Rechtvaardige groene politiek
De moesson in Azië was deze zomer volkomen van slag. De regen is ongekend hevig. Dit heeft nog niemand ooit meegemaakt. Miljoenen mensen hebben moeten vluchten. Zijn hun huis kwijt, en bijna altijd ook hun middelen van bestaan: hun vee, hun zaaigoed. Berooid blijven ze achter, als een vluchteling in eigen land. De deskundigen zijn het erover eens dat deze heftige moessonregens mede het resultaat zijn van de klimaatverandering. Ze passen bij het nieuwe klimaat dat ons wereldwijd voor de komende decennia voorspeld wordt en waardoor vooral de minst weerbaren in de ontwikkelingslanden hard getroffen zullen worden. Maar het steeds extremere weer zal ook het leven in Europa vaker ontwrichten en vormt op termijn ook een serieuze bedreiging voor onze regio: als de zeespiegel maar blijft doorstijgen, of als onverhoopt door het smelten van de noordpoolkap de warme golfstroom aan Europa voorbij zal gaan.Vooralsnog laat de klimaatcrisis zich het scherpste gelden in de derde wereld. In november vorig jaar was ik in Kenia, Nairobi. Daar werd veel over klimaatverandering gesproken – en niet alleen omdat daar op dat moment de VN-klimaatconferentie plaatsvond. Nairobi is eind 19de eeuw door de Engelse kolonisatoren gebouwd op relatief grote hoogte. Het is daar wat minder warm, waardoor de malariamug er niet kan overleven. De inwoners bleven zo gevrijwaard van de vaak dodelijke malariaziekte. Maar ook in Kenia wordt het warmer. Steeds vaker wordt de malariamug in de stad gesignaleerd. Een grote bedreiging voor de miljoenen inwoners. En heel cynisch. Want deze mensen hebben part noch deel gehad aan de opwarming van de aarde.
Hier worden belangrijke vragen voor het huidige ecologische debat zichtbaar: Wie wordt in onze tijd eigenlijk getroffen door de ecologische ontwikkelingen? Waar wordt de vrijheid een niet ingeloste belofte als gevolg van de ecologische crisis? En wie kan aanspraak maken op welk deel van het steeds krapper wordende emissiebudget van de planeet?. De klimaatcrisis bedreigt nu regelrecht de inwoners van Nairobi, zoals van zoveel anderen in de ontwikkelingslanden. De gevolgen van onze energiepolitieke keuzes wentelen we op hen af. Zoals we die - als we zo doorgaan - nog sterker zullen afwentelen op volgende generaties, in ontwikkelingslanden, maar uiteindelijk ook in de rijke landen zelf. Wij beperken hun vrijheid, omdat wij meer milieuruimte nemen dan de aarde kan dragen. Daar is geen enkele rechtvaardiging voor. Het is onrechtvaardig. Groene politiek in essentie draait om vrijheid en rechtvaardigheid.
Recht op evenveel vervuiling
Past het op een spandoek? Ieder mens heeft recht op evenveel vervuiling. Het zou de milieuleuze voor de komende decennia kunnen zijn. Je zou hem ook positief kunnen formuleren: ieder mens heeft recht op evenveel milieuruimte.
Het politieke gevecht om de klimaatvervuilingsrechten is nu al losgebarsten. China is de gebeten hond. India is een goede tweede. Deze nieuwe, snel groeiende economieën moeten hun uitstoot beperken, anders is een effectieve wereldwijde klimaataanpak uitgesloten, zo horen we keer op keer van de regeringsleiders in de VS en Europa.
