Acht drogredenen over de strijd tussen de generaties
In een oorlog is de waarheid meestal het eerste slachtoffer, zo luidt een bekend gezegde. Hoewel de oorlog tussen de generaties, de strijd tussen jong en oud nog niet eens echt is losgebarsten, doen er al tal van afschrikwekkende verhalen over de tegenpartij de ronde. Ouderen beschermen puur hun verworven rechten, hebben hun hele leven al geprofiteerd en gaan daar rustig mee door. Hoewel zij vitaler zijn dan ooit - of misschien juist wel daarom - willen zij steeds eerder stoppen met werken. Bovendien zadelen zij de jongeren op met de last van een enorme staatsschuld. Ouderen denken alleen aan zichzelf. Jongeren, zo horen we van de andere kant, zijn steeds individualistischer en steeds minder bereid tot solidariteit met ouderen. Als straks de babyboomers met pensioen zijn staan de werkgevers te dringen om hen binnen te halen, zodat de jongeren kunnen vragen wat ze willen. Maar hoewel zij het materieel aanzienlijk beter zullen hebben dan hun ouders, klagen zij steen en been. Zij denken alleen aan zichzelf.In een poging de waarheid te achterhalen over de relatie tussen de generaties wil ik acht veel gehoorde beweringen de revue laten passeren. Acht beweringen die bij nadere beschouwing drogredenen blijken te zijn.
1. Het is onvermijdelijk dat we langer doorwerken
Honderd jaar geleden werkte een doorsnee man vijftig jaar lang meer dan zestig uur per week. Daarna had hij, als hij geluk had, nog een jaar of tien om zijn oude dag in armoe te slijten. Tegenwoordig werken de meeste mannen niet meer dan veertig jaar lang nog geen veertig uur per week, nog afgezien van een fors aantal vakantie- en andere vrije dagen. Daarna kunnen zij gemiddeld nog een jaar of twintig van een comfortabel pensioen genieten. Honderd jaar geleden stonden er tegenover ieder jaar pensioen dus vijf jaar zestig uur per week werken, tegenwoordig volstaan twee jaar van veertig uur per week, dat is iets meer dan een kwart daarvan. Deze verandering illustreert de grote welvaartsstijging die in de achter ons liggende eeuw is gerealiseerd. Die welvaartsstijging hebben we dus niet alleen benut om meer materieel bezit te verwerven, maar vooral ook meer vrije tijd – zowel tijdens als na ons werkzame leven.
Er is geen enkele reden waarom we deze keuze in de toekomst niet meer zouden kunnen maken. Als de welvaartsstijging zich voortzet – en alle economische prognoses gaan daarvan uit – kunnen we ervoor kiezen om deze voor een deel te gebruiken voor meer vrije tijd, hetzij gedurende ons werkzame leven – kortere werkweek, langere vakanties, sabbatical – hetzij na afloop daarvan. Of we ons dat kunnen permitteren hangt niet af van de economische mogelijkheden, maar van de vraag of we bereid zijn daarvoor de prijs te betalen in de vorm van een iets minder sterke stijging van ons besteedbare inkomen. In de afgelopen eeuw hebben we die keuze steeds in het voordeel van meer vrije tijd laten uitvallen. Waarom zou dat in de toekomst ineens niet meer kunnen?
2. Een overgangsregeling verzacht de pijn
Als we toch vinden dat we in de toekomst langer moeten blijven werken – zoals gezegd is dat niet onvermijdelijk, maar we kunnen die keuze maken – dan is dat wat sneu voor de huidige oudere werknemers, die er steeds op hebben gerekend dat zij eerder zouden kunnen stoppen met werken. Daarom trachten vakbonden de pijn te verzachten met een overgangsregeling. De CAO voor rijksambtenaren is daar een mooi voorbeeld van. De oudste werknemers behouden hun rechten, voor de iets minder oude werknemers komt er een overgangsregeling en de jongeren vallen onder de nieuwe regeling waarin zij geheel zelf voor hun prepensioen moeten sparen. Zo hoeft niemand veel pijn te lijden, is de redenering. Dat is wel waar, maar het betekent natuurlijk niet dat er in totaal minder pijn wordt geleden. De pijn wordt alleen over een grotere groep gespreid. Daar valt veel voor te zeggen, gedeelde smart is halve smart, nietwaar? Maar het betekent wel dat jongeren moeten meebetalen aan een regeling waarvan ze zelf nooit gebruik zullen kunnen maken. De vakbonden zouden daarvoor eerlijk moeten uitkomen.
