Boekbespreking
Leo Prick, Drammen dreigen draaien. Hoe het onderwijs twintig jaar lang vernieuwd werd. Mets & Schilt, Amsterdam 2006. Vorig jaar publiceerde onderwijscolumnist Leo Prick het boek Drammen Dreigen Draaien. Het bevat een kritische analyse van de ontwikkeling van het voortgezet onderwijs in de afgelopen twintig jaar. Pricks grote verdienste is dat hij de veranderingen die het Nederlandse onderwijs onderging in een helder kader plaatst. Zijn denkraam is de gedachte dat de reële problemen van de scholen genegeerd bleven doordat de politiek onder aanvoering van de PvdA steeds weer opnieuw grootse plannen voor het onderwijs lanceerde.
Demografische en economische ontwikkelingen
Volgens Prick kende het voortgezet onderwijs tussen begin jaren tachtig en begin jaren negentig een uitzonderlijke demografische ontwikkeling. Het aantal jongeren van twaalf tot zestien jaar daalde met bijna dertig procent, om zich daarna te stabiliseren. Voor de scholen betekende deze sterke daling een groot probleem: er dreigde personeel overtollig te worden. Om ontslagen te voorkomen, probeerden scholen zoveel mogelijk leerlingen binnen te krijgen en te houden. Voor de onderkant van het onderwijs had dit dramatische gevolgen. Door het overal gehanteerde soepele toelatingsbeleid liepen de mavos en vbos leeg. Vooral het vbo verwerd tot een vorm van restonderwijs voor de allerzwaksten: in toenemende mate immigrantenkinderen met een forse taalachterstand. Een ander effect was dat het rendement van het onderwijs onder druk kwam te staan. Scholengemeenschappen probeerden leerlingen zolang mogelijk intern te laten doorstromen, ook als ze daar niet geschikt voor waren. De economische malaise van de jaren tachtig en begin jaren negentig droeg er mede aan bij dat jongeren langer op school bleven hangen. Door de recessie konden ook leraren nauwelijks elders aan de slag. Volgens Prick maakte de overheid van deze omstandigheid misbruik door de lerarensalarissen te verlagen en ook op ander gebied de arbeidsvoorwaarden van het onderwijzend personeel te verslechteren. Samen met het feit dat leraren moesten werken met leerlingen voor wie het onderwijs te moeilijk was, leidde dit ertoe dat burn-out beroepsziekte nummer één werd.
Basisvorming
In plaats van de werkelijke problemen aan te pakken, voerde de politiek volgens Prick allerlei nodeloze onderwijsvernieuwingen door. Een daarvan was de basisvorming, die in 1991 onder staatssecretaris Wallage werd ingevoerd. Bedoeling was dat alle leerlingen in de eerste jaren van het voortgezet onderwijs vijftien verplichte vakken gingen volgen met een uniforme toets aan het eind. In de praktijk bleek het niet haalbaar: voor de zwakkere leerlingen was de leerstof te moeilijk, voor de sterkere te makkelijk. Scholen legden de door het onderwijsministerie opgelegde verplichtingen massaal naast zich neer. Dat de PvdA desondanks aan de basisvorming vasthield, kwam doordat de partij veronderstelde dat de emancipatie via het onderwijs er het meest mee was gediend wanneer aan alle kinderen dezelfde eisen werden gesteld. Tot eind jaren negentig was het voor progressief Nederland een onaanvaardbare gedachte dat niet alle kinderen dezelfde capaciteiten hadden, aldus Prick. Bovendien vatte de PvdA de basisvorming op als compensatie voor de nooit gerealiseerde middenschool. Dat andere partijen met de basisvorming instemden, wijt Prick aan meegaandheid, collectief wensdenken en opportunisme, zoals bij het CDA, dat de basisvorming gebruikte als wisselgeld voor ingrepen in de WAO. De betrokkenheid van andere politieke partijen bij de invoering van de basisvorming maakte dat naderhand niemand wilde toegeven dat het project mislukt was.
