Zo maar wat gedachten bij 10 jaar Trouw-cijfers
Tien jaar terug publiceerde dagblad Trouw voor het eerst een ranglijst van goede en slechte scholen in het voorgezet onderwijs. De cijfers moesten met een WOB-procedure aan het Ministerie van Onderwijs ontfutseld worden en de protesten uit het onderwijs zelf tegen ranking van scholen waren niet van de lucht. Tien jaar later is de lijst van Trouw een gegeven en levert altijd weer rumoer in onderwijzend Nederland op. Zo af en toe rollen er zelfs koppen van bestuurders wanneer de school onderaan bungelt. Maar veel interessanter zijn eigenlijk de neveneffecten van de publicaties van Trouw. Naast het feit dat allerlei andere media schoolgegevens en resultaten zijn gaan publiceren heeft ook de Inspectie van Onderwijs haar bevindingen openbaar gemaakt en op haar website gezet. Sterker nog: de Onderwijsinspectie doet sinds afgelopen jaar ook aan blaming and shaming met een lijst van langdurig slecht presterende scholen op haar website. Maar wat zeggen al deze lijstjes en nu echt over het Nederlandse onderwijs?Sinds 2000 zwaaien de ministers van Onderwijs van welke partij dan ook weer dolgelukkig met de PISA-cijfers van de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) waaruit blijkt dat de Nederlandse leerlingen van vijftien jaar zo goed zijn in rekenen en wiskunde. PISA staat weer voor Program International Student Assessment. Maar wat blijkt ook uit die zelfde PISA-cijfers? Nederland doet het samen met de buurlanden Duitsland en België heel beroerd met onze migrantenleerlingen. We staan onderaan in de lijst van dertig landen. Uit datzelfde onderzoek blijkt dat het vooral ligt aan de concentratie van leerlingen uit achterstandsmilieus in scholen. Met andere woorden: kinderen op scholen met veel migrantenleerlingen uit arme gezinnen lopen nog een extra achterstand op door de samenstelling van de school.
Achterstandsleerlingen op scholen met leerlingen afkomstig uit alle sociale lagen, zo blijkt uit datzelfde onderzoek, doen het beter. In Nederland komt daar volgens de OESO nog eens de extra handicap bovenop dat het schoolsysteem vroeg voorsorteert. In Nederland valt op twaalfjarige leeftijd op basis van de Cito-toets de beslissing naar welke type onderwijs een leerling toegaat. Het resultaat is dat we de meeste achterstandsleerlingen bij elkaar stoppen in het vmbo en het overgrote deel van de sterke leerlingen naar havo en vwo gaat. De scheiding der sociale klassen is in Nederland op twaalfjarige leeftijd dan voltooid..In Duitsland is PISA geen scheefstaande Italiaanse toren maar het onomstotelijke bewijs dat er iets goed mis is in het Duitse onderwijs. In België gingen ook de alarmbellen heel hard af. Maar in Nederland bleef het oorverdovend stil.
Het gaat in het onderzoek van de OESO slechts over de leerlingen met een kleurtje en met ouders die niet in Nederland geboren zijn. In dit onderzoek zijn niet de achterstandsleerlingen van Nederlandse afkomst meegenomen. Maar gezien de onderzoeken van de afgelopen jaren kunnen we ons daar ook grote zorgen over maken. In het Nederlandse basisonderwijs krijgt bijna een kwart van de 1,5 miljoen leerlingen in het basisonderwijs extra financiering omdat de ouders een diploma hebben dat lager is dan mavo-niveau. 163.000 van deze kinderen zijn jongetjes als het blanke neefje van Geert Wilders in de achterstandswijken van Roermond. 187.000 zijn meisjes als de Marokkaanse Hanane uit Amsterdams West.
Uit de laatste Nederlandse onderzoeken blijkt dat de prestaties van die blanke achterstandskindertjes achteruit gaan en de achterstandsleerlingen met een kleurtje ze hard bezig zijn in te halen. Het laatste jaarverslag van de Onderwijsinspectie bevestigt het OESO-onderzoek en het feit dat achterstand niets met kleur maar alles met sociaal economische klasse te maken heeft. Een kwart van de Nederlandse leerlingen verlaat de basisschool met een leesniveau van groep 6 of lager. De helft van de Nederlandse basisscholen is niet in staat om de achterblijvers bij de les te houden en het gaat om zowel allochtone als autochtone achterstandsleerlingen. De talige Cito-toets is voor deze leerlingen na zes jaar slecht leesonderwijs dan ook een brug te ver.
Terug naar Trouw en Inspectie. Waarom kunnen we dit soort conclusies als de OESO over Nederland trekt, niet uit de Trouw-cijfers halen of die van de Inspectie? Het is vrij simpel. Zowel bij de Inspectie als in Trouw wordt bij de beoordeling van een school rekening gehouden met de sociaal-economische positie van de leerlingen op de school. In onderwijsjargon heet dat: wat voegt de school toe gezien de populatie? Met een ingewikkelde rekenformule krijgen scholen met veel achterstandsleerlingen een soort bonus bovenop de feitelijke prestaties en worden die scholen niet vergeleken met scholen met bijvoorbeeld veel leerlingen uit rijkere milieus. Hoe nobel deze bonus en het niet vergelijken ook bedoeld is, het heeft tot gevolg dat scholen met een concentratie aan achterstandsleerlingen een categorie op zich zelf worden. Echter uit de cijfers van zowel Trouw als Inspectie blijkt dat veel scholen met een meerderheid aan achterstandsleerlingen van welke kleur dan ook ondanks deze bonus het nog steeds niet best doen. De vraag die hier rijst is dan ook: voor wie verzinnen we zon formule? Voor de leerlingen of voor de school? Vraagt een werkgever ooit aan een sollicitant wat de school aan hem of haar heeft toegevoegd? Een toekomstige werkgever wil een diploma waarvan hij weet wat hij daar aan heeft. Met een toegevoegde bonus zoals Inspectie mag je daar dus aan twijfelen. Ik ben bang dat we elkaar bedonderen met deze zo nobel bedoelde wiskundeformule. Daarmee draaien we om het feit heen dat het met een groot deel van de leerlingen dus niet goed gaat.
Over onderwijs wordt altijd in grote bewoordingen gepraat. Er zijn nog steeds mensen die met groot gemak zeggen dat onderwijs moet bijdragen aan een betere samenleving en aan ieder kind gelijke kansen in dit leven moet geven. Het lijkt me gezien het voorgaande wat hoogdravend en irrealistisch om zulke hoge verwachtingen te hebben van wat onderwijs kan en vermag. Maar dat wil niet zeggen dat een snel veranderende samenleving als de onze zich kan veroorloven dat een schoolsysteem de ongelijkheid stevig herproduceert en in sommige gevallen zelfs erger maakt. Een samenleving die toelaat dat er leerlingen van school komen met een onnodige achterstand omdat ze op de verkeerde school hebben gezeten, krijgt de rekening daarvan op een kwade dag gepresenteerd. Het is dus hoog tijd dat we de echte cijfers eens boven tafel krijgen en de politiek correcte metingen eens over boord gooien. En laten we ons ook niet blind staren op kleur maar kijken naar waar het om gaat: de sociaal-economische achtergrond van een leerling. Laten we nu eens naast die mooie wiskundecijfers van PISA ook eens eerlijk tegen ons zelf zijn en die cijfers over de onderkant van het onderwijs zelf eens ter hand nemen. Welke nieuwe minister van Onderwijs durft dat aan?
Anja Vink is onderwijsjournalist voor o.a. NRC Handelsblad en het Onderwijsblad.
