Hedendaags leiderschap in de toeschouwersdemocratie
Waren we maar paarden in MarrumBegin november 2006 haalde Nederland het wereldnieuws met de redding van een kudde paarden in de ondergelopen kwelder bij het Friese Marrum. De reddingsoperatie had veel te maken met leiderschap. Een vrouwelijke redder bedacht de oplossing. Zij bereed zelf een paard van bijzonder kaliber. Zij slaagde erin met dat paard contact te maken met de leider van de kudde, een merrie. Toen de merrie meeging met het paard van de redder volgde de hele kudde. Zou de merrie zich verheven hebben gevoeld boven het naderende paard, dan zou zij geen stap in de richting van het vasteland hebben gezet, en zou het risico van uitputting van de hele kudde steeds groter zijn geworden.
Leiderschap in de dierenwereld is normaal, zelfs wanneer die leiders voorgaan in een gemeenschappelijke zelfmoord. Leiderschap in een democratische samenleving is niet zozeer abnormaal als wel fundamenteel omstreden. We zien onszelf als burgers en als aanhangers van politici die het in onze ogen uitstekend doen. Maar we willen niet langer als onderdanen worden behandeld. We associëren het bestaan van volgelingen met het ontstaan van Führer. Dat is niks voor democraten en al helemaal niet voor Nederlandse democraten met een opstandigheidsgen.
Op dit moment zijn veel politieke leiders in het Westen impopulair. In een gezelschapsspel dat aan Monty Python herinnert, troeven we elkaar af met zelfkastijdende vergelijkingen: Nee, dan onze leider. Die is nog beroerder dan die van jullie! Amerikanen zijn ontevreden over Bush, Belgen over Verhofstadt en Britten over Blair. Ook voor de eerste maal gekozen of toch weer herkozen leiders worden met wantrouwen bejegend, soms zelfs door verliezende leiders die hun nederlaag niet willen toegeven (Aznar in Spanje, Berlusconi in Italië). Denk aan de Braziliaanse president Lula, de Canadese premier Harper, de Duitse bondskanselier Merkel, de Italiaanse premier Prodi, de Oostenrijkse premier Gusenbauer en de Spaanse premier Zapatero, om maar te zwijgen over de politieke crises in Hongarije, Mexico en Polen. Er zijn uiteraard uitzonderingen als Denemarken (premier Rasmussen, die de spotprenten-affaire overleefde), Japan (de nationalistische premier Abe, aangewezen door zijn populaire voorganger Koizumi) en Zweden (de nieuwe premier Reinfeldt, die een zacht alternatief biedt voor de sociaal-democratische hegemonie). Maar in nogal wat landen is er een luide en brede roep om beter leiderschap temidden van een gezakt vertrouwen in partijen, parlementen en regeringen.
In ons eigen land mocht premier Balkenende zich in een opmerkelijk stijgende populariteit verheugen. Hij is inmiddels begonnen aan zijn vierde kabinet. Maar het land heeft vijf loden jaren achter de rug vol politiek geweld, economische teruggang, sociale onrust alsmede morele verdeeldheid en verwarring. In deze jaren van crisis in de nationale identiteit werd leiderschap een dagelijks gespreksthema. Opnieuw moesten de regenten het ontgelden. De obsessie met falende leiders is altijd een veeg teken. De Britse kunstcriticus Clive Bell waarschuwde eens dat heldenverering het onfeilbare teken is van een tijdperk zonder scheppingskracht. De stroom van aandacht voor het thema leiderschap in de politiek, het bedrijfsleven, de verenigingen, de wetenschap, de journalistiek en de jeugdcultuur wijst op een vergelijkbare onvruchtbaarheid.
Nog niet zo lang geleden feliciteerden Nederlanders elkaar met hun post-autoritaire afscheid van leiders. We waren immers individualisten geworden die het allemaal zelf wilden en konden uitzoeken. We hadden voortaan enkel interactieve leiders nodig die de consensus bewaakten door als het ware de stoelen klaar te zetten voor welke kritische burger dan ook. Maar het Sociaal en Cultureel Planbureau constateerde in 2005 dat er reeds voor de opkomst van Pim Fortuyns charismatische leiderschap sprake was van toegenomen steun voor de stelling: Wat we nodig hebben zijn minder wetten en meer moedige, onvermoeibare en toegewijde leiders in wie het volk vertrouwen kan hebben. Het percentage van mensen tussen 18 en 70 jaar dat deze stelling onderschreef, daalde vanaf 1970 tot 1996 van 65 tot 30 procent, maar steeg vervolgens tot bijna 60 procent in 2004.