Dat is niet rechtvaardig. Een Amerikaan draagt nu zeven keer meer bij aan de klimaatuitstoot dan een Chinees, een Europeaan vier keer meer. En dan hebben we het over de uitstoot vandaag de dag. De klimaatverandering die we nu mee maken is het resultaat van C02-uitstoot vanaf de industriële revolutie. Daarin hebben China en India part noch deel gehad. Die komt zo goed als geheel voor rekening van de VS en Europa. Landen als China en India hebben per inwoner recht op evenveel milieuruimte als de rijke landen. Hun C02-uitstoot moet dus de komende jaren nog kunnen groeien, en dat verplicht tot een extra grote beperking van onze uitstoot. Tachtig procent minder C02-uitstoot voor Nederland in 2050 is dan een realistisch doel. China, India, lopen op termijn natuurlijk wel tegen een grens aan: per burger evenveel vervuilen als het maximum ook voor het westen op termijn is. Aan die grens zullen ze zich moeten committeren in de nieuwe ronde van wereldwijde klimaatonderhandelingen. Daarom is het ook voor hen rationeel nu sterk in te zetten op schone technieken. Wij moeten hen daar op alle mogelijke manieren, ook financieel, bij helpen.
Als internationaal ons uitgangspunt is dat iedere burger recht heeft op evenveel vervuiling, zou dat ook nationaal ons vertrekpunt moeten zijn. De schaarste zal eerlijk verdeeld moeten worden. Voorkomen dient te worden dat mensen met veel geld er op los kunnen vervuilen en mensen met lage inkomens het nakijken hebben. De kunst voor een linkse milieupolitiek is er ook in eigen land voor te zorgen dat bijvoorbeeld vliegen niet alleen voor de rijken wordt, maar dat iedereen dit op zn tijd kan doen.
Grenzen stellen
Ik ben optimistisch over de mogelijkheden om de opwarming van de aarde tot staan te brengen. Groene technologieën bieden ons een gouden kans. Overal in de wereld zijn heel inspirerende praktijken te vinden van belangrijke groene doorbraken (zie het boekje EKOnomie - inspiratie voor groene innovatie – dat ik met Femke Halsema schreef – te vinden op de GroenLinks website). Maar deze doorbraken komen, zoals we in het boekje ook laten zien, niet vanzelf tot stand. Ze moeten worden afgedwongen, georganiseerd. De politiek moet uitdagen door grenzen te stellen. Grenzen lokken innovatie uit. Dit kan door steeds strengere normstelling (voor automotoren, voor woningen), of door fiscale vergroening (fossiele energie veel duurder maken), maar ook door verboden (geen nieuwe kolencentrales die een veelvoud aan C02 uitbraken). Grenzen stellen is grenzen verleggen.
Ik denk dat technologische innovatie ons in veel sectoren echt soelaas kan bieden. In de woningbouw (duurzame isolatie), in de elektriciteitsopwekking (zon, wind). Maar of de technologische vernieuwing over het geheel genomen voldoende kansen biedt om aan de klimaatcrisis te ontsnappen is zeer de vraag. Dat komt omdat onze economie steeds groeit, en daarmee de consumptie. Maar het komt ook omdat in sommige sectoren doorbraken nog erg ver weg zijn, of heel lastig te realiseren zijn. Vliegverkeer is van dat eerste een voorbeeld, vleesconsumptie is van dat laatste een pregnant voorbeeld. Productie van vlees is nu verantwoordelijk voor ongeveer vijftien procent van de wereldwijde klimaatuitstoot. Eigenlijk leidt alle technologische innovatie hier onvermijdelijk tot enorme verslechtering van het dierenwelzijn. Dat is uiteraard zeer ongewenst.
Waar we voor de rijke landen grote reductiepercentages noodzakelijk achten, en waar technologie bij deze grote opgave niet alles vermag, zal de politiek er niet om heen kunnen om bij een aantal van de allerhardnekkigste problemen, zoals bijvoorbeeld vlees eten, auto- en vliegverkeer grenzen te stellen die het gebruik zelf zullen moeten reguleren. Want uiteindelijk zijn, gegeven de gestelde grens, technologische innovatie en het reguleren van gebruik communicerende vaten. Hoe meer we de uitstoot kunnen beperken door innovatie des te minder we het gebruik hoeven te reguleren, én omgekeerd. Des te scherper we moeten reguleren, des te harder we tegen de grenzen aan de groei aanlopen. We zullen – onvermijdelijk – maat moeten houden.
