Taalstrijd ook in Nederland?
De laatste tijd is er weer veel te doen over onze Nederlandse identiteit. Hoe relevant is in dit verband de Nederlandse taal als identiteitsbepalende factor? Dit is nog altijd een punt van discussie. Er is sinds lang een stroming die daar grote nadruk op legt. Daartoe behoren bijvoorbeeld Nederlandse schrijvers als W.F. Hermans en G. Komrij, de journalist H.J.A. Hofland (1) en de publicist en politicus Pim Fortuyn (2). De vermaarde historicus P. Geyl zag in de taalgemeenschap zelfs de belangrijkste en meest duurzame bron van nationale integratie en culturele identiteit (3). Op institutioneel vlak zijn het Algemeen Nederlands Verbond en het Genootschap Onze Taal daarvan belangrijke exponenten evenals de laatste tijd de Stichting Taalverdediging. Uitgangspunt daarbij is de opvatting dat de taal behalve een instrumentele ook een symbolische functie vervult.Maar in veel publicaties over de Nederlandse identiteit krijgt de eigen taal niet die ereplaats en associeert men haar eerder met bepaalde morele kwaliteiten als openheid, vrijheidszin, tolerantie e.d. Als praktisch ingestelde handelsnatie, zo meent de socioloog Ernst Zahn, heeft Nederland de eigen taal minder hard nodig als middel tot zelfexpressie en symbool van nationale eenheid (4). Veel Nederlanders denken er inderdaad zo over. Voor hen heeft de eigen taal voornamelijk een instrumentele functie.
Dat verklaart ook waarom de Vlaamse strijd voor handhaving van het Nederlands als cultuurtaal in België van Nederlandse zijde zo weinig gesteund is; waarom Nederland in tegenstelling tot andere koloniale mogendheden geen koloniale taalpolitiek gevoerd heeft (uitgezonderd in Suriname); waarom de verengelsing van het taalgebied daar sneller oprukt dan in andere landen op het continent; en waarom het belang van het leren van Nederlands door migranten er jarenlang veronachtzaamd is, ja het pleiten daarvoor aanvankelijk zelfs als cultureel racisme veroordeeld werd.
Heeft het Nederlands als cultuurtaal nog toekomst?
Hoe belangrijk is het in stand houden van het Nederlands als cultuurtaal voor de toekomst van onze Nederlandse identiteit? Dit is een vraag die zich steeds meer opdringt, nu we ons in Nederland opnieuw bezinnen op onze identiteit als natie. In de vorige eeuw is door Nederlandse schrijvers als bijvoorbeeld W.F. Hermans en H. Mulisch al de doodsklok geluid over het Nederlands als cultuurtaal, evenals door taalkundigen als C.L. de Bot (5) en H. Brandt Corstius (6). Over zon 75 jaar zal het Nederlands de tweede taal van Nederlanders en Vlamingen zijn zoals Fries dat nu is voor de Friezen, voorspelde Mulisch in zijn dankwoord bij de uitreiking aan hem van de Prijs der Nederlandse Letteren in Brussel op 30 november 1995. Van meerdere kanten is zoals gezegd al gepleit voor afschaffing van de eigen taal ten gunste van het Engels zonder dat dat enige verontwaardiging wekt (7). Het verlies van de eigen taal wordt door kosmopolitisch gezinde intellectuelen probleemloos, ja zelfs blijmoedig tegemoet gezien (8).
Onder druk van externe invloeden als Europese integratie en economische en culturele globalisering en de interne multi-etnische problematiek is er nu wel sprake van een zekere herleving van nationaal bewustzijn. Dat heeft inmiddels geleid tot een fors aangezette inburgeringspolitiek met betrekking tot gevestigde en nog te vestigen migranten. Essentieel onderdeel daarvan is nu het leren van de Nederlandse taal. Maar tegelijk wordt de status van die taal steeds meer ondergraven door de snel oprukkende verengelsing van ons taalgebied. In de sectoren die de komende jaren het meest bepalend zijn voor de verdere maatschappelijke ontwikkeling, te weten wetenschap, technologie en economie (het zogenaamde WTE-complex), is het Nederlands onmiskenbaar op de terugtocht. Voor wie in die sectoren wil meetellen wordt het Engels de toegangspoort tot de grote wereld van succes en aanzien. Acht op de tien Vlamingen en zeven op de tien Nederlanders verwachten desondanks niet dat het Nederlands de komende vijftig jaren plaats zal maken voor het Engels (9).