Al sinds mijn studententijd ben ik een liefhebber van het werk van de grote Oostenrijks-Amerikaanse economist Joseph Schumpeter, die veel aandacht besteedde aan de scheppende vernietigingskracht van zogeheten entrepreneurs in de markteconomie en de representatieve democratie. Maar lange tijd stond ik sceptisch tegenover een sociaal-wetenschappelijk begrip van leiderschap in de samenleving en de politiek. Veel betogen over leiderschap door organisatie-adviseurs zijn dure prietpraat: ze zijn innerlijk tegenstrijdig, vaag, onweerlegbaar en eenzijdig. Men legt nooit uit waarom een en dezelfde eigenschap, zoals een onschokbaar wereldbeeld, in de ene toestand een pluspunt is van de leider (denk aan Ronald Reagans posthume overwinning in de wapenwedloop tegen het Russische rijk van het kwaad), maar in de andere toestand een minpunt blijkt te zijn (denk aan Bush de Jongere en diens strijd tegen de as van het kwaad). Men vergeet dat grote leiders als Churchill, De Gaulle en Roosevelt talloze nederlagen leden en beoordelingsfouten maakten voordat ze een wereldwijde grandeur bereikten. Men verzwijgt dat dergelijke leiders ook na verloop van tijd hun prestige verloren of dat hun besluiten door historici werden onderworpen aan een pijnlijke herwaardering (denk aan Trumans besluit om de atoombom te gooien op twee Japanse steden). Maar ik ben van mening veranderd. Het is wenselijk, mogelijk en haalbaar dat er een houdbare theorie over democratisch leiderschap wordt geformuleerd.
De roep om moreel leiderschap
In Het land van haat en nijd (2006) observeren de journalisten Kleywegt en Van Weezel dat nogal wat dolende Marokkaanse jongens rust vinden bij predikers als de Nederlandse imam Abdul Jabbar van de Ven. Maar die jongens zijn bepaald de enigen niet. Het lijkt erop dat talloze en uiteenlopende leden van de brede middenklasse het gevoel hebben dat hun burgerlijkheid in het gedrang komt. Ze willen leiders volgen die hun zedelijkheid en voorspoed beschermen tegen de gevaren en bedreigingen van ordeloosheid en globalisering. Ik noem enkele oorzaken van de hedendaagse roep om moreel leiderschap, ook in Nederland.
1. De politieke partijen en maatschappelijke verenigingen bieden geen beschutting meer, geen gevoel thuis te zijn, geen soelaas tegen vervreemding. Burgers in hun rol van kiezers selecteren voortaan leiders die op een herkenbare manier omgaan met hun enorme uitvoerende macht. Politieke partijen worden de voertuigen voor dit personalistische, deels plebiscitaire soort leiderschap. In presidentiële democratieën is deze tendens zeer zichtbaar, maar ook in parlementaire democratieën beginnen premiers, en soms ook partijleiders, ministers en uitzonderlijke parlementariërs, uit te groeien tot idolen met idiosyncratische wereldbeelden (Thatcherisme en Blairisme in het Verenigd Koninkrijk; bij ons het gedachtegoed van Bolkestein, het Fortuynisme, en Balkenendes waarden en normen).
2. Het toch al ingewikkelde beleid van de overheid, maar ook van bedrijven en allerlei arbeidsorganisaties, is onpersoonlijk geworden en in handen geraakt van koude en zelfzuchtige managers. Hier moet een tegenwicht worden geboden door entrepreneurs die het persoonlijke symboliseren, zodat cliënten, werknemers, en het toeschouwende publiek van mediagebruikers zich kunnen vereenzelvigen met de staat en met formele instellingen in de samenleving (emotioneel, principieel, kortom spiritueel).
3. Het wantrouwen tegenover medeburgers is toegenomen. Mensen willen leiders om die bedreigende medeburgers mores te leren: voetbalvandalen, allochtone misdadigers, oplichters in de marktsector, en ga zo maar door.
4. Er heeft een grootscheepse heroverweging plaats in het rechtsbewustzijn en de moraal. Achter de rug om van luidruchtige nieuwe politici (Fortuyn, Heinsbroek, Wilders), hebben veel mensen stilzwijgend en geleidelijk afscheid genomen van de progressieve tijd van leiderloosheid (in Nederland sinds de lange jaren zestig). Ze willen een terugkeer van echt, gemeenschapsgericht leiderschap in het gezin, op de school, in de werkkring, in de openbare ruimte. Dit past in de drastische overgang van behoedzame vooruitstrevendheid naar openlijke behoudzucht in de maatschappelijke en politieke cultuur van Nederland sinds 2001.
