Maatschappelijk verantwoord ondernemen: de politieke toekomst van een kletsdossier
Wie er nog niet van overtuigd is dat de strijd voor duurzame welvaart en tegen vervuiling, overbevolking en ongebreidelde economische groei een van de kernthemas van de progressieve agenda behoort te zijn, moet nodig eens iets lezen van de Britse publicist John Gray.In de bundel Provocaties (2004) houdt Gray ons een inktzwarte toekomst voor. Oorlogen om schaarse en eindige hulpbronnen zullen de wereld beheersen (China, Japan), de mensheid zal tenonder gaan aan zijn eigen vraatzucht. De geschiedenis verloopt niet lineair maar cyclisch; sociale vooruitgang bestaat niet. Wat wij voor maatschappelijke vooruitgang houden is niets anders dan een naïeve Verlichtingsconstructie, een geseculariseerde versie van het christelijke verlossingsideaal, waarin technologie onterecht synoniem wordt verklaard met vooruitgang. Je tegen de verloedering teweer stellen haalt niets uit, want ook het progressieve denken wordt beheerst door het vervloekte vooruitgangsgeloof, dat alle hoop stelt op de voortschrijdende techniek. Die hoop is vergeefs. Homo sapiens zal uiteindelijk de tol betalen voor zijn eigen onveranderlijke, verdorven karakter en voorgoed van de aarde verdwijnen.
Daar word je niet vrolijker van, als eenvoudige ziel die in de dagelijkse praktijk van het bedrijfsleven probeert een steentje bij te dragen aan een duurzamer wereld. Daar ga je dan, met al je mooie ideeën over maatschappelijk verantwoord ondernemen, verduurzaming van de productieketen en transparante maatschappelijke verslaglegging. Alles umsonst, vluchten kan niet meer.
Eerlijk gezegd denk ik dat Gray te zeer in de ban is van een bijbels Armageddon om als geestelijk leidsman te kunnen fungeren. Dan voel ik me meer thuis bij de socioloog Karl Mannheim, die vele decennia geleden, in veel minder metafysisch getinte bespiegelingen, eveneens constateerde dat de sociale ontwikkeling van de mens ver achterliep bij de technische, maar daar niet per definitie suïcidaal van werd. Toch vormen ook Grays apocalyptische provocaties, mits ontdaan van hun nihilistische implicaties, een bron van inspiratie. De ontzagwekkende urgentie van de inhaalslag die de mensheid moet leveren rijst monumentaal op uit zijn werk, en kan alleen maar een aansporing zijn er nog harder tegenaan te gaan.
Duurzame groei veronderstelt duurzaam ondernemen, met respect voor milieu en mensenrechten. Dit duurzaam of maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) is de laatste jaren een regelrechte hype geworden. Talrijk zijn de ondernemingen, de maatschappelijke organisaties en instituties, de beleidsmedewerkers en de consultants, die zich op dit fenomeen (ook wel omschreven met de drie Ps: People, Planet, Profit) hebben gestort. Wie vertrouwd is met de opkomst en ondergang van zakelijke modetrends meent een verontrustend patroon te herkennen: (1) de introductie van een buzz-word, (2) de incubatietijd, (3) het hoogtepunt, en (4) de fading-out. Tegen het eind van de levenscyclus heeft de ondernemende goegemeente zich vaak alweer vol overgave op een nieuwe hype gestort.
Een zekere achterdocht bekruipt je dan ook als je het MVO-circus aanschouwt, dat dicht tegen zijn hoogtepunt lijkt aan te zitten. Wie verdient geld aan wie, waar liggen de belangen, wat is window dressing en wat niet, en hoeveel doet het thema zelf er eigenlijk toe? Voor de maatschappelijke organisaties (NGOs) is de nieuwe trend natuurlijk attractief. Milieu en mensenrechten zijn zware, ouderwetsige onderwerpen, die zich onder de vlag van MVO veel vlotter (opnieuw) laten vermarkten. MVO legitimeert het financieel beroep op donateurs en subsidiërende instanties en verlengt daarmee de levensduur van de eigen organisatie. De belangstelling van topmanagers van grote bedrijven is eveneens verklaarbaar. In een tijd waarin de economische elite hevig onder vuur ligt vanwege de hoogte van haar inkomens, is elk vehikel waarmee met klaarblijkelijke oprechtheid kan worden getuigd van maatschappelijke betrokkenheid natuurlijk zeer welkom. Over de hele industrie van consultants, onderzoekers en congressen kunnen we kort zijn. Pas als de congresorganisaties er echt geen stuiver meer aan kunnen verdienen en de zelfbenoemde deskundigen er niet meer in slagen de laatste cent uit het toetsenbord te rammelen, is een hype in de zakenwereld voorbij.