Er is slechts één mogelijkheid om de pijn werkelijk te verzachten. Dat is de bestaande regelingen voor prepensioen in stand houden, zodat ook de jongeren er later nog gebruik van zullen kunnen maken. Dit is mijns inziens een heel aantrekkelijke optie – maar temidden van de huidige oorlogsretoriek maakt deze geen schijn van kans.
3. De staatsschuld vormt een zware last voor toekomstige generaties
Iedere nieuwe Nederlandse staatsburger wordt geboren met een schuld van ruim 15.000 euro. Dat heeft ie te danken aan het feit dat de Nederlandse regering in de meeste jaren meer uitgeeft dan ze aan belastingen en andere inkomsten ontvangt. Naast de oplopende kosten van de vergrijzing moet de toekomstige generatie dus ook nog eens opdraaien voor de rente en aflossing van deze schuld. Om de kosten van de vergrijzing dragelijk te houden is het dus gewenst om de staatsschuld zo snel mogelijk af te lossen. Deze veel gehoorde redenering is ook officieel regeringsbeleid, al doet ook voor dit kabinet de economische nood wet breken.
De zogenaamde last van de staatsschuld is echter een schijnlast. Tegenover de schuld van iedere baby staat immers ook een claim. Anders gezegd, de toekomstige generatie moet niet alleen rente en aflossing betalen, maar is tegelijkertijd ook de ontvanger van die rente en aflossing. Sowieso is het logisch onmogelijk dat de huidige generatie geld leent van de toekomstige generatie die er nog niet is. Hoe kunnen immers toekomstige burgers bijdragen aan collectieve voorzieningen die we in het verleden hebben geleverd? Dit is overigens geen pleidooi om de staatsschuld verder te laten oplopen. Immers, juist omdat we de lasten niet kunnen afwentelen op de volgende generatie, moeten we ze toch zelf financieren. Dus waarom zouden we dat niet doen door er gewoon voldoende belasting voor te heffen?
4. De solidariteit tussen jongeren en ouderen moet wederkerig zijn
De solidariteit van jongeren met ouderen kan alleen stand houden als de ouderen ook solidair zijn met de jongeren. De solidariteit tussen jong en oud moet dus van twee kanten komen, zo valt regelmatig te beluisteren. Als deze opvatting een halve eeuw geleden gemeengoed zou zijn geweest, dan was de AOW er nooit gekomen. Vanaf 1957 kreeg immers iedere 65-plusser recht op een staatspensioentje, hoewel hij er nooit voor betaald had: de jongeren betaalden voor de ouderen, zonder dat de ouderen daar iets tegenoverstelden. Het principe van intergenerationele solidariteit houdt dan ook niet in dat er sprake is van wederkerigheid tussen twee opeenvolgende generaties. Nee, het principe houdt veeleer in dat er sprake is van een in beginsel oneindige keten van solidariteitsrelaties tussen volgende en voorgaande generaties. De solidariteit van de jongere met de oudere generatie berust op de verwachting dat de toekomstige generatie weer solidair zal zijn met de huidige jongere generatie, enzovoorts. Het gaat er dus niet om of de huidige jongeren meer of minder bijdragen aan de oudedagsvoorzieningen dan de huidige ouderen. Nee, het gaat er in de eerste plaats om of de huidige jongeren niet alleen bijdragen aan die voorzieningen maar er in de toekomst ook zelf van zullen profiteren doordat de jongeren van dan er eveneens aan zullen bijdragen. Daarom is het zo gevaarlijk als die intergenerationele solidariteit ter discussie wordt gesteld. Als de keten eenmaal wordt verbroken en het vertrouwen dat de volgende generatie daaraan even goed zal bijdragen als de huidige generatie verdwijnt, is het bijna onmogelijk hem weer te herstellen.
