Opgefokte taal. Waarom pornografie iets anders is dan een brandend kruis
InleidingJudith Butler is een van de belangrijkste politieke filosofen die Europese tradities voortzet in de Angelsaksische denkwereld. In Opgefokte taal verdiept ze de discussie over vrije meningsuiting, wat in het huidige politieke klimaat hard nodig is. Zeggen wat je denkt, is immers allerminst onschuldig! Aanknopend bij eerder werk over uitsluiting op grond van geslacht, onderzoekt Butler wat het is dat woorden en andere schijnbaar puur symbolische uitingsvormen, kracht van daden geeft. Zij bespreekt een aantal Amerikaanse uitwassen die de laatste jaren in Nederland zorgwekkend herkenbaar zijn geworden. Bijvoorbeeld: het verbranden van kruizen als teken van blanke oppermacht (naast porno als teken van manlijke oppermacht) en het verbod om in het Amerikaanse leger als homo uit de kast te komen omdat dit onder soldaten als bedreiging zou worden opgevat.
Butlers uiteindelijke hoop is dat herhaling van traumatiserende uitingen de werking ervan zal veranderen. In een speciaal voor deze uitgave geschreven voorwoord geeft ze een uitdagende voorzet om haar bevindingen uit te werken voor de Nederlandse situatie.
Butler gaat in dit boek in op de verhouding tussen taal en handelen. Het valt moeilijk te ontkennen dat taal een vorm van handelen is, ofwel in de zin dat bijvoorbeeld kwetsende taaluitingen diep kunnen ingrijpen in het leven van mensen, ofwel in de zin dat woorden zelf een directe uitwerking hebben op degenen die erdoor geraakt worden. In technische termen gaat het om perlocutionaire resp. illocutionaire performatieven. In het eerste geval spreek je over de psychologische effecten van een uitspraak op iemand anders, bijvoorbeeld de reactie van een vrouw op een seksueel intimiderende uitspraak van een man. In het tweede geval gaat het om de formele taaldaad die je met een uitspraak verricht, bijvoorbeeld de uitspraak bij deze verklaar ik u tot man en vrouw van een ambtenaar tijdens een huwelijksvoltrekking, of het uit de kast komen van een homoseksueel. Vooral het laatste geval, dat waarin woorden op zichzelf al daden zijn, heeft juridische consequenties. Want als er met daden eigenlijk iets gezegd wordt, dan moeten deze daden worden toegestaan op grond van het recht van vrije meningsuiting (hoe bedreigend de gevolgen ook zijn). En andersom, als er met woorden eigenlijk iets gedaan wordt, dan is dit recht op deze woorden juist niet meer van toepassing. De taaltheorie biedt hier dus handvatten voor juridische manipulatie, die volgens Butler meestal conservatief uitpakt.
Opgefokte taal
Het zou een vergissing zijn om te denken dat de hedendaagse politieke werking van de taalhandeling verhelderd kan worden door het theoretische probleem van de taalhandeling uit te werken. De verhouding tussen theorie en politiek pakt eerder omgekeerd uit. Theoretische posities worden altijd toegeëigend en ingezet in politieke contexten waarin de betreffende theorieën strategische waarde hebben. Een vluchtige terugblik op gevallen waarin politieke aandacht voor taalhandelingen bestond, laat zien dat er heel weinig overeenstemming bestaat over de vraag of bepaalde taalhandelingen in juridische zin als gedrag in plaats van als taal kunnen worden gezien. De gangbare argumenten om geen onderscheid te maken tussen taal (speech) en gedrag, neigen ertoe het pleidooi voor overheidsregulering op te rekken, onder opschorting van verwijzingen naar het recht van vrije meningsuiting (freedom of speech). Argumenten om te blijven vinden dat taalhandelingen taal zijn, en geen gedrag, werken juist opschorting van overheidsingrijpen in de hand. In de zaak R.A.V. vs. St. Paul vernietigde het hooggerechtshof bijvoorbeeld een plaatselijke verordening die het verbranden van een kruis voor het huis van een zwart gezin als verbaal geweld uitlegde.(1) Het hof liet er geen twijfel over bestaan dat zulke taal gewoon een boodschap overbrengt en een gezichtspunt uitdrukt, al beschouwde het dit gezichtspunt ook zelf als laakbaar. Hierbij werd duidelijk afgezien van het recentere juridische argument dat het brandende kruis taal en gedrag is: zowel een boodschap van minderwaardigheid als een discriminerende handeling (in de zin waarin een bordje Slegs vir blankes zowel een idee uitdrukt als zelf discriminerend gedrag vormt).
