Komt allen tesamen
De erfenis van dominee BanningWillem Banning kan tevreden zijn. In 2005 draaide de rode dominee zich nog om in zijn graf toen Wouter Bos de PvdA op sleeptouw nam naar een sociaal-liberaal beginselmanifest waarin het vrijheidsideaal een ereplaats kreeg. Banning-woorden als saamhorigheid en lotsverbondenheid waren niet helemaal uit de tekst verdwenen, maar de inhoud ervan was lichter en dunner geworden. Banning zou de vrijheid nooit als een recht en gemeenschap nooit als een keuze hebben voorgesteld, zoals het nieuwe manifest deed. De door hem opgestelde beginselprogrammas van 1947 en 1959 ademden een vorm van communitarisme waarin de persoon zijn bestemming pas vond in de verantwoordelijkheid en dienstbaarheid jegens gezin en (volks)gemeenschap.
Wouter Bos zegt nu dat de PvdA het vrijzinnige geluid zal vertolken in een coalitie met twee christelijke partijen (NRC Handelsblad 10.2.07). Dat is hard nodig, want de sociaal-individualistische erfenis van het (ten onrechte verguisde) PvdA-beginselprogramma van 1977, die in feite in het manifest van 2005 werd bevestigd, wordt in het regeerakkoord zon beetje binnenste buiten gekeerd. De breuk met het harde neoliberale marktdenken valt zonder meer toe te juichen. Maar dat in dezelfde beweging ook afstand wordt genomen van het individualisme valt minder te waarderen (ook Banning beschouwde het liberalisme en het individualisme als synoniemen, en wantrouwde beide). In dit opzicht hebben Balkenende en Rouvoet de ideeënstrijd gewonnen. De PvdA is wel erg gemakkelijk van standbeen gewisseld.
Gezins-gezindheid
Na de verkiezingsnederlaag ontdekte de PvdA bij monde van Jet Bussemaker dat zij haar oorspronkelijke boodschap, namelijk houvast bieden in onzekere tijden, niet goed over het voetlicht had weten te brengen, noch tegenover de SP noch tegenover het CDA (Trouw 25.11.06). Oorsprongsargumenten als deze duiken vaak op als er een ideologische bocht wordt gemaakt die er niet als een kromme maar als een rechte lijn moet uitzien. Bovendien is die hou-me-vast-opvatting een wel erg schrale versie van de boodschap van de oprichter van de PvdA, voor wie niet geborgenheid maar sociale gerechtigheid de kern van het democratisch socialisme was.
Toon en inhoud van het voorliggende regeerakkoord worden in elk geval door die bangelijke boodschap bepaald. We moeten van alles samen gaan doen, gedreven door een grote behoefte aan houvast, veiligheid en (nationale) eigenheid. De nadruk ligt op het ontwikkelen van de eigen kracht van sociale instituties, minder op die van individuen. Doel is een ongedeelde samenleving, die stoelt op een stevige basis van gedeelde waarden en normen, en die zijn kracht en kwaliteit vindt in onderlinge betrokkenheid.
Model hiervoor staan de saamhorigheid en lotsverbondenheid van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, van de klassieke verzorgingsstaat, en het rijke verenigingsleven van de verzuiling. Het gezin neemt bij dit alles een speciale plaats in, als de belangrijkste bron en garantie van betrokkenheid en gemeenschapszin. Het is van grote waarde voor de opvoeding van de kinderen, het bieden van geborgenheid en het overdragen van essentiële waarden en normen. Als ideaal samenlevingsmodel wordt het ook op grotere verbanden geprojecteerd, zoals de nationale gemeenschap die – net als in Fortuyns kritiek op de verweesde samenleving – uitgroeit tot een soort gezinsvervangend tehuis.