Dat is de cynische kijk op MVO, die voor een deel zeker wortelt in de werkelijkheid. Desondanks is er alle reden de opkomst van de drie Ps zeer serieus te nemen. Op de vraag Wordt het nog wat met duurzaam ondernemen in Nederland?, luidt het antwoord opmerkelijk genoeg: Ja, maar dat is dan eerder te danken aan het bedrijfsleven dan aan de politiek. Het fenomeen MVO is ondanks zijn soms hype-achtige trekken serieus op weg zich te verankeren in de bedrijfsvoering van de grote, beursgenoteerde ondernemingen. Helaas moet je vaststellen dat de Nederlandse politiek aan deze ontwikkeling nauwelijks een bijdrage van betekenis levert.
Gezien het zich opstapelende bewijs dat wij de planeet in snel tempo aan het uitputten zijn, zou je verwachten dat het thema duurzame groei een centrale plaats inneemt in de Haagse politiek. Niets is minder waar. Typerend voor de geringe importantie die politiek Den Haag toekent aan MVO is de slakkengang waarmee de wetgevende arbeid op het gebied van verplichte maatschappelijke verslaglegging vordert.
Nederland kent weinig verplichtingen als het gaat om maatschappelijke verslaglegging. Weliswaar heeft de Raad voor de Jaarverslaggeving in 2003 een advies uitgebracht over duurzame verslaglegging (Richtlijn 400), maar dat heeft geen verplichtend karakter omdat de adviezen van de Raad geen wettelijke basis hebben. Vraag: is het zo dat deze adviezen omdat ze geen wettelijke basis hebben niet verplichtend zijn, of zijn de adviezen an sich niet verplichtend? Ik ken nl ook adviezen die strikt genomen geen wettelijke basis hebben maar wel verplichtend zijn. Ik weet hier te weinig van om te bepalen of wat er staat juist is of niet, vandaar dat ik het als aandachtspunt signaleer. Van de hand van Groen Links en PvdA ligt al sinds 2001 een MVO-geïnspireerd wetsontwerp bij de Raad van State, dat internationaal opererende bedrijven verplicht in hun jaarverslag openheid te verschaffen over de activiteiten die zij ontplooien op ecologisch, sociaal en ethisch vlak, en te rapporteren over de maatregelen die zij nemen om de problematiek op deze terreinen op te lossen. Naar verluidt zal het voorstel dit jaar eindelijk op de agenda van de Tweede Kamer worden gezet. Ongetwijfeld in sterk gewijzigde vorm, want het oorspronkelijke ontwerp wordt door juristen omschreven als breed, vaag en weinig concreet.
Concretisering is mogelijk door aansluiting te zoeken bij de wijze waarop de code-Tabaksblat, die handelt over goed ondernemingsbestuur bij beursgenoteerde bedrijven, recent is geïntroduceerd in het Burgerlijk Wetboek. Die code werkt volgens het pas toe of leg uit-principe. De overheid legt goed ondernemingsbestuur niet wettelijk op aan bedrijven, maar dwingt ze in het financieel jaarverslag verantwoording af te leggen over de naleving van een aantal zogeheten best practices.
Introductie van een dergelijke MVO-code, gebaseerd op de internationale MVO-richtlijnen van de OESO (en dus in tegenstelling tot Tabaksblat niet op de inzichten van een speciaal daartoe ingestelde nationale commissie), is sinds enige tijd de tactiek van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer. Veel succes heeft zij daar tot nu toe niet mee gehad. De laatste actie dateert van half maart. De Kamer behandelde toen een implementatiewet die uitvoering geeft aan de Europese Moderniseringsrichtlijn ter harmonisering van de jaarverslaggeving. Een poging van PvdA-Kamerlid Kris Douma om de OESO-gedragscode via een amendement op dit wetsvoorstel het jaarrekeningrecht binnen te smokkelen, stuitte op het veto van minister Donner. Minister en Kamer hadden haast met de implementatiewet, die eigenlijk al op 1 januari van dit jaar ingevoerd had moeten zijn, en wilden de zaak zo snel mogelijk afhandelen. Douma zag zich gedwongen zijn amendement in te trekken.
