Filosoof op reis: Indonesië, mijn academie
Lesgeven in Indonesië is in elk opzicht een reis. Zeer leerzaam en soms vermoeiend. De files van en naar de campus zijn een constante, en de bus stopt om de haverklap (sinds kort hangen er her en der spandoeken met de mededeling dat bussen alleen bij bushaltes mogen stoppen, deze wordt echter alleen opgevolgd wanneer er een politieagent naast staat). Op dagen ter ere van de profeet Mohammed ontbreken de files, de bus kan dan dermate vlot doorrijden dat de kans groot is dat ik vergeet tijdig uit te stappen. Ik verveel me niet snel. De bus is nooit vol, altijd overvol. Altijd een gesprekspartner in de buurt (Waar komt u vandaan? Bent u al getrouwd? Heeft u al kinderen? Wat is uw godsdienst?). Gezien het lage plafond, of mijn lengte, dwingt een staanplaats mij tot uit het raam hangen. Gelukkig is er live muziek (onder de evenaar is elk kind een bedelaar wordt dag-in-dag-uit gezongen). Uit een rijdende bus springen went ook niet. Op de campus aangekomen, stomend en de hitte vervloekend, vervolg ik mijn weg linea recta naar de collegezaal. Soms zijn er tweehonderd studenten, soms vier. Mijn collegas hebben mij aangeraden minder te bewegen tijdens colleges om de hevige transpiratie te verminderen.En natuurlijk gaat er geen dag voorbij waarop ik mij niet afvraag wat ik in deze stoffige hitte doe... Elke dag kom ik wel iets tegen waarvan ik denk: Ja hallo zeg, dat gaat zomaar niet! Gaat dat écht zo? Vol verbazing kan ik mijn studenten aanstaren. En vol verbazing staren ze terug, en ik zie hen denken: Ja hallo zeg, en waar kom jij vandaan dat je niet weet dat het gaat zoals het gaat? Natuurlijk gaat dat zus of zo, en dat is logisch! Rechtvaardig! Ik voel me regelmatig als Guust Flater die jojoot in een porseleinwinkel als ik het fragiele hoe-en-wat aftast. Lesgeven wordt zo les volgen.
Moslims mogen geen filosofie studeren. Een fatwa (religieus decreet) is uitgevaardigd om dit morele kracht bij te zetten. Professor Sugiharto van Universiteit Parahyangan in Bandung klaagde er ook over dat het grote moeite kost om moslim-studenten aan te trekken. Maar dat komt wellicht ook door de katholieke signatuur van die universiteit. Mijn studenten zijn bijna allemaal moslim. Eén van hen, Herdis, is in onmin geraakt met zijn grootvader vanwege zijn studiekeuze. Zijn grootvader is een Kiai (geestelijk leider) van een grote pesantren (Islamitische kostschool) in Tasikmalaya (West Java). Blijkbaar mogen moslims niet voor zichzelf nadenken, het Kantiaanse Sapere aude! is niet aan hen besteed. Nadenken leidt tot twijfel en onzekerheid. Nadenken leidt tot meerdere betekenissen. Dat is polytheïsme. En dat is blasfemie. De grootvader van Herdis is bevriend met de leider van de FPI (Front ter Verdediging van de Islam). En de FPI is te huur. De FPI kan ingehuurd worden om abnormale moslims, zionistische christenen, hoererende zuiplappen, lustige gokkers, en andere leugenaars de wacht aan te zeggen. De politie kijkt toe en doet niets, uit angst of uit instemming.
Herdis, daarentegen, is een interessante jongen: hardwerkend, verlegen, straatarm, open-minded, leergierig. Hij komt uit een zeer arm gezin. Hij ging naar de middelbare school op zijn grootvaders kostschool. Vervolgens kreeg hij een beurs voor de universiteit Gadja Mada in Yogyakarta. Na zijn bachelor wilde hij doorstuderen, maar hij had eigenlijk geen cent te makken. Hij schreef zich toen toch in voor de Universiteit van Indonesië, nabij Jakarta. Tot zijn verbazing – en financiële schrik – werd hij aangenomen. Hij had net genoeg geld om het eerste semester te betalen, maar ook geen rupiah meer. Hij besloot daarom op de campus te kamperen (de campus is zeer groot, dus dat kan gemakkelijk ongemerkt). Toen het regenseizoen eraan kwam kreeg de bibliothecaris medelijden en liet hem in de bibliotheek slapen. Sindsdien is Herdis de bibliotheek van A tot Z aan het lezen; hij is al een eind gevorderd. Inmiddels woont hij in een studentenhuis, dankzij bijbaantjes, maar tussen de kinderen van de elite van Jakarta blijft hij zich onwennig voelen.
Soms doet Herdis me versteld staan. Onlangs besprak ik zijn huiswerkopdracht uitgebreid tijdens een van mijn colleges. Hij had geschreven: Iedereen benadert ethiek met de overtuiging dat er weinig bereikt kan worden door middel van onderzoek en contemplatie, omdat iedereen gelooft dat morele standaarden of principes slechts het product zijn van een samenleving waarin wij leven en denken. Iedereen gelooft dat het morele perspectief van mensen in andere samenlevingen - ook al verschilt hun morele perspectief van ons eigen perspectief - het juiste perspectief is voor die andere samenleving. Dit staat bekend als relativisme. Psychologisch gezien is dit wellicht een begrijpelijk antwoord op het onbegrip van zijn grootvader die weigert met Herdis te communiceren sinds hij filosofie studeert, maar het is een slecht argument. En ik ken Herdis als een hardwerkende student. Hij is weetgierig en een gulzig lezer, dus niet iemand die het adagium in de praktijk brengt dat er weinig bereikt kan worden door middel van onderzoek en contemplatie. Bovendien heeft Herdis een duidelijke – negatieve – mening over zijn opas relatie met de FPI.
Het lesgeven bevalt me goed. Het academisch klimaat is veel beter (lees: liberaler) dan op de Universiteit Padjadjaran in Bandung, waar ik eerder les gaf. Zo heb ik samen met mijn studenten fatwas van de MUI (Islamitische organisatie van moslimgeleerden) besproken en bekritiseerd. De MUI heeft secularisme, liberalisme en pluralisme haram (onrein, verboden) verklaard. Zon bespreking had ik op de Universiteit Padjadjaran niet kunnen houden; er zijn daar te veel pro-sharia moslims (een fors aantal van hen is op jihad naar Ambon geweest). Op een geheel andere manier vind ik het academische klimaat zorgelijk. En ik vermoed dat het met name met geld te maken heeft, de lat wordt niet echt hoog gelegd. Studenten – of hun ouders – betalen veel geld en verwachten dat de student in kwestie in de daartoe gestelde termijn het diploma behaalt – met een mooi cijfer, dus het liefst cum laude. Een laag cijfer geven heeft niet altijd zin; de administratie wijzigt een D net zo gemakkelijk in een B.
Nochtans kan ik iedereen aanraden docent filosofie – en gelukkig – te worden. In de ochtend schudden de studenten de laatste slaap van mijn schouders met nieuwsgierige en kritische vragen zonder enige zweem van cynisme. Ik geef les op een manier waardoor ik er zelf profijt van heb. En niet zo zeer in financiële zin – het is de slechtst betaalde baan ooit – maar doordat ik al vertellende leer wat bijvoorbeeld Socrates nu eigenlijk probeert te zeggen.
Roy Voragen woont sinds 2003 in Indonesië, waar hij filosofie doceert. Zijn weblog: http://fatumbrutum.blogspot.com/.