Een moreel debat
Het klimaatdebat is een bij uitstek moreel debat. Wat betreft de verdeling van milieuruimte tussen de eerste en de derde wereld, en tussen huidige en toekomstige generaties. Wie krijgt hoeveel? Wat kan je maken ten opzichte van alle anderen? Het is ook een debat over de rol van de politiek, de markt en het individu.
Nu er na jaren doodtij weer meer aandacht is voor groene onderwerpen is, is het uitstekend dat de milieudiscussies uit het specialistische beleidsdiscours komen, waar ze helaas veel te lang in zijn blijven hangen, en dat de meer principiële vragen alle ruimte krijgen die ze verdienen.
De hernieuwde aandacht voor de morele kanten van milieupolitiek en de breed gevoelde urgentie om de problemen aan te pakken moet niet één op één omslaan in groen moralisme. Daarmee bedoel ik: het makkelijk en snel oordelen over andermans individuele gedrag, Dit maakt van een collectief vraagstuk te veel een individueel gedragsprobleem. De –impliciete – strekking van dit groen moralisme is dat individuele keuzes het klimaatprobleem op kunnen oplossen. Daar geloof ik niets van. Zonder grote structurele veranderingen, die de voorwaarden moeten scheppen voor groenere individuele keuzes, zal het nooit lukken. Het groene moralisme, dat het hele klimaatprobleem tot gedragsprobleem reduceert, past eigenlijk veel meer in een rechtse politieke traditie waarin bij succes en falen de maatschappelijke context wordt miskend worden herleid tot louter persoonlijk gemaakte keuzes.
Het morele debat moet primair op het politieke niveau worden beslecht. Daar krijgen structurele veranderingen vorm. Waar trekken we als samenleving de grens? Welke milieuvriendelijke alternatieven maken we mogelijk? Hoeveel duurder wordt niet-duurzaam gedrag? Hoe stimuleren we innovatie?
Het is natuurlijk van betekenis als mensen zelf een zuinige CV-ketel, schone auto, en spaarlamp aanschaffen. Zeker. Maar te grote verwachtingen zijn hier misplaatst. De doorbraken die nodig zijn gaan de macht van de consument verre te boven. De markt en de consument kunnen de klimaat crisis niet bezweren. Het is irrationeel onze kaarten primair op het consumentengedrag te zetten. Veel meer perspectief heeft politieke actie – die structureel hervormt en scherp ingrijpt in de markt.
Uit zeer veel verschillend onderzoek blijkt ook dat mensen willen veel doen om het klimaatprobleem op te lossen, maar dan wel als ze zeker weten dat iedereen meedoet. Als er goede collectieve regelingen of afspraken komen. Dat is ook rationeel. Want alleen dan is zeker, dat je groene gedrag ook daadwerkelijk wat oplevert. Ook hier ligt een grote taak voor de politiek.
Gaat het dan helemaal niet meer om ons individuele gedrag? Zeker wel. Maar de structurele context bepaalt wat je van mensen zelf kan verwachten: waar de politiek niet zorgt voor goed openbaar vervoer op het platteland, is het toch volstrekt begrijpelijk dat mensen daar een auto aanschaffen? Waar vliegen vaak zoveel goedkoper is dan trein te nemen en een goed net van snelle treinen ontbreekt, is de snelle groei van het vliegverkeer een onvermijdelijk gevolg.
Publiek gevecht
Week in week uit zie ik in de Kamer hoe het politiek bestuur worstelt met het stellen van de noodzakelijke grenzen, in het creëren van een context waarin het mogelijk en aantrekkelijk is te kiezen voor groene alternatieven. Sterk vervuilende kolencentrales: tegenhouden of toch maar toestaan? Files en slechte bereikbaarheid: meer nieuwe wegen of kilometerheffing en openbaar vervoer? Bio-industrie: door laten groeien of aanpakken? Uiteindelijk bepaalt de optelsom van de antwoorden op deze en andere politieke vragen of we de Nederlandse CO2-uitstoot onder de knie krijgen. Allemaal politieke besluiten.