Het denkbeeld van democratisch leiderschap
Wie representatieve democratie zegt, zegt politieke elite. Een dergelijk politiek stelsel steunt op een bepaalde publieke filosofie ter verdediging van een afstand tussen kiezers en gekozenen. Ik stip de belangrijkste argumenten kort aan. Ten eerste het argument van de doelmatigheid ofwel delegatie. De kosten van de politieke besluitvorming gaan omlaag en blijven beheersbaar wanneer en omdat we het politieke handwerk overlaten aan een kleine groep vertegenwoordigers.
Ten tweede is er het argument van de moderne vrijheid ofwel professionalisering. Door een arbeidsverdeling te scheppen tussen politici, bestuurders en overige (vaak door politici benoemde) gezagsdragers in de publieke sector, heeft het leeuwendeel van de bevolking (u en ik) de gelegenheid om iets anders te doen en onszelf te ontplooien in overeenstemming met onze particuliere levensplannen.
Ten derde is er het argument van de stabiliteit ofwel normalisering van pluralisme. Een gekozen parlement met oppositiepartijen biedt een tegenwicht tegen de overheersing of zelfs tirannie door de uitvoerende macht.
Ten vierde is er het argument van de vrede ofwel de pacificatie. Krachtige parlementen met stevige partijen bevorderen een schikking tussen gevestigde en opkomende elites en hun achterbannen. Verdraagzaamheid en soepele wederzijdse aanpassing worden routine.
Ten vijfde is er het argument van de volkssoevereiniteit ofwel natievorming. Het bestaan van een nationale volksvertegenwoordiging met een publiek toegankelijke en zichtbare ruimte voor representatie door partijen (links-midden-rechts) is waardevol voor het volksbestaan, zoals een munt, een koningshuis, een toporkest of een voetbalelftal dat ook zijn.
Het laatste en in dit verband meest belangwekkende argument betreft de kwaliteit van de politiek ofwel de vormgeving van een natuurlijke aristocratie, of beter politieke meritocratie (regering door de besten op eigen kracht). Het argument stelt dat volwassen burgers voldoende vaardig en verstandig zijn om die politici te selecteren die het meest vaardig, waardig, deugdzaam, gewetensvol en vaderlandslievend zijn en ook het best in staat zijn boven de partijen te staan in uitzonderlijke omstandigheden zoals oorlog en instorting van de volkshuishouding. In de glorietijd van de volkspartijen – tussen de jaren zeventig van de negentiende eeuw en die van de twintigste eeuw in Nederland – werd hieraan toegevoegd dat juist charismatische partijleiders gesneden uit het hout van Kuyper en Domela Nieuwenhuis nieuwe kiezers en actievoerders uit de lage standen verheffen.
De ethiek van leiders
Welke eisen mogen we nu stellen aan leiders in een normatieve theorie van de democratische samenleving en politiek? De grote socioloog Max Weber beperkt zich in zijn beroemde lezing 'Politik als Beruf' (1919) tot de ethiek van leiders. In de gezindheidsethiek draait het om de wil van leiders om een bepaalde zuivere moraal aan iedereen op te leggen, zodat iedereen de juiste deugden, regels en doelen onderschrijft. In een verantwoordingsethiek let de leider voortdurend op de gevolgen van moreel overheidshandelen voor haar of zijn volk. De leider weegt de baten van immoreel handelen namens de natiestaat en de kosten van moreel handelen tegen elkaar af. Weber beschouwde de gezindheidsethiek als voer voor revolutionairen die Duitsland de vernietiging zouden injagen. Hij verkoos de verantwoordingsethiek van sterke presidenten in de jonge republiek van Weimar. Webers opvatting over leiderschap met vuile handen werd na de oorlog gemeengoed onder mannen als Kennedy, Brandt, Schmidt, Palme en Den Uyl. Zij wordt in Nederland nog steeds verdedigd, onder anderen door de liberaal Bolkestein. Maar het is opmerkelijk hoezeer radicale politici als Fortuyn, Hirsi Ali en Verdonk succes hebben geboekt door een gezindheidsethiek te verkondigen in de traditie van het Nederlandse calvinisme.
