Oude koek of broodnodig kritiek? Repliek op de commentaren op Het Sociaal-Kapitalistisch Manifest
Als de reacties op Het Sociaal-Kapitalistisch Manifest in de voorgaande afleveringen van Waterstof iets duidelijk maken, dan wel dat er in progressieve kring dringend behoefte is aan een goed debat over het economisch beleid. Natuurlijk zijn de afgelopen jaren tal van economische kwesties bediscussieerd – denk aan het ontslagrecht, de privatisering van de nutsbedrijven, de marktwerking in de zorg. Maar een debat over de hoofdlijnen van het economisch beleid, zoals dat in de jaren zeventig en tachtig in alle hevigheid werd gevoerd, was opvallend afwezig. Misschien komt dit doordat onder economen de grote tegenstellingen zijn verdwenen. In het verleden bestreden marxistische, Keynesiaanse en neoklassieke economen elkaar te vuur en te zwaard. Maar tegenwoordig neemt de grote meerderheid van de academische economen het neoklassieke denkkader als vanzelfsprekend uitgangspunt en concentreren de meningsverschillen zich op specifieke en vaak nogal technische kwesties. Er staan geen scholen of paradigmas, die totaal verschillende mens- of maatschappijbeelden hebben, meer tegenover elkaar. Bijna iedere econoom gaat tegenwoordig uit van het individu dat bij zijn handelen een afweging maakt tussen kosten en baten en daarmee zijn nut (inkomen, welzijn, tevredenheid, geluk, …) tracht te maximaliseren – of in ieder geval te optimaliseren. Instituties (regels, normen, organisaties) zijn daarbij niet meer – maar ook niet minder – dan de maatschappelijke context waarin het individu die afwegingen maakt.Je zou verwachten dat die consensus over de uitgangspunten van economische analyse ertoe zouden bijdragen dat het economische debat aan helderheid wint. Het discussieert immers een stuk gemakkelijker als je van dezelfde basisprincipes vertrekt. Debatten tussen marxisten en neoklassieken hadden veel weg van een twistgesprek tussen doven. In de commentaren op Het Sociaal-Kapitalistisch Manifest is die helderheid echter ver te zoeken. Het is nog tot daar aan toe dat de commentatoren van mening verschillen over het gewenste economische beleid. Maar zij blijken ook sterk te verschillen in hun karakterisering van het huidige beleid. Volgens Ewald Engelen en, wat minder uitgesproken, Roel Janssen is het Manifest een weerspiegeling van de huidige polderconsensus, terwijl Ewout Irrgang, Paul Kalma en Alfred Kleinknecht, Ro Naastepad en Servaas Storm er juist een scherpe kritiek op het dominante economische denken in zien. Terwijl Engelen en Janssen afstand willen nemen van die polderconsensus die zij, evenals Bart Snels, als conservatief en oude koek van de hand doen, menen Irrgang, Kalma en Kleinknecht-Naastepad-Storm juist dat een kritische bejegening van de neoliberale consensus hard nodig is. Kalma en Kleinknecht-Naastepad-Storm stellen zelfs dat het Manifest daarin niet ver genoeg gaat, omdat de analyse die het geeft van het hedendaagse kapitalisme tekortschiet.
De critici van het conservatieve, behoudzuchtige polderdenken zijn echter niet erg eenduidig in hun analyse. Engelen en Snels stellen enerzijds dat het neoliberale denken al over zijn hoogtepunt heen is, en dat de scherpste kantjes ervan zijn afgevijld, zodat het Manifest een achterhaalde discussie voert. Maar vervolgens pleiten zij – vooral Snels – wel voor verdere marktwerking en flexibilisering, om onze economie veerkrachtiger te maken en de kloof tussen insiders en outsiders te overbruggen. Typerend hiervoor is de constatering van Bart Snels dat het tegenwoordig niet meer gaat om marktwerking als zodanig, maar om marktordening. Inderdaad, maar dat is juist de consensus die het Manifest aan de kaak stelt! Die consensus neemt immers marktwerking als uitgangspunt om vervolgens na te gaan hoe de markt zo goed mogelijk kan functioneren. De rol van de overheid wordt daarin gereduceerd tot die van marktordenaar in plaats van als gelijkwaardig alternatief voor de markt. Even weinig consistent is Snels als hij stelt dat de verschillen binnen Europa interessanter zijn dan die tussen Europa en de Verenigde Staten – waarmee hij een punt scoort – maar vervolgens wel het boek van Alesina en Giavazzi, The Future of Europe, dat juist de Verenigde Staten als spiegel aan Europa voorhoudt, warm in de aandacht aanbeveelt.
Merkwaardig is de kritiek van Engelen dat het Manifest teveel een macro-economisch perspectief kiest. Een kwestie van slecht lezen of van vooringenomenheid? Een van de hoofdboodschappen van het Manifest is nu juist dat het heersende abstracte macrodenken in termen van marktwerking, flexibilisering, concurrentie, etc. de plank misslaat. Economen voor wie een markt niets anders is dan snijdende vraag- en aanbodcurves, zijn blind voor het belang van zaken als samenwerking, vertrouwen, duurzaamheid, etc. Kleinknecht-Naastepad-Storm wijzen er terecht op, dat dergelijke factoren cruciaal zijn voor innovatie en dynamiek en geven daarmee een nuttige aanvulling op het Manifest. Sowieso valt me, eerlijk gezegd, op dat de criticasters van het Manifest het meer moeten hebben van suggestieve bewoordingen dan van zakelijke argumenten.
De commentatoren, zowel die het Manifest fileren als die het in hoofdlijnen ondersteunen, hebben het gelijk het meest aan hun kant als zij opmerken dat het Manifest een aantal kwesties te gemakkelijk en te snel afdoet. Het zou flauw zijn ons te verschuilen achter het argument dat een Manifest nu eenmaal niet is bedoeld voor een diepgravende analyse van het complete economische systeem. Een aantal kwesties behoeft zeker meer discussie en overdenking. Zoals we ook in de inleiding van het Manifest opmerkten, geldt dit in het bijzonder voor de globalisering en de verzorgingsstaat. Daarover valt veel meer te zeggen dan het Manifest nu doet. Die discussie zullen we in de toekomst dan ook graag verder voeren.
Dat geldt ook voor een onderwerp dat het Manifest wel vrij uitvoerig behandelt, maar waarover de meningen sterk verdeeld zijn, namelijk de tegenstelling tussen insiders en outsiders. De cruciale vraag is hier of de achtergestelde positie van outsiders – overigens een nogal heterogene groep, variërend van allochtone drop-outs tot zzpers en freelancers ¬– te wijten is aan (te veel) bescherming van de insiders, zoals deze termen suggereren, of dat het mogelijk is de positie van de outsiders te versterken, zonder de rechten van de insiders aan te tasten. Ook dat is een belangrijke kwestie die de komende tijd serieuze discussie verdient. Waterland en Waterstof blijven vanzelfsprekend openstaan voor iedereen die daaraan een bijdrage wil leveren.
