Heeft de Duitse sociaal-democratie nog een toekomst?
Toen op 27 september 1998 kort na de eerste exit polls duidelijk werd dat de regerende coalitie van CDU en FDP onder Helmut Kohl na bijna 16 jaar niet langer over een parlementaire meerderheid kon beschikken, werd dit in linkse en linksliberale kringen gevierd als het begin van een nieuwe tijd. De frustratie die zich gedurende 16 jaar Kohl had opgehoopt veranderde in een bevrijde jubel over de mogelijkheid van een rood-groene regeringswisseling. Eindelijk zou alles mogelijk worden wat tijdens de politieke, economische en intellectuele doodsstrijd van het tijdperk-Kohl was tegengehouden. En er was wel degelijk reden tot hoop: hadden SPD en Bündnis 90/Die Grünen niet een andere politiek beloofd? Zou de sociale zekerheid niet via een nieuw maatschappelijk verdrag worden herzien? Zouden minderheden niet worden gesteund en burgerschapsrechten niet worden hervormd? En zou de BRD onder een nieuwe regering niet opnieuw het voortouw nemen bij de versterking van de VN en de EU? En – dat was nog de meest intense hoop – luidde de verkiezingsoverwinning in de BRD niet de terugkeer in van de sociaal-democratie in heel Europa – om zo de weg te effenen voor een nieuw sociaal-democratisch tijdperk in de EU en de VS?De kansen daarvoor lagen in 1998 gunstiger dan ooit tevoren. In vrijwel alle EU-landen behalve Spanje en Ierland namen sociaal-democratische partijen aan de regering deel of leverden zij zelfs de premier. Daarbij kwam het presidentschap van Bill Clinton, die in Europa met zijn ideeën over sociale en gezondheidszorg en buitenlandse politiek gold als een moderne en charismatische president. Maar al kort na de verkiezing van Gerhard Schröder tot bondskanselier vertoonde het Europees sociaal-democratische fundament al de eerste scheurtjes. Toen het zg. Derde Weg-document van Schröder en Blair in juni 1999 verscheen, wilde de toenmalige socialistische Franse premier Jospin het niet ondersteunen, laat staan ondertekenen, vanwege de economische en sociaalpolitieke explosiviteit ervan. Inderdaad is dit stuk achteraf gezien, door de omzetting ervan in praktische politiek, een van de oorzaken van het verlies van vertrouwen in de SPD geweest. Het kopieerde vrij kritiekloos de sociale en politiek-economische uitgangspunten van de regering-Blair, die op zijn beurt in hoge mate een voortzetting was van de politiek van de conservatieve regeringen van Thatcher en Major. Terwijl de Derde Weg in Groot-Britannië een poging was om de harde kanten van het beleid van eerdere conservatieve regeringen te verzachten, waren de Duitse sociaal-democratie en haar kiezers niet voorbereid op de radicaliteit van een principiële instemming met het Angelsaksische economische en sociale model. Al vóór de publicatie van het stuk leidde dit conflict in januari 1999 tot het vertrek van de toenmalige partijvoorzitter en minister van financiën Oskar Lafontaine, die voorstander was van een klassiek Keynesianisme. Door het vertrek van Lafontaine slaagde Schröder erin de linkervleugel binnen de SPD-fractie te marginaliseren en zijn hervormingen van de sociale zorg, de economie en de arbeidsmarkt zonder grote weerstanden door te zetten, ook omdat de coalitiepartners van Bündnis 90/Die Grünen zich hiermee akkoord verklaarden.
Terwijl dit hervormingsprogramma voor de middellange termijn was bedoeld, ontstond kort na het aantreden van de regering-Schröder in de buitenlandse politiek een ernstige politieke crisis rond Kosovo. Tegen de verklaringen en verkiezingsprogrammas van de SPD en Bündnis 90/Die Grünen in nam de regering-Schröder deel aan de volkerrechtelijk illegitieme aanvalsoorlog tegen Servië-Montenegro, met het motief om een einde te maken aan de misdaden tegen de Kosovaarse Albanezen aldaar. Hierbij werd ook de politieke pathetiek niet geschuwd. Minister van buitenlandse zaken Fischer vergeleek de situatie met Auschwitz, terwijl de toenmalige minister van defensie Scharping het oude sprookje van de Serviërs als kindermoordenaars nog eens opwarmde voor zijn oorlogspropaganda. Zo lukte het deze progressieve regering wat conservatieve regeringen nooit was gelukt: de oorlog, die het zonder VN-mandaat moest stellen en in dit opzicht strijdig was met het volkerenrecht, werd enthousiast ondersteund zowel door politiek links als door grote delen van de linksliberale intelligentsia. Slechts enkele politieke buitenstaanders in de SPD, Bündnis 90/Die Grünen, CDU en FDP hadden de moed om de oorlog te benoemen als wat hij werkelijk was: een tegen het volkenrecht ingaande aanvalsoorlog en dus een oorlogsmisdaad.
De regering-Schröder kwam pas na deze politieke storm in rustiger vaarwater. De ambachtelijke fouten namen op alle terreinen beduidend af, terwijl de fundamentele problematiek – de hervorming van het sociale zekerheidsstelsel en de bestrijding van de werkeloosheid op sociaal verantwoorde grondslag – nog steeds op een oplossing wachtte. De doorgevoerde veranderingen op het gebied van de arbeids- en sociale wetgeving leidden niet tot ontspanning op de arbeidsmarkt, maar dreven vele werkelozen uit de uitkering in de bijstand, zonder dat hen een toekomstperspectief werd geboden. De SPD kreeg de rekening van haar falende beleid vanaf 2002 gepresenteerd in de vorm van gevoelige verkiezingsnederlagen in verschillende Landdagverkiezingen, nadat de regering-Schröder de Bondsdagverkiezingen van 2002 op grond van het zeer persoonlijke en zeker ook loffelijke verzet tegen de Irak-oorlog nog net van CDU/CSU en FDP had gewonnen.
