengaan van private en publieke moraal; en de onafhankelijkheid en grandeur van Frankrijk. Kortom, het gezag van De Gaulle zou mede gelegen hebben in zijn eer als citoyen en als drager van een publiek ambt.
De Franse behoefte aan eer en grandeur maakt op ons als nuchtere Nederlanders een geëxalteerde indruk. We zijn als calvinisten terughoudend in het idealiseren, sublimeren en symboliseren van de Held, het Vaderland, de Familie, de Clan etc. In zon calvinistische cultuur vervult eer niet meer de functie van collectief geweten, maar is zij verinnerlijkt tot een individuele vorm van eer en geweten, tot een individuele verantwoording tegenover God of zichzelf in plaats van een collectiviteit. In zijn beroemde opstel Nederlands Geestesmerk somt Huizinga de burgerlijke deugden van de Nederlanders op, maar eergevoel noemt hij niet. In Nederland zullen we mede daarom niet snel beschouwingen over of pleidooien voor herstel van het eergevoel tegenkomen. Dat is niet alleen wegens onze historische achtergrond en afkeer van theatraliteit of de ervaringen met de eerpraktijken in Nazi-Duitsland, maar ook vanwege de misvatting dat in onze multiculturele samenleving onze individuele schuldcultuur in scherp contrast zou staan tot de islamitische eercultuur.
Het veld van eer
Maar ik betwijfel of er wel zon rigide onderscheid kan worden gemaakt tussen schuld- en eerculturen. Te veel signalen en fenomenen wijzen erop dat eer als waarde, moreel oriëntatieprincipe en mechanisme van kanalisering van gevoelens nog steeds aanwezig is in onze cultuur. De eer kruipt waar zij niet gaan kan. Zij blijkt lang niet altijd een primitieve emotie te zijn die tot negatieve sociale gevolgen leidt. Integendeel, heel vaak blijkt eer een belangrijke beschermingsfunctie te hebben om bepaalde sociale goederen zoals privacy of hyperpersoonlijke kwetsbaarheden zoals lichamelijke integriteit veilig te stellen.
Bovendien is het eerbegrip ook om een andere reden interessant. Anders dan de abstracte en universele idee van de menselijke waardigheid, is de praktijk van de eer zoals gezegd steeds nauw verbonden met instituties. Deugen de instituties niet, dan perverteert de eer. Deugen de instituties wel, dan kan de eer zowel op het persoonlijke als sociale vlak productieve effecten sorteren. De eer van de ambtenaar dient er bijvoorbeeld mede toe een maatschappelijk goed als een integere overheid veilig te stellen. De eer van de huisarts dient de belangenloze zorg voor de patienten. De eer van de wetenschapper dient het waarheidsgebod. De eer van de politicus dient de eerlijke, geïnformeerde en op tegenspraak ingerichte openbare beraadslaging over het publiek belang.
Anders dan vaak wordt gedacht is het veld van eer in onze cultuur dus geen slagveld van een verloren gegaan cultuurgoed. De eer is weliswaar getransformeerd, maar niet uit onze cultuur verdwenen. In de eerste plaats is daar de taal: we spreken over de laatste eer bewijzen, het woord van eer, de eer hooghouden, de eer krenken, ergens een eer in stellen, eerzucht etc. In de tweede plaats verwijst eer naar deugden die we hoogachten zoals moed, trouw, loyaliteit, zelfopoffering en fair play. Deze deugden veronderstellen op hun beurt bepaalde psychologische vaardigheden of capaciteiten zoals zelfrespect, fantasie, sublimatie en het kunnen idealiseren: het projecteren van ideaalbeelden die vervolgens tot criterium of richtsnoer van handelen worden. De meeste mensen kennen bovendien wel degelijk een eergevoel, zeker op momenten dat hun eer wordt geschonden (zoals door valse beschuldigingen).
In de derde plaats valt op dat eer nog steeds een uitgesproken masculien karakter heeft. Vrouwen hebben historisch weinig eer gekend. Zij konden slechts draagster zijn van seksuele eer, en droegen in hun kuisheid bij aan de eer van hun echtgenoot en familie. We moeten niet snel de illusie hebben dat deze vrouwelijke seksuele eer tegenwoordig geen rol meer speelt. Het ook door autochtone jongens veel gebruikte woord slettebak geeft aan dat meisjes nog steeds hun eer en reputatie verspelen bij een al te vrijmoedig seksueel leven. Hoewel we eerwraak terecht afkeuren, werden nog niet zo lang geleden ook in Nederland meisjes die ongehuwd zwanger werden doodgezwegen omdat ze de familie-eer hadden geschonden.
