Het nut van idioten: een reactie op Frits Bolkestein
Met intellectuelen is het een beetje als met ambtenaren. Als je een kind van tien vraagt wat hij of zij later wil worden dan zegt het misschien brandweerman, mannequin, dj of Christina Aguilera, maar als dat kind zou zeggen dat het ambtenaar wil worden, dan is de kinderpsycholoog hopelijk niet ver weg. Immers, het gangbare beeld van de ambtenaar is dat van iemand die saai, routineus en bovendien vaak ook overbodig werk doet, als hij al werkt. Kortom: een ambtenaar is overbodig, er zijn er veel te veel van, of hij is lui en voert niet uit wat hij (voor ons) zou moeten doen.Met de intellectuelen in de voordracht van Frits Bolkestein is net zoiets aan de hand: ofwel ze zijn overbodig, zonder enige invloed en betekenis, ofwel ze doen het fout. Allemaal nuttige idioten zonder merkbaar effect op de samenleving en de geschiedenis, of schrijvers en denkers met een vooral destructief effect. In plaats van een proefschrift te schrijven over die intellectuelen, en meer in het bijzonder over antidemocratische intellectuelen, ging Frits Bolkestein olie verkopen in Afrika. En God zag dat het goed was zo? Hier klinkt de stem van de realist die zijn zweverige, idealistische of drammerige en irrationele collegas hun plaats wijst. De werkelijkheid wordt niet bepaald, laat staan gemaakt door bevlogen intellectuelen, door grootse visies of omvattende idealen, maar door hardwerkende lieden met een aangename portie gezond verstand.
Maar om verschillende redenen bevredigt dit beeld niet. Ook Frits Bolkestein is immers weer teruggekomen op zijn oude fascinatie: die van de intellectueel in de politiek. Daarom ook wil ik de realist in Bolkesteins verhaal hier terzijde laten en me concentreren op die tweede teneur in zijn betoog, die een beetje onderbelicht bleef maar die eigenlijk belangrijker en interessanter is, de teneur die suggereert dat veel intellectuelen juist een destructieve of gevaarlijke rol in de politiek spelen en hebben gespeeld. Wat mij interesseert is op welke manieren intellectuelen een eigen rol kunnen spelen in de politiek en in het publieke debat, en of de stilzwijgende aanname van Frits Bolkestein dat veel intellectuelen in de twintigste eeuw een vooral antidemocratische en destructieve rol hebben gespeeld, correct is. Ik wil me daarbij concentreren op de periode van de laatste veertig jaar, omdat de werkelijke stenen des aanstoots ook voor Frits Bolkestein uit die periode komen.
Het is de periode die min of meer begon met 68, het tijdperk van de babyboomers, van de verbeelding aan de macht, maar ook van de schaalvergroting en massificatie van het hoger onderwijs, en van de opkomst van een mondiale populaire cultuur waarin intellectuelen nogal eens zijn verzopen. Voor Frits Bolkestein was het ook een periode van een dominante linkse consensus, van geflirt met totalitaire politieke systemen, en van een doorgeslagen cultuurrelativisme. Tegenover de intellectuelen die zich als linkse partijgangers en fellow travellers overleveren aan de totalitaire verbeelding en aan andere gevaarlijke antidemocratische modes, lijkt Frits Bolkestein een pleidooi te houden voor de intellectueel als iemand die liever voor de eenzaamheid van de waarheid kiest dan voor de charme van modieuze ideologieën. Zo stelt hij ons André Gide ten voorbeeld, die tegen zijn communistische vrienden en partijgenoten pal blijft staan voor de onaangename waarheid van het verval van de Russische revolutie. En zo heeft hij de laatste jaren regelmatig een beroep gedaan op het universele beschavingsideaal van de Verlichting, dat ons de instrumenten zou leveren om de bokken van de schapen, et cetera, te scheiden.
Vier soorten intellectuelen
Kortom: de houding van Frits Bolkestein tegenover intellectuelen heeft een Januskop: enerzijds die van de realist die denkt dat intellectuelen nutteloze idioten zijn, anderzijds de idealist die als ware intellectueel alle andere intellectuelen de spiegel van de Verlichting voorhoudt. Ik zal niet vragen of de ware Frits Bolkestein nu wil opstaan, omdat ik denk dat die niet bestaat. Of als die bestaat dan is dat de partijganger Bolkestein. En in het verlengde van die identiteit wil ik u een viertal intellectuele stijlen voorleggen die de laatste veertig jaar van belang zijn geweest, en die m.i. ook een belangrijke rol in onze publieke cultuur hebben gespeeld. Mijn algemene stelling daarbij luidt dat alle intellectuelen tot op grote hoogte partijgangers zijn, dat zij naast of samen met de waarheid ook altijd bepaalde specifieke belangen en idealen verdedigen, en dat zij tenslotte zelf ook een bepaald soort macht in de samenleving vormen, die tenslotte soms inderdaad ook gevaarlijk kan zijn.