Een voorzichtige eerste aanzet tot verplichte maatschappelijke verslaglegging is er dankzij diezelfde Moderniseringsrichtlijn overigens nu wel. Grote Europese ondernemingen zijn met ingang van het boekjaar 2005 verplicht in het financieel jaarverslag te rapporteren over niet-financiële essentiële prestatie-indicatoren die betrekking hebben op het specifieke bedrijf van de vennootschap, met inbegrip van informatie betreffende milieu- en personeelsaangelegenheden. Dit geldt echter alleen in de mate waarin zulks noodzakelijk is voor een goed begrip van de ontwikkeling, de resultaten of de positie van de vennootschap.
Rekbare formuleringen, die voer zijn voor juristen en accountants, maar geen grootse vergezichten op maatschappelijke verslaglegging openen. Een kleine kans op verdergaande Europese regelgeving ontstaat als over enige tijd de voorstellen voor een Europese corporate governance code in behandeling worden genomen. Dit betekent wederom een herziening van het jaarrekeningrecht, die wellicht mogelijkheden biedt tot inpassing van een MVO-paragraaf. Dat een MVO-gedragscode langs deze Douma-achtige smokkelroute de Europese financiële jaarverslagen inkomt, is echter niet erg waarschijnlijk. Het Europese MVO-ei lijkt voorlopig gelegd.
Intussen laat het kabinet-Balkenende nationale wetgeving op dit gebied voor wat het is en zet het volledig in op het pamperen van het eindeloos rondjes draaiende overlegcircuit. Zo werd in december vorig jaar, op de valreep van het Nederlands Europees voorzitterschap, in Maastricht een geldverslindende internationale conferentie georganiseerd, in gloedvolle bewoordingen geopend door junior-staatssecretaris Karien van Gennip van EZ. Zij is het politieke zwaargewicht aan wie de regering vol vertrouwen het vraagstuk van de duurzame ontwikkeling heeft toevertrouwd. Typerend voor het politieke gewicht dat aan de hele MVO-kwestie wordt toegekend is dat de staatssecretaris van Milieu er geen rol van betekenis in lijkt te spelen, evenmin als de minister van Landbouw en die van Ontwikkelingssamenwerking. Onder het toeziend oog van Van Gennip werd vorig jaar MVO Nederland opgericht, een organisatie die bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties moet stimuleren bij het invullen van hun maatschappelijke rol. Van Gennips motto daarbij: Vrijwillig maar niet vrijblijvend. Het heeft tot nu toe weinig opgeleverd dat er al niet was. De activiteiten van MVO Nederland vertonen een grote overlap met de vele initiatieven die bedrijven, overheden en maatschappelijke organisaties zelf al ontplooien.
De waarheid is dat het bedrijfsleven de politiek mijlenver vooruit is. MVO is in de huidige politieke constellatie vooral een kletsdossier, dat niet tot concrete normen voor het bedrijfsleven leidt of mag leiden. Lobbyisten van accountants- en werkgeversorganisaties doen er alles aan om het proces van regelgeving te vertragen. Individuele ondernemingen echter zijn vaak al vele stappen verder. Zij beseffen dat de integratie van MVO-principes in bedrijfsprocessen en productieketen de onderneming niet alleen minder kwetsbaar maakt voor aanvallen van NGOs - waardoor name & shame geleidelijk zal plaatsmaken voor name & fame- maar ook een aanzienlijke voorsprong op de concurrentie kan bezorgen. Cruciaal hierin is het zo transparant mogelijk verantwoording afleggen over het gevoerde MVO-beleid, in de hoop dat dit een substantiële verbetering van het corporate image oplevert.
Vanuit dit vertrekpunt is een aantal grote, beursgenoteerde ondernemingen er inmiddels toe overgegaan om, los van het financieel jaarverslag, een maatschappelijk jaarverslag te publiceren. Deze zogeheten frontrunners maken daarbij steeds vaker gebruik van de richtlijnen van het door de Verenigde Naties ondersteunde Global Reporting Initiative (GRI), dat zich temidden van andere, concurrerende richtlijnen, hoe langer hoe meer tot de wereldstandaard ontwikkelt. Verificatie van de aldus geproduceerde maatschappelijke verslaglegging door de onafhankelijke accountant, volgens dezelfde strenge systematiek als gebruikelijk bij de financiële verslaglegging, is de volgende stap. Als deze weg wordt vervolgd, ligt op de langere termijn een samensmelting van de twee vormen van verslaglegging in het verschiet.
Een belangrijke motor achter dit proces van transparantie en verificatie is de druk van de internationale kapitaalsmarkt en de daarmee verbonden aandacht van internationale rating organisaties. De financiële markten worden steeds groener en socialer. De afgelopen tien jaar tijd zijn de investeringen in duurzame of maatschappelijk verantwoorde ondernemingen wereldwijd vervijftienvoudigd, een trend die nog altijd doorzet. Zo blijkt uit onderzoek van de Universiteit Tilburg dat ruim een kwart van de Nederlandse beleggers investeert in ethisch verantwoorde spaar- of beleggingsproducten. Een meerderheid van de financieel analisten, zo leert ander onderzoek, verwacht dat sociale of milieuprestaties binnen tien jaar een integraal onderdeel van de analyse voor de mainstream investeringsmarkt zullen zijn.