Suriname lid Nederlandse Taalunie
Sinds enige jaren is Suriname toegetreden tot de Nederlandse Taalunie (10). En dat is een opmerkelijk gebeuren, al is dat niet als zodanig opgemerkt. Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd ging men er vooral in Nederland van uit dat die onafhankelijkheid pas compleet zou zijn als het Nederlands in Suriname als spreektaal verdwenen was. Als politiek correct gold toen ook dat men vóór afschaffing van het Nederlands in Suriname was. Van de zijde van de Taalunie was aanvankelijk dan ook weinig belangstelling voor samenwerking met Suriname. Ondanks die negatieve houding van Nederlandse zijde is het Nederlands in Suriname de meest gesproken taal gebleven. Dat heeft nu geleid tot de toetreding van Suriname tot de Taalunie. Tien dagen nadat dat in Suriname feestelijk gevierd was, gingen er in de Nationale Assemblée aldaar echter al stemmen op van politici die lieten weten in de toekomst liever het Engels te zien als officiële taal van hun land. Als Nederlanders zelf de oprukkende verengelsing zo laconiek over zich heen laten komen, is het dan vreemd, als Suriname op termijn ook gaat kiezen voor het Engels?
Taalpolitiek nodig
In de 19e eeuw werd gewaarschuwd tegen een verduitsing van ons land. Nu zien we zoals L. Beheydt – Vlaamse taalkundige, en o.a. hoogleraar De Nederlanden in de wereld aan de Leidse Universiteit – constateert steeds meer een slaafse onderwerping aan de globaliserende Engelstalige invloed en gaat ons land plat voor de globaliserende monocultuur van MTV, e-commerce en e-business en de chatters op internet. Mondiaal gezien wordt het Engels onweerstaanbaar de lingua franca. Maar daarnaast behouden andere talen niettemin hun bestaansreden als expressie van specifieke nationale identiteiten. In het EU-Handvest van de grondrechten is dat inmiddels bevestigd en verankerd. Eerbiediging van de taalkundige verscheidenheid wordt daar expliciet gewaarborgd (art. 22). Ook het Nederlands dient op die grond gekoesterd te blijven als volledig inzetbaar communicatiemiddel op alle niveaus. Dit vergt wel een doelbewuste taalpolitiek.
Maar een dergelijke politiek vindt in Nederland vooralsnog weinig weerklank. Dat zou in strijd zijn met de openheid van onze cultuur. Taal- en cultuurprotectionisme zoals Frankrijk die voert zal, zo vinden tegenstanders, niet bestand zijn tegen de onweerstaanbaar geachte opmars van cultureel internationalisme. Met zon defaitistische houding capituleert men al bij voorbaat. Paul Scheffer spreekt in dit verband van de school der capitulanten die zich zonder enig verweer erbij neerleggen dat de Nederlandse cultuur op weg is op en onder te gaan in een Europese of wereldcultuur (11). Nadat in 1997 een poging mislukt is de eigen taal als officiële taal in de grondwet te verankeren zoals in veel landen gebruikelijk is, is daar door het Algemeen Nederlands Verbond – een Nederlands-Vlaamse vereniging ter bevordering van de Nederlandse taal en cultuur – opnieuw voor gepleit en sinds kort met succes (12). In het regeerakkoord van het kabinet-Balkenende IV is daaromtrent een duidelijke afspraak gemaakt: De overheid bevordert het eenvoudig en zorgvuldig gebruik van het Nederlands als bestuurstaal en als cultuur- en omgangstaal, aldus het regeerakkoord. Het kabinet is voornemens dat te verankeren in onze grondwet. Hoewel in symbolisch opzicht belangrijk, mogen we overigens van zon grondwettelijke verankering niet teveel verwachten. Men overschat daarmee de normatieve kracht van de Nederlandse grondwet. Bij ontstentenis van constitutionele rechtsspraak hangt de handhaving ervan in feite af van de politieke wil van de wetgever. En die plaatst zich als dat zo uitkomt probleemloos boven de grondwet.
Minister van Onderwijs schiet tekort in toezicht
Er is overigens al enige juridische bescherming van onze taal in de wet Algemeen Bestuursrecht en het Taalunieverdrag (art 5 lid 3). In het onderwijs trekt men zich daar echter niets van aan. En dat geldt ook voor het ministerie van Onderwijs. Dat zou moeten toezien op de naleving hiervan in het onderwijs. Met steun van dit ministerie zien we in het basis- en voortgezet onderwijs niettemin de opmars van tweetalig onderwijs – 54 scholen hebben dat al in het basisonderwijs en 80 in het voortgezet onderwijs – met Engels als instructietaal naast het Nederlands. Het tweetalig VWO dat mikt op de kosmopolitisch georiënteerde middenklasse wordt al gezien als een serieuze concurrent van het gymnasium. Veel Nederlandse ouders vinden dat hun kinderen op een (nu nog half) Engelstalige school meer kansen in de wereld krijgen. Met Engels als wereldtaal wordt Nederlands als onderwijstaal steeds minder aantrekkelijk in hun ogen. In het hoger onderwijs rukt het Engels steeds meer op als onderwijstaal en blijkens eerder genoemd taalonderzoek, getiteld Taalpeil, verwacht zon 40 procent van de Nederlanders nu al dat het Nederlands op hun universiteiten op termijn door het Engels vervangen zal worden.