Allereerst is er de intellectueel als voorhoede, als revolutionaire avant-gardist die namens ons allen, namens het volk of de mensheid spreekt en ons vooruitwijst naar een nieuwe mens en een nieuwe samenleving. Deze intellectueel kan eigenlijk alleen bestaan in samenlevingen waarin de meerderheid van de bevolking ongeletterd is of een enorme kennisachterstand heeft ten opzichte van de elite. Het marxisme leverde de mooiste en ook gevaarlijkste voorbeelden van dit type intellectueel, maar het steunt zeer zeker ook op een lange joods-christelijke traditie van profeten en asceten. De beweging van mei 68 leverde ons de laatste voorhoede-intellectuelen op, maar meer als farce dan als succesfactor. Hun kennisvoorsprong was simpelweg te klein om met recht een voorhoederol op te kunnen eisen.
Desondanks speelde de voorhoede-intellectueel in de vorige eeuw wel degelijk een beetje de rol van de femme fatale, een verleiding waaraan velen zich op soms tragische wijze overleverden. In Europa en de VS bleef het beperkt tot kleine, geïsoleerde radicale groepjes die een enkele keer ook voor de verleiding van de terreur vielen, buiten Europa en de VS mondde deze intellectuele houding soms uit in systematische terreur, zoals die van de o.a. door Plato geïnspireerde leider van het Peruaanse Lichtend Pad, de filosoof Guzman, of die van door het maoïsme geïnspireerde Afrikaanse leiders als Mugabe. Opvallend genoeg echter was de politieke rol van veel maoïstische revolutionairen zelf echter vaak anti-intellectueel, met de genocide van de Rode Khmers en de terreur van Mao zelf als meest extreme voorbeelden. Echter: de dramatisch aandoende kritiek van Bolkestein op zijn totalitaire tijdgenoten in Europa zelf maakt een beetje een anachronistische indruk, tenzij hij serieus van mening zou zijn dat we Femke Halsema of Wijnand Duyvendak dienen te beschouwen als directe erfgenamen van de Goelag Archipel of van het marxisme-leninisme.
Dan is er de intellectueel als representant van de geestelijke aristocratie, zeker verwant aan de avant-gardist. Vooral de laatste jaren klinkt zijn stem weer opvallend veel en ook schel. Die stem verheft zich tegen de als banalisering ervaren invloed van nieuwe, commerciële communicatiemedia, tegen de pulpcultuur, maar even makkelijk ook tegen het verval van het hoger onderwijs, de ontlezing, en ook tegen de gelijkheidsidealen van de sociaaldemocratie en tegen het al genoemde linkse cultuurrelativisme. Deze stem roept om een nieuwe culturele elite, verdedigt de Westerse beschaving en de Verlichting tegen het religieuze fundamentalisme, het extreme islamisme en andere als achterlijk ervaren stromingen en groeperingen. Maar zoals gezegd: deze stem klinkt soms wat al te schel en ook schril. Kortom: het gevaar komt van alle kanten, van hbo-studenten die niet meer kunnen schrijven en niet meer weten wie Multatuli was, van radicale moslims die achterlijke vrouwenonderdrukkers zijn, en van de John de Mols van onze cultuur die die cultuur te grabbel gooien aan de kortetermijnbelangen van het internationale bedrijfsleven. Ook de universiteiten zelf zijn hier vaak een vijfde colonne van de barbarij, want waar anders leren onze studenten dat ellendige cultuurrelativisme dan bij de faculteit der Letteren?
Hier spreekt kortom een gedesillusioneerde en versnipperde oude culturele elite, die zich niet zo zeer geconfronteerd ziet met de barbaren en het gepeupel, maar vooral met andere culturele elites en hun aanhang. De homme des lettres is zijn vanzelfsprekende intellectuele autoriteit kwijt en moet de strijd aan met de vlotte babbels van nieuwe, meer volkse of populaire intellectuelen, en dat doet pijn. Toch is deze geestelijke aristocraat niet persé een figuur uit het verleden. Zijn beroep op kwaliteit, op stijl, op het belang van traditie en van onderscheid doet hem meer dan hij zelf zal willen juist lijken op de linkse cultuurrelativist, die doorgaans helemaal niet roept dat alle culturen even veel waard zijn, maar dat een werkelijk open publieke cultuur, een echt Verlichte cultuur, recht doet aan de vaak onoplosbare verschillen en conflicten en de soms moeilijk hoorbare stemmen waaruit die cultuur is opgebouwd. Voor de aristocraat en de zogenaamde cultuurrelativist geldt dat de waarheid niet ergens daarbuiten of daarboven ligt, en dat we haar alleen maar hoeven te ontdekken, maar dat zij steeds weer opnieuw gemaakt, hersteld en verdedigd moet worden middenin het publieke gevecht zelf.