Toen ik de verkiezingsprogrammas las, vond ik dat de PvdA met de slogan Kinderen eerst! een slimme zet deed: een sociaal-individualistische variant op de gemeenschapsideologie van het CDA, die het gezin serieus nam zonder het heilig te verklaren, omdat de aandacht vooral uitging naar de zwakste personen binnen dit gezin. Net als in het beginselmanifest sprak de PvdA zich ondubbelzinnig uit voor de positieve, bevrijdende individualisering (Wie zich bij zijn of haar emancipatie belemmerd weet door de druk van familie, traditie of religie verdient onvoorwaardelijke steun). Waar het PvdA-programma de ambitie verwoordde om het beste uit jezelf te halen, wilde het CDA vooral scholen en zorginstellingen ruimte geven om het beste uit zichzelf te halen. Maar de kern was dat het CDA koos voor ieder gezin, in welke vorm ook (de begeleidende foto toonde echter een witte man met vrouw en kind): Wat goed is voor gezinnen is goed voor Nederland.
Die gezins-gezindheid spreekt nog duidelijker uit het verkiezingsprogramma van de ChristenUnie, mede vanwege de religieuze toonzetting ervan: Vanuit de verbondenheid met God zijn we gericht op de verbondenheid met mens en samenleving. Mensen komen tot hun recht in gemeenschap met anderen. De schaduwzijden van het individualisme en het materialisme (die bijna synoniem lijken) worden fors aangezet. Gemeenschappen vormen het cement van de samenleving. Een stabiel gezinsleven heeft de hoogste prioriteit, het traditionele huwelijk tussen man en vrouw is de norm, en echtscheidingen moeten zoveel mogelijk worden tegengaan. Alleengaanden vormen tegen dit décor een nogal sneue categorie, waarbij eenzaamheid troef lijkt te zijn, en waar we met zijn allen goed voor moeten zorgen.
Voortgaande individualisering
Maar wat moet een gezinsvriendelijk regeerakkoord, waarin bovenstaande opvattingen domineren, met het sociologische gegeven dat er op dit ogenblik in Nederland al 2,5 miljoen alleenstaanden zijn, en dat hun aantal in de komende decennia zal stijgen tot 3,5 miljoen? Volgens CBS-prognoses schrijdt de huishoudens-verdunning met rasse schreden voort: terwijl eind jaren vijftig nog 1 op de 8 huishoudens alleenstaand was, zijn dat er op dit moment 1 op de 3. Singles vormen daarmee de snelst groeiende bevolkingscategorie. Nu al is ruim 40% van de bewoners in de steden alleenstaand; in studentensteden is dat zelfs de helft. In de komende decennia verwacht men ook in de randgemeenten en op het platteland een sterke toename, van minder dan 25% naar boven de 30%. In 2025 zal alleen nog de gemeente Staphorst minder dan een kwart alleenstaanden tellen. Bij de laatste Tweede-Kamerverkiezingen stemde in die zwaar-christelijke enclave meer dan 30% op het CDA, 28% op de SGP, 18% op de CU, en 7% op de PvdA.
De individualisering zet onmiskenbaar door. Jongeren blijven langer alleen, er is steeds meer sprake van huwelijksuitstel en -afstel, andere leefvormen zoals ongehuwd samenwonen en het geregistreerde partnerschap nemen toe, evenals het aantal echtscheidingen. Ook de vergrijzing telt duchtig mee: ouderen blijven vaker en langer zelfstandig, ook na het overlijden van de partner, en gaan bijvoorbeeld steeds meer lat-relaties aan. Tot aan 2050 verdubbelt het aantal zelfstandig wonende bejaarden tot 920.000. Ook op de arbeidsmarkt groeit het aantal zelfstandigen: er zijn nu rond de 800.000 geregistreerde zzpers actief, maar het werkelijke aantal freelancers is veel groter. Het merendeel daarvan bevindt zich in een onzichtbare en dus nadelige positie in het vooral collectivistisch georganiseerde belasting-, zorg- en pensioenstelsel.
