De waarde van wederkerigheid
Terwijl vroeger het begrip solidariteit letterlijk en figuurlijk hoog in de socialistische vaandels werd meegevoerd, heeft het in het recente Beginselprogramma van de PvdA een wat bescheidener plaats gekregen. Na jarenlange antropologische en sociologische studie van dit begrip ben ik er ook zelf aanmerkelijk minder enthousiast over geworden. Behalve dat het een hoera-woord is (niemand is tegen en het klinkt lekker) is het ook een begrip met minder fraaie facetten. Denk aan het paternalisme dat vaak kleeft aan goedbedoelde pogingen om zwakkeren of onderdrukten in de samenleving te steunen, te ‘verheffen’ of te ‘bevrijden’, of de duurzame afhankelijkheid waarin zij door de hulp van bovenaf terecht kunnen komen.Potentieel gevaarlijker zijn vormen van sterke onderlinge groepssolidariteit: de solidariteit die de standpunten van anderen niet verdraagt, en niet terugdeinst voor brute methoden om het eigen gelijk aan anderen op te leggen: de solidariteit die wortelt in ‘bloed en bodem’-gevoelens. Hannah Arendt heeft ooit prachtig beschreven hoe de compassie van de Franse revolutionairen, Robespierre voorop, met de massa’s van arme en uitgebuite mensen uiteindelijk leidde tot de meedogenloze vernietiging van de tegenstanders van de revolutie. Dat is de perverse moraal die in het verleden wel eens aan linkse of revolutionaire politiek ten grondslag heeft gelegen. We hebben onze lessen geleerd en dat willen we niet meer. Maar wat dan wel?
Paul Kalma hanteert in zijn recente boek Links, rechts en de vooruitgang (Amsterdam: WBS/Mets en Schilt, 2004) verschillende omschrijvingen van solidariteit. Solidariteit is de onbaatzuchtige hulp die mensen elkaar geven (vrijwilligerswerk, mantelzorg), maar ook algemener, de compassie met het lot van anderen. Zelf ben ik met geen van beide omschrijvingen erg gelukkig. De eerste raakt niet de kern van het begrip solidariteit zoals dit ooit door klassieke sociologen en antropologen is geformuleerd, en dat verwijst naar het sociale weefsel, het cement van de samenleving. De tweede formulering miskent dat compassie lang niet altijd een betrouwbare motivatie is voor solidair handelen.
Solidariteit zoals door de klassieken beschreven, gaat steeds over gemeenschapsvorming, over hoe sociale banden tussen mensen tot stand komen en in stand gehouden kunnen worden. Aan het einde van de negentiende eeuw vreesden velen dat de solidariteit onder ernstige spanning zou komen te staan als gevolg van industrialisering, verstedelijking en verpaupering. Aan het begin van de eenentwintigste eeuw staan we voor de enorme opgave om een sociaal weefsel te ontwikkelen waarin leden van de meerderheid en minderheidsgroepen op een respectvolle manier met elkaar kunnen samenleven. Compassie en hulpvaardigheid zijn niet voldoende om dat te realiseren. Om sociale samenhang te bewerkstelligen is een andere morele grondslag nodig. Die morele grondslag ligt besloten in het begrip solidariteit zelf, en wel in het element van wederkerigheid. Ik zie hier interessante aanknopingspunten met het PvdA-Beginselmanifest. Gemeenschap als keuze, wederzijds respect tussen overheid en burgers, tot uitdrukking komend in het recht op een fatsoenlijk bestaan, en de ideeën over publieke voorzieningen: het investeren door de overheid in haar burgers en het kunnen aanspreken van burgers op hun eigen verantwoordelijkheid.
