Personendemocratie versus basisdemocratie: een naschrift
Paul Lucardie is een basisdemocraat die blijft geloven in de klassieke volksheerschappij: de meest risicovolle vorm van populisme die de geschiedenis heeft gekend. Wat hij mist in mijn betoog is dat ik de democratie in deze radicale versie niet zozeer onmogelijk acht als wel levensgevaarlijk, en dat de elitaire democratie (de democratie zonder demos) dus niet een second best is, maar een aantrekkelijker optie dan de democratie zonder elite. De elite-democratie schept een functionele breuk tussen burgers en bestuur (de beruchte kloof, die populisten uit alle macht willen opheffen) die een productieve wisselwerking tussen beide op gang brengt, waarbij de elite visie, initiatief en besluitvaardigheid toont en de massa vooral discussiërend, opiniërend en controlerend werkt. Die wisselwerking tussen politieke professionals en politieke leken ziet er soms uit als duw- en trekwerk, maar juist die spanning en wedijver vormt het hart van het democratisch proces.De huidige mediatisering en personalisering van de politiek brengt een nieuw soort politieke professional op het toneel, die steeds minder wordt gedragen door traditionele politieke partijen, maar eerder die partijen draagt. Die nieuwe elite komt met risicos en nadelen (zie Fortuyn), maar belichaamt ook nieuwe politieke identificatiemogelijkheden (zie eveneens Fortuyn). Lucardie is net zo sceptisch als ik over de overlevingskansen van politieke partijen, en net zo kritisch over hun slecht gecontroleerde benoemingsmacht en hun functie als banenmachines voor het openbaar bestuur. Maar hij zet er niets representatiefs voor in de plaats behalve dat mythische volk. Daarom is hij ook een groot voorstander van referenda. Maar het aardige van referenda (die ook ik van harte toejuich) is niet dat het volk spreekt (zowel Jan Marijnissen als Geert Wilders schijnen dat bijvoorbeeld te denken), maar juist dat er nieuwe elites actief worden en de personalisering van de politiek eerder wordt bevorderd dan tegengegaan. Referenda kunnen de democratie daarom evenzeer verlevendigen als rechtstreekse verkiezingen van burgemeesters en andere gezagsdragers. Het verkiezingscircus rond Ken Livingstone in Londen in 2000 zal me nog lang blijven heugen als feest der democratie. Laten we de democratie dus meer als een feestcultuur inrichten.
Tenslotte wil ik een intrigerend argument voor directe democratie noemen dat afkomstig is van bestuurskundige Mark Bovens (zie het laatste nummer van Beleid & Maatschappij). In de kennismaatschappij is aanwijzing door het lot van wethouders, burgemeesters of ministers volgens hem een hachelijke zaak. De diploma-democratie die Nederland inmiddels is geworden, kan het beste worden beteugeld via de directe verkiezing van bestuurders. Hierdoor krijgen laagopgeleiden een even grote stem als hoogopgeleiden, en wordt de funeste heerschappij van de politieke partijen over de kandidatielijsten ondermijnd. De variëteit in politieke stijl en expertise wordt vergroot, omdat personen meer tot de emotionele politieke verbeelding spreken (de beruchte onderbuik), en informele competenties zoals charisma en overtuigingskracht zwaarder gaan wegen. Een milde vorm van populisme dus, die de meritocratische elite van Ons Soort Mensen controleert en aan banden legt. Fortuyn had het niet beter kunnen zeggen.