Ikzelf onderscheid de volgende eigenschappen van goede leiders in een democratie. Ze horen collectieven vorm te geven (de optelling van deelbelangen); strijdpunten te verduidelijken maar ook vraagstukken en visies op de toekomst; normen en prioriteiten te stellen; een voorbeeld te zijn voor anderen; een doorbraak in wetgeving en beleid te forceren (als die aantoonbaar destructief zijn); unieke mogelijkheden te grijpen; knopen door te hakken; en de verantwoordelijkheid te nemen als de dingen helemaal fout lopen. Democratische leiders zetten hun visie in, hun praktische verbeeldingskracht, charisma (genadegave, vandaag: mediamieke aura alias uitstraling), retorische kracht, en inlevingsvermogen. Ze horen risicos te nemen. Een afbreukrisico wat betreft hun loopbaan komt in hun woordenboek niet voor. Ze dienen een balans te scheppen tussen electorale leiding in de verwerving en het behoud van regeringsmacht en bestuurlijke leiding in het gebruik en de verbetering van dergelijke macht.
Leiders in de toeschouwersdemocratie
Volgens de Franse politieke filosoof Bernard Manin ondergaat de representatieve democratie een gedaantewisseling, tegen de achtergrond van individualisering, schaalvergroting en internationalisering, en de verandering van openbaarheid (commercialisering van televisie, nieuwe digitale media). In de negentiende eeuw was er de heerschappij der notabelen in de parlementaire democratie. In de twintigste eeuw was er de heerschappij der partijbureaucraten in de partijdemocratie. In de nieuwe eeuw komt een heerschappij van campagnevoerders op binnen een toeschouwersdemocratie (démocratie du public, audience democracy). De vier beginselen van deze democratie zijn als volgt te omschrijven.
De verkiezing van politici wordt een wisselwerking tussen vertrouwen schenkende kiezers die aandacht besteden aan de persoonlijke kwaliteiten van kandidaten en kandidaten die hun eigen betrouwbare kwaliteiten in de openbare sfeer inkaderen met de hulp van mediadeskundigen. Dit is de
De betrekkelijke onafhankelijkheid van politici van de verlangens en eisen van het electoraat wordt bepaald door een toenemende mate van vaagheid van gevisualiseerde betrokkenheid van politici gedurende campagnes: quasi-contracten (in vier jaren is het aantal probleemwijken/illegalen, enzovoort gehalveerd) drijven partijbeginselen, partijprogrammas en subculturen van trouw kader uit. Dit is het losser worden van het mandaat, en, wellicht, van de politieke instemming en het maatschappelijk verdrag.
De vrijheid van de publieke opinie wordt in toenemende mate verwezenlijkt door eigenaren van media, professionele journalisten en internet-verslagevers die assertief zijn, concurrerend op de markt, en onafhankelijk van de staat en het partijpolitieke subsysteem. Een illustratie hiervan is de veelvuldigheid van meningspeilingen. Deze derde eigenschap is de groei en differentiatie van publiciteit, mediakritiek, en constant toezicht op de overheid door sociale krachten in de openbare sfeer.
Tenslotte wordt de beproeving van de wet door discussie in toenemende mate gekenmerkt door een voortdurend debat in de media voor nieuws en communicatie. Daar ontmoeten politici eigenwijze journalisten, deskundigen, gewone burgers en andere, ongekozen vertegenwoordigers van de burgerij. Het publiek dat kijkt, luistert, leest en praat omvat een groeiende laag van heterogene en zwevende kiezers die goed op de hoogte zijn, belang stellen in de politiek en goed zijn opgeleid. Dit is het kenmerk van permanente en horizontale campagnevoering door gezagsdragers zelf en door degenen die tegen hen opponeren. De wisselwerking tussen politieke leiders als regisseurs, volksvertegenwoordigers en ministers als acteurs, kiezers als toezichthouders die beurtelings klappen en boe roepen, en de journalisten als intermediairs en recensenten vormt alles bij elkaar het politieke schouwspel van de representatieve democratie.
Zeven hypothesen
Mijn stelling is dat we de juichende beschouwingen over dit soort democratie moeten opschorten. Maar dat geldt ook voor de bezwaren tegen de drama-democratie of de plebiscitaire democratie. Er wordt vaak beweerd dat de toeschouwersdemocratie voert naar overmatige personalisering, polarisatie, politisering van de maatschappij, vulgarisering van de cultuur en verbrokkeling van overheidsbeleid. In mijn opvatting moeten we echter veel preciezer verwoorden en bestuderen wat het gedragsrepertoire is van campagne-politici, politieke journalisten en toezichthoudende burgers met een televisietoestel en een aansluiting op het web. Hier zijn, in het kort, mijn hypothesen over politici in een toeschouwersdemocratie.