Het masculiene karakter van eer vinden we ook terug in sommige, vooral lichamelijk zware beroepen zoals die van mijnwerkers, havenarbeiders of brandweermannen. Vooral in Amerika is de eer van brandweermannen na de heldenmoed die zij op de beruchte 11 september in New York betoonden een bron van collectieve trots geworden.
Maar ook in het criminele milieu wordt eer als een uiterst belangrijke mannelijke deugd gezien. Sterker nog: de elementen van eer zijn niet anders dan in de niet-criminele milieus: trouw, loyaliteit, standvastigheid, niet buigen maar een rechte rug houden, zelfopoffering en niet toegeven aan angstgevoelens. Zowel de identieke inhoud als de immense verschillen in eerpraktijken maken duidelijk hoezeer eer gebonden is aan de morele kwaliteit van instituties. In alle gevallen waarin de eer door de groep, het beroep of de sociale klasse wordt bepaald, wordt zij door het individu als verplichtend ervaren. Men wil erkenning van de groep, men wil niet afgaan, men wil reputatie en prestige winnen. De keerzijde is schaamte. Men schaamt zich wanneer men niet handelt volgens de erecodes van de groep. Voorzover de eer ook werkelijk is geïnternaliseerd, schaamt men zich omdat men niet voldoet aan het geïdealiseerde zelfbeeld.
Laat ik enkele voorbeelden geven uit de recente geschiedenis die veel commotie hebben veroorzaakt en waarvan de inzet mede de eer was. Het pijnlijkste voorbeeld is natuurlijk het drama van Srebreniça: het eerverlies van de Nederlandse militairen die een genocide niet hebben kunnen voorkomen. Mede omdat hun de mogelijkheid was ontnomen – door het falen van de politieke en militaire top – om zelfstandig, autonoom en met voldoende middelen hun beschermingstaak uit te voeren. Dit eerverlies blijkt voor veel toenmalige Dutchbatters tot de dag van vandaag nauwelijks te verdragen.
Veel recenter en van geheel andere orde is de wijze waarop ABN/Amro het afgelopen jaar werd bedreigd, opgekocht en uiteengereten. Voor veel Nederlanders was het behoud van de oudste Nederlandse bank een kwestie van nationale eer. De kennelijke machteloosheid van de Nederlandsche Bank, van de minister van Financiën, van de minister van Economische Zaken en van de minister-president tegenover het brutale en roofzuchtige internationale kapitaal, werd alom als een beschamende en eerloze vertoning beschouwd. Terwijl Balkenende de historische eer van de VOC-ondernemers bezingt, staat hij ondertussen toe dat de Nederlandse financiële wereld een enorme degradatie ondergaat. Met dit verlies aan gezag verliest de Nederlandse politiek ook aan eer.
De seksualisering van onze cultuur
Tenslotte twee voorbeelden die al langer voorwerp van zorg zijn: de seksualisering van onze cultuur, die voorbij elke schaamte en eer zou zijn, en de gestage afbraak van de beroepseer in het publieke domein. Beide themas wil ik wat uitgebreider bespreken, omdat ze juist voor het integratiedebat van belang zijn.
In alle culturen is de persoonlijke, intieme levenssfeer zwaar symbolisch beladen: liefde, sex, geboorte en dood. In alle culturen vinden deze ervaringen in afzondering plaats en worden ze aan het oog van buitenstaanders onttrokken. Waarschijnlijk gebeurt dit omdat hier de grootste kwetsbaarheid van mensen ligt. Niet voor niets zijn privacy en lichamelijke integriteit fundamentele mensenrechten. En niet voor niets zeggen we dat we ons dood schamen, dat wil zeggen wel in de grond zouden willen zakken, dat we ons wel onzichtbaar zouden willen maken wanneer we betrapt worden wanneer we naakt zijn, liggen te vrijen, naar de wc gaan en andere intieme lichamelijke handelingen verrichten.