Nederlands als wetenschapstaal steeds meer in verdrukking
Aan een zekere taalstrijd valt in Nederland waarschijnlijk niet meer te ontkomen, willen we het Nederlands als cultuurtaal in stand houden. Als zodanig wordt onze taal vooral bedreigd op het terrein van de wetenschap. Wetenschappelijk personeel wordt steeds meer afgerekend op internationale publicaties in refereed tijdschriften en op hun internationale citations score. Dat heeft tot gevolg dat de criteria die Amerikaanse redacties, uitgevers en externe beoordelaars hanteren geruisloos worden overgenomen. Een eenzijdige bevoordeling van een bepaald type publicaties en onderzoek is daarvan het gevolg.
Academische bevorderingen worden nu al bijna alleen nog gerelateerd aan publicaties in het Engels. Dat gebeurt ter wille van de internationalisering van hoger onderwijs. Maar wat als zodanig gepresenteerd wordt, is in feite anglisering of, nog juister amerikanisering ervan. Het leidt ertoe dat Nederlandstalige publicaties niet langer meetellen in de wetenschappelijke concurrentie en dat het belang van een eigen Nederlandse wetenschappelijk agenda op de achtergrond raakt, maar ook dat Duits- en Franstalige publicaties niet meer als internationale publicaties erkend en gehonoreerd worden. Wetenschappelijke communicatie in een enkele wereldtaal waar dat alles op termijn op uitloopt, dreigt daarmee de creatieve inbreng van andere talen en culturen voorgoed te smoren. Zodoende ontstaat als men dat als zoete koek blijft slikken, meer en meer een Engelstalige monocultuur die iedere stimulans ontneemt de eigen taal als wetenschappelijke taal nog verder in stand te houden en te ontwikkelen.
De bekende Vlaamse jurist Marcel Storme heeft daar enkele jaren geleden al voor gewaarschuwd. De Amsterdamse socioloog Abram de Swaan (13) spreekt in dit verband van een cultureel koloniseringsproces, de historicus Douwe Draaisma (14) van de averechtse effecten die dit eenzijdige internationaliseringsbeleid kan hebben op wat men er juist mee bereiken wil: kennismaking met andere culturen, denkstijlen en intellectuele tradities, met andere woorden, geestelijke horizonverbreding, intellectueel kosmopolitisme. Als je als land in de wetenschapsbeoefening de eigen taal verruilt voor het Engels als wereldtaal, kun je dat land maar beter opheffen, vindt de eerder (sub 1.3) geciteerde Nederland-kenner H. Pleij.
De Commissie Nederlands als wetenschapstaal van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen heeft vorig jaar in haar rapport Nederlands tenzij tegen die tendens duidelijk stelling genomen. Als dragers en hoeders van onze cultuur en dus ook van onze taal zijn de overheid en de universiteiten verplicht te bevorderen dat in ieder geval in de geestes-, gedrags- en maatschappijwetenschappen de beoefenaars daarvan het Nederlands naast het Engels als wetenschapstaal blijven cultiveren. Ook in een tijd van toenemende internationalisering dient de wetenschapsbeoefening mede een Nederlands signatuur te behouden.
De socioloog Dick Pels ziet daarin nog slechts een uiting van regressief taalsentimentalisme. We moeten ons, vindt hij, neerleggen bij het Engels als universeel en exclusief communicatiemiddel in de wetenschap, willen wij ons in de wetenschappelijke ratrace staande houden. Wel moeten we ons verzetten tegen de dominantie van Angelsaksische, natuurwetenschappelijk georiënteerde publicatienormen in de wetenschap zoals die in Nederland opgelegd worden via de circuits van NWO en VSNU (15). De vraag is echter of dat verzet nog effect sorteert als men zoals Pels zonder meer capituleert voor de interpretatie van internationalisering als anglisering. Een recent teken van academisch verzet tegen de verengelsing van de wetenschapstaal is het optreden van prof. Yvonne Benschop, hoogleraar Organizational Behaviour aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zij hield daar haar oratie principieel in het Nederlands. En in die oratie, zo blijkt uit een verslag in de Gelderlander, haalde zij fel uit naar universiteiten die prestige denken te ontlenen aan het gebruik van Engels als wetenschapstaal. Het is mijn stellige overtuiging, aldus Benschop, dat het Nederlandse wetenschapsbedrijf zichzelf serieus moet nemen en daarom ook Nederlandstalige publicaties dient te waarderen als bijdrage daaraan. Zij vindt het onzinnig dat in sommige wetenschappelijke disciplines Nederlandstalige publicaties niet meer meetellen om de prestaties van een wetenschapper te beoordelen. Dat is volgens haar de dood in de pot voor het Nederlandse wetenschappelijke debat.