Happy singles
Het is overdreven om te concluderen dat juist vanwege die voortgaande individualisering het aanzetten van saamhorigheid en gemeenschapszin de hoogste prioriteit heeft. Niet alle alleengaanden zijn zielig en eenzaam. Hoe zit het met de eenzaamheid van de partners binnen slechte en beklemmende huwelijken? Er zijn veel happy singles. Nieuwe, op vrije keuze gebaseerde gemeenschappen worden uitgevonden om zware, lotsbepaalde gemeenschappen te verlichten of te vervangen. Vriendschapsnetwerken worden geïdealiseerd in populaire tv-series zoals Friends en Will & Grace. Zowel het feminisme als de homo-emancipatie zijn voorhoedes van positieve individualisering: van experimenten met nieuwe vormen van vriendschap, liefde en gemeenschap. Urban tribes vormen zich, die bepaalde functies van traditionele families en gezinnen overnemen. Ouderen zoeken naar lossere samenwoonverbanden. Vriendschappelijke scheidingen zorgen voor niet-traditionele gezinsstructuren die ook voor kinderen niet per se ongelukkig hoeven uit te vallen.
Deze transformatie van de intieme leefsfeer heeft wel degelijk mankementen (denk aan de precaire situatie van éénoudergezinnen), maar geeft geen aanleiding voor het schrikbeeld van een volledig atomistische of solistische samenleving. Juist omdat in de nieuwe gemeenschappen meer vrijheid en onzekerheid zijn ingebouwd, zijn ze voor moderne individuen aantrekkelijker dan ouderwetse geborgen gemeenschappen. Ook in economisch opzicht zijn lossere en meer flexibele groepsverbanden voordelig: zij staan meer open voor nieuwe mensen en ideeën, en bevorderen daarmee de creativiteit en innovatie. Daarom staat individualisme niet haaks op gemeenschapsvorming, maar is het wel in strijd met de idealisering en verabsolutering ervan. Individuele vrijheden worden niet alleen geboren in de schoot van gezin, gemeenschap en traditie, maar moeten ook vaak op deze instituties worden bevochten.
Niet voor niets hebben de grondslagen van de democratische rechtsstaat over het algemeen een individualistische toonzetting en strekking. Vandaar dat grondwettelijke beginselen als de vrijheid van meningsuiting, het discriminatie-verbod en de vrijheid van godsdienst een onderlinge spanning vertonen. De democratische rechtsstaat is in dit opzicht niet neutraal maar normatief. Zij verdedigt de individuele vrijheid van levensbeschouwing en levenswijze, ingeperkt door het schadebeginsel en het discriminatieverbod, en legt daarmee het recht op andersdenken en anderszijn grondwettelijk vast. De overheid heeft in het recente verleden ook gewerkt als een sterk individualiserende kracht, zowel in het onderwijs, het zorgstelsel (denk aan de bijstand voor alleenstaande vrouwen) als het emancipatiebeleid. Het is daarom zorgwekkend, zoals ook de commentator van NRC Handelsblad (7.2.07) schreef, dat de nieuwe coalitie afscheid neemt van het liberale beginsel dat het individu startpunt en eindpunt moet zijn van het overheidshandelen.
Wat ons bindt en scheidt
Het regeerakkoord klaagt over een afnemende beleving van gemeenschappelijke normen en waarden. De veronderstelling luidt dat niet-vrijblijvende gemeenschapswaarden het cement van de samenleving vormen. Op zichzelf is daar weinig tegen in te brengen. Maar de dubbele vraag luidt wel: hoe dik moet die cementlaag zijn, en zijn gedeelde en publiekelijk vastgestelde normen en waarden het enige cement dat de boel bij elkaar houdt?
Eenheid in verscheidenheid kan ook duiden op prettige verdeeldheid. De toepassing van het harmonie- en gezinsmodel op samenleving en staat leidt gemakkelijk tot een onderschatting van de enerverende maar ook bindende kracht van conflicten, concurrentie en rivaliteit. Het regeerakkoord roemt de sterk innovatieve traditie van Nederland en wil het ondernemerschap (zelfs als schoolvak) stimuleren. Maar de nadruk wordt zó sterk gelegd op gemeenschapszin, gedeelde waarden en solidariteit als essentiële kwaliteiten om als nationale gemeenschap kansen te realiseren en weerbaar te zijn in een open, internationale samenleving, dat de voordelen van concurrentiekracht alleen naar buiten lijkt gelden. Het is goed dat het neoliberale marktdenken van de vorige kabinetten-Balkenende wordt getemperd, en dat het ideaal van (economische) samenwerking wordt gerehabiliteerd. Maar de gewenste nieuwe balans tussen dynamiek en zekerheid dreigt weer in onbalans te raken als de zekerheid zó wordt opgehemeld en het nemen van risicos zó wordt gevreesd.