In MacKinnons boek Only Words wordt pornografie als taal en gedrag opgevat, als performatieve uiting. Pornografie wordt zo niet alleen begrepen als iets wat beledigend op vrouwen inwerkt (een perlocutionaire stelling), maar ook als iets wat vrouwen als categorie minderwaardig maakt door de wijze van weergeven (een illocutionaire stelling). Het brandende kruis zou dan overeenkomen met de pornografische uiting, omdat ze allebei een kwetsing weergeven en verwerkelijken. Maar is de illocutionaire stelling wel net zo makkelijk van toepassing op pornografie als op het brandende kruis? In beide gevallen geldt een andere theorie van de representatie en een andere theorie van de performativiteit. Ik zal betogen dat beeldmateriaal over het algemeen niet op dezelfde manier kan dreigen of vernederen of neerhalen als het brandende kruis. De suggestie dat beide voorbeelden hetzelfde soort verbale gedrag concreet maken, berust niet alleen op een onjuiste beoordeling, maar buit het teken van raciaal geweld uit om de veronderstelde kwetsende macht van pornografie door een metonymische verschuiving te versterken.(2)
We horen nog niet zo heel lang over taal die tot handelen aanzet. De Israëlische pers besteedde veel aandacht aan de opruiende rechtse retoriek in Israël en aan de vraag of deze retoriek verantwoordelijk kon worden gehouden voor de moord op Yitzhak Rabin. Maar hoe zouden uitingen in zulke gevallen in het handelen binnendringen? Hoe zou taal op zon manier gehoord en als drijfveer aanvaard kunnen worden dat de hoorder er werktuiglijk door tot handelen wordt gebracht of door wordt aangestoken? Anti-abortusactivisten hebben met beperkt juridisch succes aangevoerd dat termen als abortus als ze op het internet verschijnen zelf onzedelijkheden zijn. In een vliegtuig zag ik laatst zelfs een film waarin het woord abortus tijdens het uitspreken werd weggepiept. De uiting wordt niet zozeer begrepen als aanstootgevend vanuit bepaalde gevoeligheden, maar als kwetsing – alsof het woord de handeling voltrekt en de gekwetste partij uit weerloze ongeborenen bestaat. Ook in de Amerikaanse krijgsmacht wordt zon magische werking aan woorden toegeschreven: als iemand verklaart homo te zijn, wordt dit als overdracht van iets homoseksueels begrepen, en dus als een soort homoseksuele handeling.
Opvallend genoeg werkt deze magische kijk op de performatief niet door in politieke kwesties waarin taal en gedrag uit elkaar worden gerukt. De bereidheid van het hof om het brandende kruis in de zaak R.A.V. vs. St. Paul als door de wet beschermde taal te behandelen, maakt duidelijk dat de niet-performatieve visie op taal uitgebreid kan worden om racistisch gedrag te verdedigen. Om bepaalde politieke doelen te bereiken wordt dan geknoeid met het onderscheid tussen taal en gedrag. Als MacKinnon zich, om pornografie als performatieve taal uitgelegd te krijgen, en dus als weergave die zich kwetsend gedraagt, op het gezag beroept, lost ze de theoretische vraag van de verhouding tussen representatie en gedrag dus niet op. Ze heft dit onderscheid zo juist op om de overheid meer macht te geven om in te grijpen naar aanleiding van expliciete seksuele voorstellingen.