Hoe Nederlands gezind is onze maatschappelijke bovenlaag?
Van de zijde van de Nederlandse Taalunie horen we sinds jaren een optimistische boodschap over positie en perspectief van de Nederlandse taal. Oud CDA-senator Andries Postma sluit zich daarbij aan en steunt zijn optimisme op de economische kracht en uitstraling van Nederland. Op internet, aldus Postma, is het Nederlands de tiende wereldtaal. Op het terrein van wetenschappelijke publicaties staat het wereldwijd op de elfde plaats. In Brussel neemt het Nederlandse taalgebruik hand over hand toe. Hij meent zelfs een vernederlandsing van Brussel waar te nemen. In Zuid-Amerika is het Nederlands de op vier na grootste taal (16). Toch ben ik geneigd dit optimisme niet te delen. Het leidt er makkelijk toe dat we ons weinig zorgen hoeven te maken. En daar is, zoals uit het voorgaande blijkt, wel reden toe. Als het Nederlands verdwijnt, zal dat niet echt zijn omdat het bedreigd was, maar omdat de bovenlaag van de Nederlandstalige gemeenschap dat zelf zo wilde, constateerde Jos Wilmots in zijn afscheidscollege in 1999 als hoogleraar aan het Limburgs Universitair Centrum (nu Universiteit Hasselt). Zo is het! In de loyaliteit van die bovenlaag aan de eigen taal heb ik niet zoveel fiducie.
Noten:
1 H.J.A. Hofland, 'Het vandalisme van de achteloosheid', NRC Handelsblad, 27 april 2001
2 Zie P. Fortuyn, De verweesde samenleving, 2002, p. 377
3 P. Geyl, Verzamelde opstellen, I (pp. 113-114) en II (p. 16), 1978
4 E. Zahn, 'Over talen en mensen', in: J. Berting en R. Kroes (red.), De gewone ervaring leert anders, afscheidsbundel A.N.J. den Hollander, 1976, p. 147
5 C.L.J. de Bot, Waarom deze rede niet in het Engels is, oratie KUN, 1994
6 H. Brandt Corstius, 'Het Nederlands in de 21e eeuw', Ons Erfdeel, 5, 2000
7 Zie o.a. P. van Walsum, Verder met Nederland, 2000, p. 120; P.M.L. Frentrop, Corporate Governance, 2000, p. 20; H. van den Bergh, 'Exit Nederland', HP/De Tijd, 15 oktober 2004; en D. Pels, Een zwak voor Nederland, 2005, pp. 131-137
8 Zie o.a H. Righart, Het einde van Nederland?, 1992; en P. van der Veer, 'Nederland bestaat niet', De Gids, september 2000
9 Zie Taalpeil. De Nederlandse taal: feiten, cijfers en meningen, 2005
10 Zie 'Suriname in de Taalunie', Neerlandia, 1, 2004
11P. Scheffer, 'Over zelfverheffing en zelfverloochening van een natie', NRC Handelsblad, 19 september 1992
12 Zie D. Wortel, 'Het ANV bepleit het Nederlands in de grondwet', Neerlandia, 3, 2005; en 'ANV-conferentie Nederlands in de grondwet?', Neerlandia, 5, 2004
13 A. de Swaan, 'Nederlands tenzij of Engels mits… Het Nederlands als wetenschapstaal in een wereld die verengelst', in: J. de Groof e.a., Gedrag na Verdrag, 2004, pp. 43-49
14 D. Draaisma, 'Het verdriet van de kosmopoliet', Vivat Academia, okt./dec. 2005
15 D. Pels, 'Verengelsing van Nederland is bepaald niet erg', NRC Handelsblad, 21 oktober 2005
16 Ontleend aan een lezing van Postma voor de Orde van den Prince, afdeling Rotterdam op 11 oktober 2005
De auteur is directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht.