Bovendien is het huis van de democratie geen gezinsvervangend tehuis. De democratie is juist uitgevonden om ons gebrek aan gemeenschap en sociale cohesie zo goed mogelijk te organiseren. De kernwaarden van het democratisch samenleven kunnen alle worden afgeleid van de minimale (maar cruciale) voorwaarden voor een goed en vreedzaam debat over wie wij zijn en willen zijn. Het is dus niet zozeer de waardenconsensus, maar juist het gebrek eraan, en de wil om hierover met elkaar in gesprek te blijven, wat ons als democratische burgers bindt. Wat de boel bij elkaar houdt, is onder andere het meningsverschil over wat ons precies bij elkaar houdt. Het gaat daarbij eerder om het op beschaafde wijze uithouden van onenigheden dan om het definitief overwinnen ervan. Anders dan het regeerakkoord stelt, is het bijvoorbeeld niet zozeer de functie van kunst om trots en gemeenschapsgevoel te scheppen, maar om de stadhouder te zijn van de waarden van dissidentie en nonconformisme.
Het geklaag over het verval van de morele orde is ook daarom overdreven omdat we door zoveel andere dingen dan alleen normen en waarden bij elkaar worden gehouden. Afgezien van het feit dat de meeste van die waarden qua inhoud individualistisch zijn, en een omstreden karakter hebben, zijn er allerhande technologieën, gewoonten en symbolen die ervoor zorgen dat de samenleving niet uit elkaar valt. Denk aan de Nederlandse taal, die eerder als een handig communicatiemiddel moet worden beschouwd dan als een heilig cultuurgoed dat zodanig bepalend is voor onze nationale identiteit dat zij in de grondwet moet worden verankerd. Denk aan middelen van verkeer en vervoer zoals autos, treinen, telefoons, post en de hele materiële infrastructuur die zij veronderstellen. Groepen jongeren staan via hun mobieltje bijna permanent met elkaar in contact. Een medium zoals televisie heeft een enorme verbindende werking, ook omdat het allerlei parasociale relaties mogelijk maakt: de asymmetrische gemeenschappen die men opbouwt als fan van publieke persoonlijkheden en celebrities (ook in de politieke sfeer). Of denk aan de inmiddels ontelbare virtuele gemeenschappen die worden opgebouwd via internet, zoals het vriendennetwerk Hyves, interactieve weblogs en allerlei themagerichte sites (waaronder politieke discussiesites zoals Waterland).
Tegen de tijd
Het regeerakkoord is een welkome breuk met het neoliberale marktdenken. Maar het is ook een knieval voor een tijdgeest die alles in het teken stelt van houvast en zekerheid. De PvdA lijkt de inhoud van de sociaal-democratie te hebben versmald tot risicomijdend gedrag. De sociale rechtvaardigheid en kansengelijkheid komen er bekaaid af. In plaats van mee te buigen met dit sociaal-conservatisme, moeten we er juist tegenin gaan, ter verdediging van de vrijzinnigheid, een sociale vorm van individualisme, en de kracht van zwakke culturele en nationale bindingen. Zekerheid en onzekerheid staan in een precaire verhouding tot elkaar: het eerste is niet alleen goed en het tweede niet alleen slecht. In plaats van toe te geven aan de angst voor de vrijheid, moeten we de risicos en dubbelzinnigheden van het bestaan beter leren uithouden en waarderen. Het is onder andere de taak van de overheid om mensen daartoe te emanciperen en beter uit te rusten. Want de kansen op werkelijke individualiteit zijn nog altijd ongelijk verdeeld.