In veel opzichten begint juist deze uitbreiding van de macht van de overheid een van de grootste bedreigingen te worden voor het discursieve functioneren van een homo- en lesbische politiek. Zon politiek draait om een aantal taalhandelingen die als beledigend en zelfs kwetsend gedrag kunnen worden opgevat, en ook zijn opgevat: beeldende weergave van zichzelf zoals in de fotografie van Mapplethorpe, uitdrukkelijke zelfonthulling zoals in de praktijk van het uit de kast komen, en expliciete seksuele voorlichting zoals aidsvoorlichting. Met betrekking tot deze drie gevallen is het nodig om op te merken dat het weergeven van homoseksualiteit niet zomaar hetzelfde is als homoseksueel handelen, ook niet als het weergeven een belangrijk handelingsaspect heeft. Als iemand verklaart homo te zijn, is de verklaring en niet de homoseksualiteit de performatieve handeling, tenzij we zouden willen volhouden dat homoseksualiteit zelf niets anders is dan een verklaring, wat een rare zet zou zijn. Evenmin komt het weergeven van seksuele praktijken bij de aidsvoorlichting neer op het verspreiden van aids of op het aanzetten tot bepaalde vormen van seksualiteit (tenzij we het als een van de doelen van deze voorlichting zien om aan te zetten tot veilig vrijen). Met zulke gelijkstellingen wekken conservatieve critici de indruk dat gangstarap verantwoordelijk is voor misdaad in de steden en ontering van vrouwen. Ze begrijpen het weergeven niet als iets performatiefs, maar als oorzaak. William Bennett en C. Delores Tucker streefden met hun oproep om in het openbaar weerstand te bieden tegen gangstarap weliswaar geen overheidsingrijpen na tegen de bedrijven die de muziek financierden, maar ze brachten wel het idee in omloop dat zulke muziek (en de tekst ervan) perlocutionaire effecten heeft, en ze stelden het weergeven ervan voor als iets wat tot misdaad en geweld leidt. Door taal en gedrag samen te laten vallen, wordt zo de oorzaak van stedelijk geweld gelokaliseerd. Een discussie over de bredere institutionele voorwaarden voor geweld van rechts wordt daarmee, net als bij de Israëlische bezorgdheid over opruiende retoriek, in de kiem gesmoord. Dat men zich tegen rapteksten keert, kan in de Verenigde Staten ook als afleiding dienen van een fundamentelere analyse van ras, armoede en opgekropte gevoelens, en van de expliciete registratie daarvan in stedelijke Afro-Amerikaanse populaire-muziekgenres.
Helaas neigen bepaalde toe-eigeningen van argumenten tegen hate speech ertoe de effecten van kwetsing op grond van ras te verminderen door de mogelijkheden tot kwetsing op grond van seksualiteit te vergroten. En de conservatieve aanval op rapmuziek lijkt stilzwijgend feministische argumenten tegen kwetsende weergave over te nemen. Nieuwe normen van fatsoen vereisen dat bepaalde stedelijke voorwaarden voor geweld niet worden weergegeven. Daardoor moet seksuele kwetsing van vrouwen begrepen worden met behulp van raciale stijlfiguren: de waardigheid van vrouwen zou niet zozeer worden ondermijnd door de uitholling van rechten die reproductieve vrijheid garanderen, of doordat veel vrouwen hun uitkering zijn kwijtgeraakt, maar vooral door Afro-Amerikaanse mannen die zingen.