In februari 2005 verloor de toenmalige minister-president van Schleswig-Holstein Heide Simonis de stemming rond haar herverkiezing van een tegenstander uit de SPD, die de mogelijk nipte meerderheid van één stem in de voorgenomen coalitie tussen SPD en Bündnis/90/Die Grünen als onvoldoende beschouwde. Het gevolg was een grote coalitie van CDU en SPD onder leiding van de CDU. De laatste en voor de SPD meest dramatische klap kwam op 22 mei 2005 bij de Landdagverkiezingen in Nordrhein-Westfalen (NRW). De coalitie tussen SPD en Bündnis 90/Die Grünen moest plaatsmaken voor een coalitie van CDU en FDP. Voor de SPD was dit resultaat bijzonder pijnlijk, omdat NRW als stamland van de sociaal-democratie gold – denk aan de kolen- en staalindustrie van het Roergebied – en de SPD hier 39 jaar onafgebroken (alleen, of in wisselende coalities) aan de regering was geweest. Deze dramatische nederlaag en de omstreden hervormingen waren voor Schröder aanleiding om in de Bondsdag de vertrouwensvraag te stellen, die hij dan ook met hulp van de coalitie en de oppositie duidelijk verloor.
De inschatting van de Bondsregering dat zij via deze coup de vernietigende peilingen (variërend tussen 28% en 31%) flink kon opdrijven, door een gepolariseerde verkiezingsstrijd te voeren over de toekomst van de verzorgingsstaat en de economische politiek, heeft duidelijk verkeerd uitgepakt. Daarbij komt dat de SPD niet alleen moet ageren tegen de rechtse oppositiepartijen, maar vooral ook aan de linkerkant kiezers kan gaan verliezen. Hier heeft zich de nieuwe partij die Linke/PDS aangediend: een combinatie van de PDS (de voormalige SED) uit het Oosten en van teleurgestelde linkse sociaal-democraten uit West-Duitsland. Dat zou wellicht niet zo problematisch zijn als Oskar Lafontaine, voormalig SPD-minister van financiën en partijvoorzitter, niet een van de leiders was. Ondanks enkele verbale uitstapjes in rechtsradicale richting door Lafontaine, zal die Linke/PDS juist in het arbeidersmilieu onder teleurgestelde vakbondsleden en werklozen stemmen weghalen bij de SPD. Wanneer men kijkt naar het Nederlandse partijenlandschap, dringt zich de vergelijking met de SP en de PvdA op. Aan de ene kant de SP als populistische, anti-Europese partij, die in sociaal-politiek opzicht stevig links is en Jan en alleman met zijn politiek bereikt, maar nooit concreet wordt, de last van het regeren als natuurlijke oppositiepartij kan vermijden, en daardoor zonder problemen de meest absurde dingen kan beweren en eisen. Aan de andere kant de PvdA als de belichaming van de Nederlandse verzorgingsstaat, die als gevolg van de crisis van de welvaarsstaat in de jaren negentig eerst een voorzichtige, later een meer vastbesloten hervormingskoers heeft ingezet, en daarvoor ook regelmatig door haar klassieke achterban is afgestraft.
De vooruitzichten voor de SPD zijn na 18 september dus allerminst positief. Na een nederlaag zal het binnen de partij en de fractie tot fundamentele debatten komen over welke koers de oude tanker in de toekomst zal gaan varen. Dit hangt echter allereerst af van de rol die de SPD gaat spelen in de volgende Bondsdag. Wanneer zij als junior-partner gaat deelnemen aan een grote coalitie met de CDU/CSU, zullen de SPD-regeringsleden eerder komen van de rechtervleugel, terwijl partij en fractie zich duidelijk links zullen manifesteren. Komt de SPD met Bündnis 90/Die Grünen en de Linke/PDS in de oppositie terecht, dan zal dat in economisch en sociaalpolitiek opzicht een duidelijke breuk met het tijdperk-Schröder ten gevolge hebben. Een verbond tussen de drie oppositiepartijen is dan na de volgende (reguliere) verkiezingen in 2009 tenminste theoretisch denkbaar. Deze optie zou echter het einde van de SPD als de partij van het nieuwe midden betekenen, en daarmee de ideologische tegenstellingen in de Duitse politiek opnieuw aanscherpen. Op de middellange termijn is een ideologische en intellectuele koerscorrectie van de SPD zeker welkom. Maar op 18 september zal het eerder gaan om een ondubbelzinnige afwijzing van de door CDU/CSU en FDP voorgenomen uitholling van de sociale zekerheid, de inperking van de rechten van werknemers, de verscherping van de politiek van binnenlandse veiligheid en een onberekenbare buitenlandse en Europese politiek, die worden gevoed door een maatschappijbeeld uit de jaren vijftig. Daarom zullen vele sociaal-democraten, ondanks hun ontevredenheid over de regering-Schröder, nog één keer hun stem uitbrengen op de partij die toch meer dan welke andere de positieve momenten in de Duitse geschiedenis vertegenwoordigt. Laten we hopen dat de aantasting van de SPD door holle neoliberale frasen niet meer is dan een tussenstation op weg naar een vernieuwde sociaal-democratie die haar wortels niet verloochent maar trots accepteert.
Siebo Janssen (Keulen, 1969) promoveerde in de Nieuwste Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen, en is nu verbonden aan het Zentrum für Europäische Integrationsforschung (ZEIc) in Bonn en aan de Vakgroep Internationale Politiek van de sectie Politieke Wetenschappen van de Universiteit van Keulen.
Vertaling: Dick Pels.