P0 (Hypothese Nul over politiek gedrag): huidige politici erkennen geen enkele hogere macht buiten de politiek en evenmin aanvaarden ze een tweede plaats binnen de politiek.
P1: politici zonder acteercompetenties en een aura in de openbare sfeer – vooral het televisiescherm – zullen verliezen op de korte termijn, en uitsterven op de lange termijn.
P2: jonge politici zijn minder geworteld in de cultuur van het establishment en de pikorde dan oude politici, voorzover ze gerecruteerd worden uit nieuwe beroepen zoals de marketing, de televisie, de film, de populaire journalistiek, de populaire sporten, de kunsten alsmede sterren in de oude professies (advocaten).
P3: televisie doet ertoe wat betreft het succes van (beroemde) politici en hun achterbannen. Wat er frontstage gebeurt is voor politici minstens zo belangrijk als wat er backstage gebeurt (onderhandelen, wetten voorbereiden).
P4: de campagnepartij – een geoliede machine - is nooit voorbij zolang de show van politieke deelname en vertegenwoordiging doorgaat.
P5: politici hebben goede redenen van defensieve en offensieve aard om te investeren in beheer van het politieke nieuws.
P6: politici moeten leren omgaan met hun afhankelijkheid van media en de spanning tussen deze afhankelijkheid en hun quasi-narcistische zelfbeeld (zie P0).
P7: politici in de overgang van de Nederlandse consensuscultuur zullen proberen nieuw populisme te mengen met oud pragmatisme.
Leiders van nieuwerwetse campagnepartijen gaan heel anders te werk dan leiders van traditionele volkspartijen. Denk maar eens aan het feit dat ze autobiografische geschriften verspreiden die in de plaats komen van verkiezingsprogrammas (Berlusconi, Fortuyn, en onlangs vrijwel alle Nederlandse lijsttrekkers). Hun gezag bij de meerderheid van niet-leden steunt op charisma en mode, niet op procedures en traditie. Hun presentatie is die van een buitenstaander met een missie om het establishment schoon te vegen. Hun volgelingen willen zien hoe hun leider het establishment aanvalt en verslaat, terwijl er in de partijdemocratie sprake was van stijgende insiders en trouwe aanhangers die begrepen dat veel politiek besloten en gesloten is, dus backstage plaats heeft. Hun biotoop is het media-circuit, niet het staatsapparaat. Interactieve alias communicatieve leiders drijven op het rechtstreekse of virtuele contact met de gehele bevolking. Ze willen de centrale overheid overmeesteren door spectaculaire stappen, en deze overheid aansturen via public relations (vergelijk een oefenmeester van een sportploeg die voor de televisiecamera zegt hoe iedereen moet spelen en wie goed speelt of slecht). Tenslotte zijn leiders van campagnepartijen in normale tijden populistisch. Ze proberen de korte-termijn wensen van de bevolking te vervullen en nemen onsamenhangendheid van het overheidsbeleid en de lange-termijn kosten daarvan op de koop toe.
Voorlopers van dit leiderschap zijn de al genoemde Kennedy en De Gaulle. Bekende voorbeelden vandaag zijn de Amerikaanse presidenten Reagan, Clinton en Bush de Jongere; de Amerikaanse presidentskandidaat Perot; de Britse premiers Thatcher en Blair (en de Britse premierkandidaat Cameron); de Californische goeverneur Schwarzenegger; de Duitse bondskanselier Schröder; de Franse presidentskandidaten Sarkozy en Royal (leerlingen van Mitterrand en Chirac), de Italiaanse premier Berlusconi, de Japanse premier Koizumi, de Mexicaanse president Fox, en de Nederlandse politici Fortuyn, Bos en Verdonk. Ik bespaar u de deels tragikomische voorbeelden van celebrity politicians in India, de Filippijnen en Thailand.
Selectionisme: een dringende zaak van, voor en door burgers
Tijdens een van de vorige crises van de Westerse democratie schreeuwde de sociaal-democraat Bonger het uit: De democratie zal selectionistisch zijn, of niet zijn! Ons probleem vandaag heeft opnieuw te maken met een verstoring van de selectie. Veel kiezers zoeken naar lijsttrekkers en andere kandidaten die authentiek overkomen, transparantie beloven en een gevoel van nabijheid vna macht geven. De structurele oorzaak hiervan is de verandering van politieke openbaarheid richting toeschouwersdemocratie. De culturele oorzaak betreft een dubbelzinnige opwaardering van echtheid en wantrouwen.