Visies die de performatief, in zijn illocutionaire en perlocutionaire vormen, als een probaat model onderschrijven, kunnen feministisch of antifeministisch, racistisch of antiracistisch en homofoob of antihomofoob zijn. Visies op de werkzaamheid van de taalhandeling kunnen dus niet zomaar op één lijn worden gesteld met politieke visies in het algemeen, of meer in het bijzonder met een visie op de juiste uitleg van het recht van vrije meningsuiting. Niettemin lijkt duidelijk dat bestaande neigingen om taal juridisch te beknotten in brede zin ondersteund worden door het gebruik van het illocutionaire model van hate speech. Naarmate het verband tussen taal en gedrag echter sterker wordt aangezet, en het onderscheid tussen geslaagde en niet-geslaagde handelingen vollediger wordt opgeheven, ligt het meer voor de hand om te stellen dat kwetsing niet gewoon een consequentie van taal is, maar dat taal zelf kwetst, waarmee het eenduidig een vorm van gedrag wordt. Het samenvallen van taal met gedrag, dat de kloof ertussen dicht, maakt overheidsingrijpen beter verdedigbaar, want door taal in de genoemde gevallen volledig onder gedrag te rangschikken, wordt het recht op vrije meningsuiting omzeild. Door echter vast te houden aan de kloof tussen taal en gedrag wordt er plaats ingeruimd voor niet-juridische vormen van verzet, die taal nieuwe podia en hernieuwde betekenis verschaffen in contexten die de door gerechtshoven vastgestelde omstandigheden overstijgen. Daarbij bestaat het gevaar dat strategieën die ten behoeve van progressieve juridische en sociale bewegingen zijn bedacht, zich tegen deze bewegingen keren doordat ze de overheid, en in het bijzonder de wet, meer macht geven over de onderwerpen in kwestie. Of het nu gaat om oprekking van de reikwijdte van het begrip onzedelijkheid, om invoering van een rechtsbeginsel tegen opruiende woorden (tot dusver niet gelukt), of om de uitbreiding van antidiscriminatiewetgeving tot taal die als discriminerend gedrag wordt opgevat, steeds werken zulke strategieën overheidsregulering van de themas in kwestie in de hand. Dit biedt de overheid de mogelijkheid om zulke precedenten juist tegen de sociale bewegingen te gebruiken die voor de aanvaarding van zulke rechtsbeginsels pleiten.
Voorpublicatie uit Judith Butler, Opgefokte taal. Een politiek van de performatief,
vertaald door Niels Helsloot, verschenen bij Parrèsia, Amsterdam, www.uitgeverijparresia.nl
1. R. A. V. v. City of St. Paul, 505 U.S. 377 (1992) was een United States Supreme Court zaak die betrekking had op de 'free speech'- bepaling van het 'first amendment' op de Grondwet van de VS. In een -overigens niet unanieme- beslissing bepaalde het Hoogggerechtshof de plaatseljke verordening van St. Paul als onwettig en maakte daarmee de veroordeling ongedaan van een jongen die een brandend kruis had geplaatst in de tuin van een Afro-Amerikaans gezin.
De plaatselijke verordening verbood uitingen die 'boosheid, paniek of wrok' veroorzaakten in anderen, maar verbond die bepaling aan het beledigen op basis van ras, kleur, geloof,religie of gender; andere beledigende uitingen (bijvoorbeeld beledignd op basis van sexuele voorkeur, politieke voorkeur, vakbondslidmaatschap en dergelijke) waren klaarblijkelijk wel geoorloofd. Het Hoogerechtshof achtte dit onderscheid niet gerechtvaardigd en vond dat St. Paul niet zodanige restricties mocht opleggen dat sommige beledigingen wel, andere niet verboden waren.
2. Bij een metonymie gebruikt men een enkel karakteristiek om naar een veel complexere entiteit te verwijzen. Bijvoorbeeld: Den Haag (letterlijk de stad Den Haag) verwijst naar de Nederlandse regering. In de tekst slaat een metonymische verschuiving dus op het verband tussen het brandende kruis en blanke oppermacht en tussen pornografische beelden en mannelijke oppermacht. Butler problematiseert hier dus vooral de laatste metonymy die door MacKinnon naar voren is gebracht.