Al worden de besluiten formeel in de Haagse arena genomen, feitelijk zijn ze bijna altijd een weerspiegeling van de maatschappelijke krachtsverhoudingen op dat moment. Bepalend voor de uitkomst van deze krachtmeting is ten eerste door hoe en door wie het debat over het onderwerp in de publieke sfeer gevoerd is, ten tweede wat zichtbare betrokkenheid van burgers was, en ten derde ook hoe hard lobbys van de werkgevers of van anderen was. Dit publieke gevecht met vreedzame middelen is de essentie van politiek. Het verloop van dit publieke gevecht bepaalt uiteindelijk het succes van onze strijd tegen de klimaatverandering.
Willen we het redden, dan dienen massas wereldburgers zich erin te gaan mengen. Ik bedoel: burgers met een mondiale blik, die groene rechtvaardigheid vooropstellen, en die vertrouwen stellen in publieke besluitvorming. Dat kunnen we allemaal zijn. Ook hier ben ik optimistisch. Het laatste jaar hebben we op dit vlak een enorme versnelling gezien. De zorgen, maar ook de betrokkenheid en de wens tot oplossingen te komen zijn exponentieel toegenomen. Van heel erg veel mensen. Jong én oud. Zeker niet alleen in Nederland, maar in grote delen van de wereld. Deze zomer zag ik in de Verenigde Staten hoe ook daar klimaat een hot issue is geworden. Steeds de vraag: wat kunnen we doen, wie moet wat doen?. De wereldburgers zullen de maatschappelijke krachtsverhoudingen moeten doen kantelen, opdat op tijd de broodnodige maatregelen genomen worden.
Druk op de ketel
De nieuwe klimaatstrijd heeft nog geen kristallisatiepunt gevonden. Het besef van de problemen groeit snel, maar wordt nog weinig omgezet in politiek handelen. Het heilig vuur bij het kabinet lijkt al gedoofd. In het regeerakkoord werden ambitieuze doelen geformuleerd, maar concreet beleid blijft uit. Het kabinet zet in op vrijwillige afspraken met het bedrijfsleven, en gokt op de totstandkoming van verregaande in Europees verband te nemen maatregelen, zo blijkt uit de op prinsjesdag gepresenteerde plannen. Het komt zelf nauwelijks met verplichtende maatregelen. Het is afschuiven en uitstellen. Geen verbod op kolencentrales, geen energieheffing voor grote vervuilers, kilometerheffing wordt uitgesteld, etc.
Het zal de komende jaren nu moeten blijken of de bestaande natuur- en milieuorganisaties de regering onder druk kunnen zetten om met verdergaande maatregelen te komen. Ik ben daar niet bij voorbaat optimistisch over. Zijn zij genoeg bij de tijd? Zijn ze niet te veel geïnstitutionaliseerd en bezig om hun geïnstitutionaliseerde belangen (eigen profilering, inkomsten) veilig te stellen? Weten zij de wereldburgers te bereiken en te motiveren? De organisaties zijn de resultante van de heftige milieugolf uit de jaren zeventig en hebben zich vervolgens verder ontwikkeld in de pragmatische jaren tachtig en negentig. Kunnen ze overweg met de urgentie van de klimaatcrisis? Overschakelen op een andere versnelling? Zijn ze voldoende doordrongen van de medialogic?
Helaas laten ze dat tot nu toe niet genoeg zien. De zorgen bij velen wereldwijd over de klimaatcrisis verandert het perspectief, maar de organisaties werken nog te veel op de oude, vertrouwde voet verder. Iedereen (GroenLinks ook) zal over eigen schaduwen heen moeten springen en oude scheidslijnen moeten afbreken om tot effectieve actie te komen. SAMENwerken is cruciaal: niet alleen tussen de organisaties, maar vooral met schrijvers, wetenschappers, tv-persoonlijkheden én media. We moeten SAMEN in grote, door de media gedragen, acties de gedeelde zorg tot uitdrukking brengen, commitment voor de oplossing tonen, en de regering pushen adequate maatregelen te nemen.
Wijnand Duyvendak
Tweede Kamerlid GroenLinks