Waarom wederkerigheid, en wat is er moreel aan? Wederkerigheid, dat wil zeggen de wederzijdse (en dus niet de eenzijdige, top-down) uitwisseling van materiële en niet-materiële steun, informatie, diensten ligt ten grondslag aan elke vorm van gemeenschap, van de primitieve, op giftuitwisseling gebaseerde archaïsche samenlevingen tot en met onze hedendaagse multiculturele samenleving. Een samenleving bestaat dankzij wederkerigheid tussen burgers onderling en tussen overheid en burgers. Waarom is het informele sociale contract dat door wederkerigheid tot stand komt zo effectief? Omdat wederkerigheid een elegante combinatie is tussen eigenbelang en de vereisten van het sociale leven. Iedereen wordt individueel beter van wederkerigheid, maar ook de gemeenschap is ermee gediend.
Wat is er moreel aan wederkerigheid? Allereerst impliceert wederkerigheid de erkenning van de ander als potentiële bondgenoot. Zonder deze fundamentele erkenning is er geen wederkerige uitwisseling en geen solidariteit mogelijk. Erkenning impliceert niet alleen respect voor de ander, maar ook erkenning van onderlinge afhankelijkheid: je hebt elkaar nodig om een leefbare samenleving te kunnen creëren. Niet alle vormen van wederkerigheid impliceren moraliteit: transacties op de markt hebben doorgaans geen morele implicaties, maar vrienden- of burendiensten wel. Frans de Waal deed op basis van zijn studie onder primaten een prachtige constatering, die onverkort ook voor mensen geldt: wederkerigheid kan bestaan zonder moraal, maar er is geen moraal zonder wederkerigheid. Een tweede moreel aspect van wederkerigheid is de verplichting tot teruggeven. De klassieke regel die aan geschenkenuitwisseling, maar in feite aan elke uitwisseling ten grondslag ligt, is de morele verplichting om een ontvangen gunst of dienst te beantwoorden met een tegenprestatie.
Net zomin als enig ander moreel principe is wederkerigheid een tovermiddel. Wederkerigheid staat onder permanente druk van tekorten (bijvoorbeeld mensen die zelf tekort komen en niet kunnen teruggeven) en ongelijkheden in de samenleving, van belangentegenstellingen en van gebrekkige identificatiemogelijkheden tussen groepen met een uiteenlopende achtergrond. Niettemin biedt het streven naar wederkerigheid, zowel binnen maatschappelijke instituties als in informele verbanden, naar mijn mening interessante aanknopingspunten voor een linkse politiek. Wanneer je wederkerigheid als moreel fundament van linkse politiek neemt, gaat het erom hoe je de samenleving zodanig inricht dat vormen van onderlinge afhankelijkheid, zowel tussen burgers onderling als tussen burgers en overheid, productief gemaakt kunnen worden. Sleutelwoorden zijn: wederzijdse aanspreekbaarheid, respect, kleinschaligheid, directe lijnen, en het ontbreken van bureaucratie.
Twee opmerkingen tot slot. Ten eerste zou niet ‘verlichting’ (Duyvendak), maar ‘vervlechting’ van gemeenschappen (‘zij’ hoeven niet precies zo te worden als ‘wij’) ons streven moeten zijn. We komen al een heel eind als er sprake is van wederzijdse aanvaarding, het erkennen van de ander als ander. Het zoeken naar gemeenschappelijkheden is een betere optie dan het streven naar ‘verlichting’, dat toch wat paternalistisch, voorhoede-achtig aandoet. Alleen dan kunnen de negatieve gevolgen van sterke onderlinge groepssolidariteit worden vermeden. Ten tweede zou het idee van het informele sociale contract, of van de wederkerigheid, moeten worden uitgewerkt in concrete politieke praktijken: onderwijs, arbeid, gezondheidszorg, veiligheid, het publieke domein en, last but not least, in de verbinding tussen ‘lichte’ en ‘zware’ gemeenschappen.
Aafke Komter is hoogleraar Vergelijkende Studies van Sociale Solidariteit aan de Universiteit Utrecht, en decaan van de afdeling sociale wetenschap van het Utrecht University College. Dit stuk is de licht bewerkte versie van een co-referaat op de WBS-conferentie ‘Links en de moraal’, Utrecht, 26 februari 2005.