Mensen zijn gewend geraakt aan het naoorlogse peil van welstand en zelfstandigheid. Ze willen anders leven dan hun voorouders, en wel in overeenstemming met hun hoogst persoonlijke aspiraties, overtuigingen, projecten en verhalen. Ze willen ook dat hun echte persoonlijkheid wordt opgemerkt door anderen in een respectvolle combinatie van afzijdigheid en hulpverlening. Deze gemengde (verlichte en romantische) levensbeschouwing wordt vertaald in een luidruchtige eis aan de beroepspolitiek. Onze politici en bestuurders mogen nooit meer veinzen, verhullen en liegen. Ze moeten duidelijk zijn, eerlijk, menselijk in de uiting van hun indrukken en dromen, maar ook bovenmenselijk in de erkenning van eigen fouten en gebreken. Leiders moeten bovenal authentiek zijn in hun moed, volharding, en toewijding.
De andere kant van deze cultus is wantrouwen. Echte mensen zijn mensen die doen alsof ze echt zijn en als zodanig willen overkomen op de rest. Dergelijke mensen hebben liever geen corrigerende autoriteit meer boven zich. Als het dan toch nuttig is macht te delegeren aan leraren, agenten, chefs op het werk en ambtenaren, dan enkel onder de voorwaarde dat de gezagsdrager luistert, kwesties bespreekbaar maakt, meeleeft en aldoor verantwoording aflegt voor eigen initiatieven. Dit geldt des te sterker voor hoog geplaatsten zoals ministers en bedrijfsbestuurders, die zelden meteen opstappen bij aantoonbare mislukking. In deze atmosfeer van populistische echtheid en anarchistisch wantrouwen wordt electoraal en bestuurlijk leiderschap een onmogelijke spagaatbeweging. De politicus/leider moet constant laten zien wat op welke manier en om welke reden wordt klaargemaakt in de politieke keuken. Geen enkele kok kan zo werken.
Aan de kant van de politici is ook iets helemaal mis gegaan. We hebben het vaak over verdachte, bedorven en onbeduidende vertegenwoordiging door allochtone politici. Maar dit verschijnsel strekt zich ook uit over autochtone politici. De meeste beste burgers zien af van een politiek ambt of ze doen dit voor één termijn, met uitzicht op een ministerschap en terugkeer in de oude werkkring. De beste Kamerleden geraken ontmoedigd, gefrustreerd of teleurgesteld. Het lukt ze niet hun ambities te vervullen inzake medewetgeving, controle op de regering, publiek beraad over nationale kwesties, en partijenstrijd in een levendig theater. Slechte Kamerleden gedijen en kraaien de victorie (ze worden op den duur voorzitter van de Tweede Kamer of staatssecretaris). De beste momenten van het parlement zijn van korte duur of hebben geen blijvend effect in een klimaat van sociale hypes en politieke schandalen (parlementaire enquêtes, kabinetscrises, spreekwoordelijke nachten). De beste arbeid van leden van het parlement wordt door journalisten niet gezien en verslagen. Het is omgekeerd: zelfs de beste politici zijn voor hun kennis totaal afhankelijk geworden van ambtenaren en journalisten. De beste leden, fracties, vergaderingen en moties worden door het grote publiek niet gewaardeerd. Men kijkt tegenwoordig neer op politici, wat een omkering is van een van de klassieke argumenten ten gunste van de representatieve democratie.
Ik concludeer dat Nederlandse burgers met een elitaire claim (cultuurdragers dus) de moed moeten hebben om de politiek als roeping te kiezen, terwijl Nederlandse politici hun kandidaatstelling fundamenteel moeten professionaliseren. Ik concludeer ook dat de Nederlandse politieke televisie door alle weldenkende kijkers moet worden geboycot. We lezen voortaan de kwaliteitskranten en luisteren in de file naar de radio. Mannen als Pauw en Witteman zijn de gladste vijanden van het volk. Maar dat is de stof voor een ander selectionistisch verhaal over leiderschap bij de omroepen.
Jos de Beus is hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een korte versie van zijn lezing voor de Comenius Leergangen in Zeist op 15 november 2006.