Ook doodgaan willen we niet voor het oog van vreemden. We willen zelfs niet zichtbaar zijn wanneer we gaan dementeren en aan decorumverlies lijden. We willen niet ontluisterd worden voor het oog van onbekenden. Het verlangen naar euthanasie heeft alles te maken met dit door pijn en ontluistering veroorzaakte eerverlies. Maar ook de vernedering van Saddam Hoessein, zowel toen hij een spateltje in zijn mond geduwd kreeg als toen hem de strop werd omgehangen, vervulden ons met plaatsvervangende schaamte. Vernedering, zelfs al is het van de vijand, hoort niet zichtbaar te zijn. Geconfronteerd met dehumanisering, worden we zelf minder humaan en wordt ons zelfbeeld geschonden. Zichtbaarmaking van het intieme en lichamelijke en al te menselijke kan vaak obsceen zijn.
Gegeven het belang van onzichtbaarheid voor deze lichamelijke ervaringen, kunnen we onze excessieve beeldcultuur waarin juist het meest intieme steeds opnieuw zichtbaar wordt gemaakt in porno en reality tv niet anders dan obsceen noemen. Deze zichtbaarmaking heeft niets te maken met bevrijding van taboes, menselijke zelfrealisatie of optimale ontplooiing, maar alles met schaamteloosheid en gestage dehumanisering. Het is geen toeval dat vooral mensen uit de lagere sociale klasse worden geëxploiteerd door de makers van de porno- en reality-shows. Ontering van mensen in zwakke posities die te weinig weerbaarheid hebben tegen de seksuele beeldcultuur is dagelijkse praktijk geworden in Nederland. Aan minister Plasterk komt de eer toe dat hij als eerste een poging doet althans jonge kinderen tegen deze dehumaniserende beelden en praktijken te beschermen. Als we spreken over de seksuele cultuur van allochtonen komt steevast de onderdrukte positie van vrouwen aan bod. Onze eigen geperverteerde seksuele beeldcultuur met zijn ongunstige gevolgen voor vrouwen en meisjes in de meest kwetsbare groepen durven we in het integratiedebat niet openlijk aan de orde te stellen. Maar kunnen we naar eer en geweten van allochtonen vergen dat zij in onze seksuele cultuur integreren?
Beroepseer in het publieke domein
Het tweede thema is de kwestie van de beroepseer. Deze heeft de laatste twee à drie jaar al veel aandacht gekregen, waarbij de kritiek zich vooral richt op de managerscultuur die de professionele autonomie en daarmee ook de beroepsvreugde en beroepseer zou ondermijnen. Een collega van mij, al bijna 25 jaar hoogleraar met een grote reputatie als docent, kreeg onlangs een brief van de decaan van haar faculteit die haar meedeelde dat zij nog steeds haar onderwijsbasiskwalificatie A niet had gehaald en of zij maar wilde beginnen met onderwijscursussen en het aanleggen van een portfolio. Een portfolio is een van de wezenloze onderwijsinstrumenten waarmee ook universiteiten worden getreiterd. Mijn collega sprong uit haar vel, ging naar de decaan en deelde hem mee dat zij uiteraard nooit zou buigen voor deze vernederende maatregelen. Ze vroeg hem op de man af hoe hij zo diep had kunnen zinken. Had hij dan geen eigen oordeel en geweten meer? Volgde hij altijd klakkeloos de bevelen van CvB en ministerie op? De decaan zag uiteindelijk wel in hoe kwetsend zijn brief was en beloofde dat hij de zaak voor haar in orde zou maken. Met list en bedrog, want binnen verziekte instituties zoals de universiteiten dreigen te worden is geen plaats meer voor een open vizier en een rechte rug: voor eervol en gewetensvol handelen.
De ervaring van mijn collega is representatief voor veel professionals die in het publieke domein werken. Waarom is de ondermijning van de beroepseer juist in het publieke domein zo riskant? In het publieke domein worden de algemene belangen behartigd, de culturele erfgoederen bewaard en publieke diensten geleverd. Het publieke domein heeft eigen normen en waarden zoals onpartijdigheid, betrouwbaarheid, voorspelbaarheid, het kent zijn eigen procedures, die erop gericht zijn om het vertrouwen van de burger te bewaren. Het publieke domein heeft betrekking op burgerschap, op de grondwettelijke gelijkheid van alle burgers en op een veelheid van countervailing powers die het machtsevenwicht in onze samenleving moeten bewaken.