Schaalvergroting
Een terrein waarop Wallage wel succes boekte, was dat van de schaalvergroting. Ook hier speelde het oude middenschoolideaal een belangrijke rol. Het oogmerk was om kleine scholen te laten fuseren in brede scholengemeenschappen met heterogene brugklassen. Hierdoor zouden leerlingen pas later hoeven te kiezen welke richting in het onderwijs zij ingingen. De beoogde fusies werden met een gunstige bekostigingsformule gestimuleerd. Voor schoolbesturen was een fusie aantrekkelijk omdat zij daardoor in een hogere salarisschaal terechtkwamen. Het leidde tot een fusiegolf in het middelbaar onderwijs. Toch pakte ook hier de praktijk anders uit dan bedoeld. Omdat ouders een niet te massale, overzichtelijke leeromgeving voor hun kind wilden, maakten de scholen hun brugklassen steeds homogener. Het definitieve keuzemoment voor een onderwijsrichting kwam hierdoor in plaats van later juist vroeger te liggen.
Vmbo
In 1999 trad een onder staatssecretaris Netelenbos ontwikkeld plan in werking dat was bedoeld om het noodlijdende vbo te redden. Het vbo en de mavo werden samengevoegd tot het vmbo. Bovendien werden de leerlingen met leer- of gedragsproblemen die vroeger op speciale (lom-)scholen terechtkwamen in het vmbo geïntegreerd. De achterliggende gedachte was dat de zwakke leerlingen zich aan de betere zouden optrekken. Volgens Prick leidde de invoering van het vmbo tot een scherpe tweedeling in het onderwijs. Doordat de mavo als brug naar de havo verdween, werd voor meer dan de helft van alle leerlingen al op twaalfjarige leeftijd de eventuele weg naar havo of vwo definitief geblokkeerd. De ontstane situatie leek op die van vóór de Mammoetwet met zijn slechte aansluiting tussen mulo en hbs, aldus Prick. Op de zwakste leerlingen had het vmbo een funeste uitwerking omdat zij er niet de zorg konden krijgen die ze nodig hadden. Ondertussen is de samenvoeging van het vmbo feitelijk weer ongedaan gemaakt. Recentelijk liet minister Van der Hoeven weten dat de meer theoriegerichte vmbos gewoon de naam mavo mogen gebruiken als ze dat beter lijkt. Bovendien is de doorstroming van mavo naar havo geleidelijk weer op gang gekomen. Volgens Prick was de invoering van het vmbo van meet af aan onnodig, omdat het vbo allang herstellende was. Doordat begin jaren negentig het aantal jongeren in de brugklasleeftijd stabiliseerde, kwam er een eind aan het gevecht om de leerlingen en liepen de vbos weer vol. Niemand leek zich dit echter te realiseren.
Tweede Fase: profielen
In 1991 legde Wallage de Kamer het idee voor om de bovenbouw van havo en vwo te verzwaren. Zijn voorstel moet worden begrepen in context van de heersende recessie. Veel jongeren stroomden door naar hbo of universiteit om daar vaak voortijdig hun studie te beëindigen of er veel te lang over te doen. Als ze al afstudeerden, vonden ze dikwijls geen werk op niveau. Bedoeling was om middels strengere selectie onnodige hoge en langdurige scholing tegen te gaan en zo op de kosten van het onderwijs te besparen. Het plan leidde tot de invoering in 1998 van de zogenoemde Tweede Fase in de bovenbouw van havo en vwo. In plaats van het vrije eindexamenpakket kwamen er vier doorstroomprofielen die aansloten bij het tertiair onderwijs. Volgens Prick was dit een verbetering omdat hiermee een eind kwam aan het beruchte pretpakket. De tegelijkertijd doorgevoerde algemene verzwaring van de bovenbouw van havo en vwo werd overigens meteen weer teruggedraaid. Doordat de economie ondertussen een periode van ongekende bloei doormaakte, was de vraag naar hoog opgeleiden gegroeid en probeerden studenten zo snel mogelijk af te studeren. Momenteel signaleert Prick overigens een tendens tot verlaging van het niveau van het hoger onderwijs. Volgens hem probeert Nederland de Europese doelstelling van een hoger percentage hoog opgeleiden te halen door de leerweg in te korten, met als gevolg dat het niveau van de opleidingen daalt.
