Beweging of partij? Liever een Bond
Ruud Koole is onze Grote Partijganger. Hij is gepromoveerd op de politieke partij, was lang voorzitter en kort interimvoorzitter van de Partij van de Arbeid, en is nu opnieuw hoogleraar in de politieke partijen te Leiden. In zijn stuk Beweging is net zo goed politieke partij (NRC Handelsblad 31.10.07) slaagt hij erin om alle nijpende vragen over het functioneren van zijn ding met een verbale truc te omzeilen. Bewegingen en bonden zijn volgens hem partijen zodra zij gaan deelnemen aan verkiezingen. Alles wat beweegt en bindt in de politiek is dus per definitie een politieke partij. Kooles conclusie: de vertegenwoordigende democratie is ondenkbaar zonder politieke partijen.Dit woordspelletje is symptomatisch voor de denkleegte en het organisatorisch conservatisme van de gevestigde partijtijgers, met name die in de PvdA. De coalitiedwang en de fractiediscipline maakt in die partij op dit moment nogal wat slachtoffers. Zij heeft de bestuurlijke vernieuwing, in casu de gekozen burgemeester, inmiddels geheel bij het oud vuil gezet. Maar ook andere partijen zoals het CDA en de SP lijden aan een centralistische behoudzucht die niet meer van deze tijd is.
Koole geeft toe dat er verschillende soorten politieke partijen zijn. Maar in plaats van de relevante verschillen te bespreken, heft hij een beschuldigende vinger naar onverantwoordelijke opiniemakers die afgeven op de politieke partij als zodanig, want die spelen de populisten in de kaart en brengen daarmee de democratie in gevaar. Ook Volkskrant-columnist Evelien Tonkens vindt het gevaarlijk om te flirten met het einde van de politieke partijen, want dan komen we terecht in een partijloze anarchie van egootjes. Ook zij roept de spoken op van populisme en autoritair leiderschap zodra men bewegingen tegenover partijen plaatst. Zij vindt het zelfs ieders burgerplicht om lid te worden van een politieke partij (de Volkskrant 24.10.07).
Maar politieke partijdigheid en democratische rivaliteit hoeven niet per se vorm te krijgen via traditionele politieke partijen. Koole en Tonkens zwijgen over de evidente nadelen van de gevestigde partijdemocratie: de kartelpolitiek, de coalitiedwang, de fractiediscipline, de heerschappij van de middelmaat, de lijstjescultuur en de praktijk van partijdige benoemingen in het openbaar bestuur (denk aan de Utrechtse burgemeesters-soap).
Koole stelt terecht dat partijen moeten worden beoordeeld aan de hand van hun bijdrage aan het functioneren van de parlementaire democratie. Maar hier schieten de politieke partijen nu juist structureel tekort. Hun leden-draagvlak is geslonken tot minder dan 2% van de Nederlandse bevolking. Zij hebben hun agenderende functies in het publieke debat en hun schakelfuncties tussen burgers en bestuur grotendeels moeten afstaan aan andere actoren zoals pers en tv. De partijen hebben volgens Koole nog steeds een ordenende functie in het verkeer tussen regering en parlement, en blijven belangrijk bij de rekrutering van kandidaten voor het openbaar bestuur. Maar juist in dit opzicht zijn zij verworden tot gesloten machtsbolwerken en banenmachines die de bestuursposten onderling verdelen en het optreden van politieke individualisten verhinderen. We worden in Nederland niet door volksvertegenwoordigers maar door partijvertegenwoordigers geregeerd.
De politieke beweging van Rita Verdonk vormt in dit opzicht eerder een uitdaging dan een abjecte glijbaan naar autoritair populisme. Laten we niet vergeten dat het juist de rechtse fortuynistische partijen zijn, inclusief de PVV, die het idee van radicale democratisering van het gevestigde partijbestel levend houden, met inbegrip van D66-achtige opvattingen over het inbouwen van vormen van directe democratie in het bestaande parlementaire bestel.
Het is wel erg gemakzuchtig om bij het woord beweging meteen verontwaardigd te verwijzen naar Anton Mussert. Alsof de NSB-voorman niet ook voor een deel gelijk had met zijn kritiek op de kwalijke partijgeest van de jaren dertig. De NSB wilde natuurlijk van enige politieke verdeeldheid niet weten en de parlementaire democratie afschaffen. Dat is iets waar Wilders en Verdonk, die dezelfde volkseenheidsgedachte koesteren, niet van kunnen worden beticht. Zij zijn eerder nationalistische liberalen, die de Nederlandse volkseenheid willen realiseren binnen het raamwerk van de vertegenwoordigende democratie.
De kieswet eist de politieke verenigingsvorm, die een democratische structuur van verantwoording vestigt tussen de politieke voorhoede en de achterban van leden. De partij van Wilders lijkt tot nu toe niet aan deze eis te voldoen. Maar de Verdonkianen lijken naar iets anders op zoek te zijn. Zij realiseren zich dat een beweging die daadwerkelijk streeft naar politieke macht de democratische verenigingsvorm moet aannemen, ook al kan zij (zoals de SP) trekken van een buitenparlementaire beweging blijven behouden.
Het zoeken is daarom naar een nieuw soort politieke vereniging, die de nadelen van een autoritaire beweging en die van een collectivistische partij vermijdt, maar krachtig genoeg is om ideeën om te zetten in politieke macht. Die op zoek gaat naar een andere politieke stijl, waarbij het politieke centralisme, de fractiedwang en de lijstjescultuur zoveel mogelijk worden vermeden. Ruud Koole mag dat dan weer een partij noemen, maar het zal een ander soort partij zijn dan zijn eigen Partij van de Arbeid.
Ik noem het liever een Bond. De bondsgedachte is afkomstig uit de idealistische Duitse jeugdbeweging van de eerste decennia van de vorige eeuw. Zij verwijst naar een vorm van politieke gemeenschap die eerder een vriendschapsband is tussen politiek gelijkgestemden, en dus losser en lichter is dan die van een zware politieke familie (zoals de Rode Familie). Zij moet vrijzinnig en democratisch zijn, omdat zij het politieke individualisme koestert, de democratie verdiept en het volksnationalisme bestrijdt: een nieuwe Vrijzinnig-Democratische Bond.