De markt behoort tot het private domein en behartigt particuliere belangen. Niet het burgerschap maar het consumentendom staat hier centraal, niet principiële gelijkheid maar principiële ongelijkheid, niet het vertrouwen van de burger maar het wantrouwen van de consument. Caveat emptor! Niet de verdeling van macht, maar het vergroten van macht is de doelstelling van de markt. Het publieke domein wordt mede gedragen door de professionals die erin werken. Politici, ambtenaren, wetenschappers, onderwijzers, artsen en hulpverleners hebben allemaal hun eigen kundes en bekwaamheden, hun eigen beroepsautoriteit, hun eigen beroepsautonomie en hun eigen beroepseer. Naarmate de professionele identiteit sterker is, zal ook het zelfreinigend vermogen van deze beroepsgroepen groter zijn, zullen de normen van het vak beter worden gehandhaafd en zal de eigen functie binnen en ten behoeve van het publieke domein beter worden uitgeoefend.
Het vertrouwen in de overheid en de sociaal bindende kracht van het publieke domein vallen of staan met de mate waarin de professionals de ruimte krijgen hun professionaliteit optimaal in te zetten. Die ruimte krijgen ze steeds minder. Sterker nog, er wordt niets nagelaten om de autonomie van deze beroepen – en autonomie is natuurlijk een belangrijk onderdeel van de beroepseer – te verzwakken. Deregulering, privatisering, verzelfstandiging en publiek-private samenwerking hebben een heel andere professional geschapen. Niet de principiële gelijkheid van de burger en het dienen van het algemeen belang, maar de door de markt gecreëerde ongelijkheid van de consument en het dienen van private belangen is zijn oriëntatiepunt geworden.
Deze nieuwe professional wordt niet meer door vakgenoten en door de normen van het beroep gecontroleerd, maar moet zich onderwerpen aan externe controle-instanties en toezichthouders. Deze dwingen de professional verantwoording af te leggen in termen die de toezichthouder bepaalt. De resultaten moeten bovendien kwantificeerbaar zijn. Het gevolg is dat oneigenlijke en externe elementen de beroepsuitoefening binnensluipen en eerst de eigen taal en jargon van het vak en vervolgens ook de handelingspraktijk van het vak gaan aantasten. Maar hoe lang kun je trots zijn op je professionaliteit en autonomie wanneer die stelselmatig door controle-instanties wordt ondermijnd? Wanneer de institutie waarbinnen je werkt je dwingt tot een mentale draai, tot een andere frame of mind, tot de praktijken, methoden en normen van de markt, in plaats van de praktijken, methoden en normen van het publieke domein?
Wat er verloren gaat, is in ieder geval de beroepseer. Wie spreekt met werknemers in de zorgsector, op universiteiten en scholen, met werknemers van de NS, van TNT of energiebedrijven, hoort te vaak het verhaal van de vermindering van de beroepsvreugde en de beroepseer, van de enorme verschraling van de professionele autonomie. De markt heeft helemaal niet meer vrijheid gebracht, althans niet voor de werknemers. Integendeel: de markt heeft de vrijheid van de vrije professionals vernietigd. Het gevolg van deze cultuuromslag in het openbaar bestuur is een driedubbele erosie van het publiek belang, van de sociale binding die door het publieke domein tot stand kan komen, en van het burgerschap. In deze zin heeft het verlies van beroepseer alles te maken met de huidige malaise van onze sociale instituties, de democratie en het publieke debat.
Wat is het verband met het huidige debat dat door de immigratieproblematiek wordt gedomineerd? Van onze immigranten wordt verwacht dat zij integreren in de taal, de grondwet en de arbeid. Maar is dat genoeg? Wij leven zelf toch ook niet bij taal, grondwet en arbeid alleen? Het gaat toch net zo goed om de kwaliteit van onze sociale instituties, de autonomie en handelingsvrijheid die zij ons geven, en de mate waarin zij het ons mogelijk maken naar eer en geweten te leven? Waarom is er geen debat mogelijk over de eercultuur van nieuwkomers – en vaak nemen zij een sterk ontwikkelde eercultuur mee - en die van de gevestigden? Hoe verschillend eer ook zal worden geïnterpreteerd, ik sluit niet uit dat juist de algemeen-menselijke behoefte aan eer voor dit debat een opening kan bieden. Misschien leidt het zelfs tot een sociaal produktieve, gemeenschappelijk overtuiging over wat eervol en wat eerloos is.
Dorien Pessers is hoogleraar rechtstheorie aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Dit is een bewerking van de lezing die zij hield op 26 oktober 2007 bij het afscheid van Ed van Thijn van de actieve politiek.
