Wedje op links
Het moet ergens in het voorjaar van 2000 zijn geweest. Een andere tijd. Er was geen vuiltje aan de lucht. Het land maakte een gelukkige indruk en politici zeiden niet wat ze dachten maar wat hen verstandig leek. Ik zat aan een tafeltje in een niet nader te noemen politiek cultureel centrum in Amsterdam, waar ik werkte als programmamaker. Mijn gezelschap bestond uit twee ex-collegas. Ze waren niet zo lang geleden overgestapt naar de politiek. Beide waren nu volksvertegenwoordiger voor een kleine linkse partij waarvan de samenstellende delen ooit hun sporen hadden verdiend als belangenbehartigers van tree huggers, straaljagerbashers, elfjes en bom-moeders, maar die nu hard zijn best deed om ook over macro–economische groeicijfers serieuze standpunten te hebben. Links, maar niet loony.In het uitermate liberale klimaat dat Nederland aan het eind van de 20e eeuw kenmerkte, was deze partij in de opiniepeilingen goed voor meer dan vijftien zetels. En met achttien zetels - zo had de zwaar bewenkbrauwde partijleider te kennen gegeven - was deelnemen aan de regering een reële optie. Dat zou dan een coalitie moeten zijn met de nogal marktgerichte sociaal-democraten en christen-democraten, maar dat maakte de opwinding onder de realistische wereldverbeteraars er zeker niet minder op. In elk geval niet onder mijn tafelgenoten. Tussen hen ontspon zich een opgewekte dialoog.
Wedden dat jíj van gekkigheid niet weet hoe snel je in het kabinet moet raken? Zon leuk staatssecretariaatje? Op Onderwijs of Financiën? Ik zie je daar al lopen: dikke aktetas, stukje belastingherziening naar de burger toe, autootje, chauffeurtje. Ringetje uit je oor en klaas is kees.
Ha ik? Nooit! Maar jij bent volgens mij nu al je garderobe aan het samenstellen. Met van die kekke pakjes. Volgens mij zou je nog tekenen voor een onnozele post als buitenlandse handel. Leuk hoor, beetje vliegen, handen schudden.
Niks daarvan! Ik blijf natuurlijk in de Kamer. Wetgeving, dat is de echte politiek.
Zo kibbelden ze verder, overduidelijk klaar om de uitdaging met twee handen aan te pakken. Ze hadden goed naar de grote jongens gekeken. Meeregeren, dat was natuurlijk fantastisch. Maar het was wel zaak te ontkennen dat je daar iets mee te maken wilde hebben. Ondertussen moest je wel dossiers opbouwen, mapjes met plannen over wat te doen op welk departement. Ze gingen dan ook grif in op mijn weddenschap dat ze allebei zouden bezwijken voor de verleiding van de macht. Inzet: 5000 gulden - een te verwaarlozen bedrag op een ministerssalaris.
Het liep allemaal wat anders. Er kwamen aanslagen op mensen en gebouwen. De kleine linkse partij werd daarvoor rechtstreeks verantwoordelijk gesteld en verdween jarenlang in de coulissen. Vijf jaar om precies te zijn, want inmiddels publiceert de club verleidingspogingen in de krant om de sociaal-democraten zo gek te krijgen met hen te gaan regeren. En dan niet eens samen met de christen-democraten, maar met de socialisten. Het moet een echte linkse coalitie worden - andere koek dan aanhaken bij twee grote middenpartijen.
Het lijkt inderdaad alsof de kansen van mijn voormalige collegas flink zijn gestegen. Kiezers zeggen in peilingen dat ze massaal op linkse partijen zullen stemmen. In bevolkingsonderzoeken verklaren ze al even massaal een ontspannen samenleving te willen; niet eentje van keihard werken voor jezelf en de buurman zijn eigen sores laten opknappen. Maar hoe robuust is dat sociale verlangen?
Vijf jaar geleden leek Nederland een ongeëvenaard hoogtepunt van vrijheid te hebben bereikt. Het was een liberaal land in de beste zin van het woord. Ook al moest daar nog wel het een en ander aan vervolmaakt worden, op grote lijnen kon je rustig stellen dat er geen plek op aarde was waar de meeste mensen zon aangenaam leventje leidden. Maar op de tegenslagen die zouden volgen, bleek dat welvarende land niet voorbereid. Het raakte behoorlijk in paniek.
Inmiddels lijkt de maatschappelijke toestand in Nederland beter te duiden met een medische in plaats van een politieke term: het land oogt zwaarmoedig, zo niet depressief. Mensen hebben geen vertrouwen in de regering. Waarom ze dat niet hebben, of wat dat gebrek aan vertrouwen precies betekent, blijft uiteindelijk vaag. Vermoedelijk moeten de voor links zo aangename peilingen eerder geduid worden als verlangen naar iets anders - het dondert niet wat - dan als een gearticuleerde behoefte aan een meer egalitaire samenleving. Ondertussen is er geen enkel signaal dat het maatschappelijk incasseringsvermogen is toegenomen, integendeel.
Zodoende. Er hoeft maar dít te gebeuren en ik kan weer fluiten naar mijn 5000 gulden.