De belangstelling van investeerders voor de zachte activa van ondernemingen, jaren geleden in gang gezet met de discussie over de balanswaardering van merken, heeft zich verlegd naar het menselijk en milieukapitaal. Dit stelt VU-wetenschapper Timo van den Brink van het Triple P Performance Centre. Duurzaamheidsinformatie was al langer in trek bij duurzaamheidsindexen als de Dow Jones Sustainability Index, bij asset managers van beleggingsfondsen en bij institutionele beleggers, met name de pensioenfondsen. In toenemende mate tonen nu ook verzekeringsorganisaties, kredietmanagers van banken en invloedrijke financiële rating organisaties als S&P en Reuters belangstelling. Sustainable Responsible Investment (SRI) is een sterk opkomende markt, waarin internationaal tientallen screening and rating agencies actief zijn die een cruciale rol spelen. Geen onderneming vindt het immers fijn onderaan de ranglijst van een belangrijke rating agency te bungelen. Dat verkleint de kansen op het aantrekken van nieuw kapitaal en heeft een negatieve impact op de koersontwikkeling. Niet plezierig voor topbestuurders, die hun beloning vrijwel altijd voor een belangrijk deel in opties en aandelen uitgekeerd krijgen.
Transparantie, verificatie, rating. Het is deze trits die een zacht onderwerp als MVO voor het bedrijfsleven tot een spijkerharde realiteit kan maken. De overheid hoeft daarbij geenszins werkloos toe te zien, maar kan door de introductie van innovatieve wetgeving een belangrijke stuwende kracht zijn. In Groot-Brittannië, bijvoorbeeld, is al een aantal jaren de Pension Disclosure Act van kracht, op grond waarvan pensioenfondsen verplicht zijn in hun jaarverslag informatie op te nemen over de duurzaamheid van de ondernemingen waarin zij investeren.
In Nederland gebeurt next to nothing op dit gebied. De politiek staart zich blind op het integratie- en veiligheidsdebat. Het gebrek aan mondiale duurzame ontwikkeling, gemakkelijk te identificeren als een belangrijke achterliggende oorzaak van de problematiek waar avond na avond de televisieschermen mee wordt gevuld, is geen heet politiek hangijzer.
Dat zou het wel moeten zijn. Progressief denkenden, de Partij van de Arbeid voorop, moeten MVO tot een kernpunt van toekomstig beleid maken. Mijn voorstel is een speciale MVO-commissie te installeren die, analoog aan de commissie-Tabaksblat, uitputtend de merites van het pas toe of leg uit-principe voor de MVO-verslaglegging onderzoekt en een standaard voor deugdelijke verificatie door de onafhankelijke accountant bepaalt. Met een simpelweg vertalen van de OESO-gedragscode in Nederlandse wetgeving kan niet worden volstaan, daar is de code te generiek en de materie te complex voor. De instelling van een commissie heeft bovendien als voordeel dat er draagvlak binnen het bedrijfsleven wordt gecreëerd, vooral als de voorzitter one of the boys is. De commissie-Winsemius: dat klinkt goed.
MVO zou ook nadrukkelijk een onderdeel van de onderhandelingen over een nieuw regeerakkoord moeten zijn. In het recente pleidooi van Wouter Bos voor Superministeries mis ik een Superministerie voor Duurzame Ontwikkeling. Misschien een aardig onderwerp om eens bij een glaasje biologische wijn te bespreken met Jan-Peter Balkenende. Het kan bijna niet anders of onze premier heeft op de Vrije Universiteit evenals ikzelf nog onderricht in de filosofie van de geschiedenis gekregen van de brave professor Smit, die er vast van overtuigd was dat zich in de geschiedenis de hand Gods openbaart. Daar past het inzicht bij dat de geschiedenis niet cyclisch, maar lineair verloopt, dat mondiale maatschappelijke vooruitgang wel degelijk kan bestaan, en dat het geen kwaad kan als de overheid daar een stevig handje aan meehelpt.
Frits Kremer werkt in het bedrijfsleven en is bestuurslid van de PvdA-afdeling Nijmegen. Samen met anderen bereidt hij een congres voor over Links Kapitalisme. Hij schreef dit stuk op persoonlijke titel.