De twintigste eeuw kent ook nog de intellectueel als populist, de charismatische redenaar die de indruk weet te wekken voor het volk, maar vooral ook als het volk te spreken. De populist wordt makkelijk gediskwalificeerd als een charlatan, een gemakzuchtige denker die kroegwijsheden inhaleert en ze als de grote waarheid weer uitspuugt. Maar ook populisten komen in soorten en maten. Wat hen meer dan andere intellectuelen kenmerkt is dat zij hun succes vooral danken aan hun vermogen sluimerende ongenoegens om te zetten in een nieuw, vaak defensief wij-gevoel, wij autochtonen, wij gewone Nederlanders, et cetera. Toch zijn populistische intellectuelen minder eendimensionale figuren dan zij op het eerste gezicht vaak lijken. Ik hoef maar te verwijzen naar het complexe, tegenstrijdige personage van Pim Fortuyn, dat soms de geestelijke aristocraat leek te spelen, dan weer de antipolitieke man-van-het-volk, en dat zelfs trekjes van intellectuele zelfhaat vertoonde. Maar belangrijker is misschien dat Fortuyn minder leek op de klassieke volksmenner uit de eerste helft van de 20ste eeuw, en meer op een typisch idool van de huidige snelle en fragmentarische beeldcultuur, en in die laatste betekenis geeft hij zowel politiek als intellectueel te denken.
Waarmee ik tot slot bij een vierde type intellectueel aanland dat al een beetje in de eerste drie portretten doorschemerde. Ik wil hier niet zozeer nog een etiket plakken, als wel een bepaalde houding onder woorden brengen. En ik wil die houding contrasteren met de heldenrol die Frits Bolkestein aan het eind van zijn betoog aan André Gide toeschreef: Gide koos uiteindelijk voor de waarheid en daarmee ook voor de politieke eenzaamheid. Ook de filosofe Martha Nussbaum verdedigde ooit de ware kosmopolitische intellectueel die eenzaam haar weg gaat in een wereld van bekrompenheden en vooroordelen. Maar waarheid is een te algemene waarde om toe te vertrouwen aan één culturele categorie, de intellectuelen. Het streven naar waarheid maakt deel uit van zeer veel, zo niet alle talige activiteiten. Als we de waarheid aan de intellectueel overlaten, dan suggereren we dat de rest van de bevolking een zootje leugenaars is, of dat alle anderen zich structureel vergissen of in onwetendheid leven. Nee, als je goed kijkt naar wat intellectuelen eigenlijk doen, dan zou je de meest interessante en meest pregnante hedendaagse intellectuele houding kunnen omschrijven als een mixture van drie cruciale bezigheden:
- intellectuelen zijn voortdurend op zoek naar verschillen, en daarmee naar conflicten, naar tegenstrijdigheden in de al te homogene verhalen van de politiek, de machthebbers en de bestuurders, maar ook naar de ongehoorde verhalen van machtelozen, van gewone Nederlanders zonder stem tot en met ongewone Nederlanders zonder burgerrechten;
- intellectuelen zijn daarnaast voortdurend op zoek naar gemeenschap en collectieve identiteit, maar niet langer die van een Nieuwe Mens; de collectieve idealen van hedendaagse intellectuelen sluiten doorgaans veel prozaïscher en conservatiever aan bij de lokale, nationale, etnische of seksuele tradities en praktijken waarvan zij zelf deel uit maken; in die zin zijn intellectuelen minder voorhoede dan ooit tevoren en ook etnocentrischer dan ooit tevoren; ze lijken daarin soms net politici;
- intellectuelen zijn tenslotte op grond van hun wetenschappelijke, artistieke of journalistieke professies voortdurend bezig met het vernieuwen van de taal, het experimenteren met woorden, zinnen en hele vocabulaires; in die betekenis moeten we een rapper als Eminem eigelijk evenzeer een intellectueel noemen als een tot het Griekse erfgoed bekeerde rechtsfilosoof als Andreas Kinneging. Allebei halen ze het dominante liberale en humanistische vocabulaire omver.
Zoals de realiteit te mooi is om haar aan de realisten over te laten, zo is de waarheid te mooi om haar toe te vertrouwen aan onze intellectuelen. Realisten zijn vaak teleurgestelde of gemankeerde intellectuelen, intellectuelen evenzo vaak partijdige burgers die zich boos en verontwaardigd van de politiek afkeren. Maar dat maakt ze niet zozeer tot nuttige idioten als wel tot lastige drammers en zeurkousen die iets anders op de agenda willen stellen dan de bestuurders, partijleiders, bobos en bonzen willen. De democratie bestaat dankzij dit soort drammers, zeurkousen, warhoofden, idealisten, mopperkonten en gevaarlijke outsiders. Zij zijn nog steeds te vinden aan de universiteiten, hoewel zij daar in toenemende mate onderworpen worden aan de druk van de corporate identity en van de maatschappelijke relevantie van de innovatieplatforms van de huidige regering, en anders wel aan de druk van de Amerikaanse citation indexes. Als die druk te groot wordt zullen we de intellectueel als registrator van verschillen, als verdediger van cruciale gemeenschapsidealen of als vernieuwer van onze taal straks alleen nog in het wild kunnen aantreffen.... laten we de stichting Natuurmonumenten maar alvast waarschuwen!
René Boomkens is hoogleraar sociale en culturele filosofie aan de Rijksuniversiteit Groningen.