Tweede Fase: studiehuis
De invoering van de Tweede Fase behelsde nog een verandering. Er werd bepaald dat de school voortaan een studiehuis moest zijn waar de leerlingen zelfstandig werkten en leerden. Volgens Prick was dit een gewaagd voorstel. Hogescholen en universiteiten kozen juist voor een schoolsere opzet om hun rendement te verbeteren. De vrijheid die veel studenten niet bleken aan te kunnen, achtte men blijkbaar voor scholieren wel geschikt. De roep om een andere vorm van onderwijs werd gevoed door de hoge verwachtingen die velen hadden van de ict. Het resultaat was, aldus Prick, een situatie waarin leerlingen hun werkstukken van het internet bijeen harkten zonder daar veel wijzer van te worden. De situatie verergerde verder doordat het onderwijs tezelfdertijd te maken kreeg met een nieuwe financieringsmethode. In plaats van het oude bekostigingsmodel waarbij het ministerie de scholen betaalde voor een vast aantal voorgeschreven lessen, kregen de scholen voortaan een naar eigen inzicht te besteden bedrag per leerling. Dit gaf de schoolbesturen ongekende mogelijkheden om op de leraarskosten te besparen. Zij begonnen zich steeds meer met de inrichting van de lessen te bemoeien met als doel om het onderwijs arbeidsextensiever te maken. Volgens Prick was het uiteindelijke resultaat dat de leerlingen onder het mom van het nieuwe leren aan hun lot werden overgelaten, terwijl het op de leraarssalarissen bespaarde geld in het bureaucratische apparaat verdween.
Een oproep en een sombere voorspelling
Drammen dreigen draaien vormt een interessante interpretatie van de Nederlandse onderwijspolitiek. Een constante ironische ondertoon maakt het een plezier om te lezen. Nadeel is dat sommige passages moeilijk controleerbaar zijn, bijvoorbeeld waar Prick aan betrokkenen bepaalde gedachtegangen of persoonlijke beweegredenen toeschrijft. Het boek is echter ook niet als wetenschappelijk verslag bedoeld. Het laat zich vooral lezen als een politieke oproep. Een terugkerend thema is dat de politiek voortdurend kon miskleunen doordat de leraren en ouders niet werden gehoord. Zij zouden volgens Prick een stem moeten krijgen in het onderwijsdebat. Overigens signaleert hij hier ten aanzien van de lagere vormen van het voortgezet onderwijs een probleem. Doordat hun eigen kinderen daar doorgaans niet zitten, zijn opinieleiders slecht op de hoogte van het wel en wee aan de onderkant van het onderwijs. Het steeds verder uitdijende bureaucratische apparaat en de stijgende salarissen van de schooldirecties vormen voor Prick een ander onderwerp van zorg. Hij is in dit verband kritisch ten aanzien van de huidige politiek. Weliswaar kleefden aan het dirigistische onderwijsbeleid van de PvdA grote bezwaren, maar dat geldt ook voor het huidige beleid om de onderwijsinstellingen meer autonomie te geven. Vroeger was tenminste nog sprake van duidelijke democratische controle. Thans hebben de centrale schooldirecties zich ontwikkeld tot mini-ministeries die ongecontroleerd een steeds groter deel van het onderwijsgeld naar zich toetrekken. Dit maakt het voor politici die het onderwijs een warm hart toedragen moeilijk om een ruimere onderwijsbegroting te bepleiten. Prick oppert om de onderwijsinstellingen te verbieden méér dan een bepaald percentage van het toegewezen budget te besteden aan het bureaucratisch apparaat. Dan kan het geld worden gebruikt waarvoor het nodig is: goed onderwijs in een goede werkomgeving. Prick zet zijn oproep kracht bij met een sombere prognose. De komende tien jaar gaat bijna de helft van de leraren in het voortgezet onderwijs met pensioen. Het zal onmogelijk zijn daar competente opvolgers voor aan te trekken. Niet alleen omdat de lerarenopleidingen onvoldoende goed gekwalificeerde aankomende leraren afleveren, maar ook omdat het hoger onderwijs een vergelijkbare vervangingsvraag kent. Te verwachten valt dat jongere docenten het voortgezet onderwijs zullen verlaten om hun loopbaan in het hbo voort te zetten. Er dreigt echter een nog grotere ramp. Als de economie aantrekt, zullen evenals tijdens de boom van de jaren negentig veel jonge leraren hun toekomst buiten het onderwijs zoeken. Volgens Prick is het onontkoombaar dat het beroep van leraar een baan van de tweede of derde keus wordt. Daniël Broersma is historicus