5. Ouderen moeten van hun eigen spaargeld leven
De oplopende kosten van de vergrijzing zouden geen probleem zijn als iedere generatie maar voldoende spaart om de voorzieningen waarvan zij in de toekomst gebruik wil maken te financieren. Dan worden de lasten immers niet op de volgende generatie afgeschoven. Dit klinkt heel logisch, maar is het bij nader inzien toch niet. Spaargeld kun je immers niet opeten. En je spaargeld kan je niet verzorgen als je hulpbehoevend ben. Daarvoor heb je mensen nodig die bereid zijn jouw brood te bakken en je bed te verschonen. Als we zoveel mogelijk sparen om van een comfortabele oude dag verzekerd te zijn, lijken we op koning Midas die dacht dat hij het hoogste geluk zou bereiken als alles wat hij aanraakte in goud zou veranderen.
6. Ouderen betalen de kosten van de vergrijzing zelf
Bert de Vries heeft in zijn moedige boek Overmoed en onbehagen berekend dat de ouderen de kosten van de vergrijzing, d.w.z. de stijgende uitgaven voor de AOW en de gezondheidszorg, zelf betalen doordat zij meer belasting zullen gaan afdragen. Boekhoudkundig is dat juist. Maar de vraag waar het echt om draait is natuurlijk: wie brengt het inkomen van die ouderen op waarover zij die belasting betalen. Dat inkomen moet, linksom via de AOW-premies of rechtsom via de pensioenen, door de werkenden worden verdiend. Dus ook als de ouderen hun eigen AOW betalen, wordt die feitelijk toch door de jongeren opgebracht.
7. De babyboomers hebben altijd goed voor zichzelf gezorgd
Tja, de babyboomers hebben steeds van alles geprofiteerd: van de groeiende welvaart na de wederopbouw, van de uitdijende verzorgingsstaat, van de volledige werkgelegenheid en van de regelingen voor vervroegde uittreding. En nadat zij ervan geprofiteerd hadden, werd het allemaal minder: stagneerde de economische groei, liep de werkloosheid op, werd de verzorgingsstaat versoberd en de VUT afgeschaft.
Maar ten koste van wie hebben zij eigenlijk geprofiteerd? Waren het niet diezelfde babyboomers die in de jaren tachtig de hoogste belastingen ooit betaalden? Hebben de babyboomers niet de AOW gefinancierd van hun ouders, die daarvoor nog nooit premie hadden betaald? En hebben zij in de jaren tachtig en negentig niet vooral de aan hen voorafgaande vooroorlogse generatie in staat gesteld na een leven hard werken het arbeidsproces voortijdig via de VUT te verlaten?
Kortom, is niet het belangrijkste verschil tussen de babyboomers en de jongere generatie dat er in het verleden veel meer maatschappelijk draagvlak was dan tegenwoordig om een royaal stelsel van publieke voorzieningen in stand te houden en daarvoor ook belastingen af te dragen? Met andere woorden, als de jongere generatie jaloers is op de babyboomers, zouden zij vooral moeten pleiten voor hogere belastingen om daarmee allerlei voorzieningen in stand te houden of uit te breiden waar zij de babyboomers om benijden.
8. Er komt een strijd tussen de generaties
Het grootste risico dat de solidariteit tussen de generaties bedreigt is het geloof dat deze solidariteit niet langer te handhaven is. De onvermijdelijkheid van een strijd tussen de generaties berust voornamelijk op drogredeneringen. Maar als deze maar voortdurend worden herhaald en ook door gezaghebbende personen worden uitgedragen, gaat op den duur bijna iedereen er in geloven. En dan is het niet denkbeeldig dat de strijd alsnog losbarst, een strijd die uiteindelijk alleen verliezers zal kennen – zowel ouderen als jongeren –, doordat hooggewaardeerde voorzieningen onnodig worden afgebroken uit angst dat alleen de andere partij ervan zal profiteren.
Concluderend: het is waar dat de vergrijzing de kosten van de verzorgingsstaat zal doen oplopen. En die kosten komen uiteindelijk op de schouders van de werkenden terecht. Maar het is even waar dat we die stijgende kosten zonder veel problemen kunnen opvangen. We zijn immers een van de welvarendste landen ter wereld en er is alle reden om te verwachten dat de (materiële) welvaart de komende decennia alleen nog maar groter zal worden – zij het misschien in een wat minder hoog tempo dan we in het verleden gewend waren. In beginsel kan iedereen – jong én oud – er in de toekomst dan ook op vooruitgaan. De belangrijkste voorwaarde daarvoor is dat de jongeren bereid blijven de stijgende lasten op te brengen in de verwachting dat zij in de toekomst ook van de voorzieningen van de verzorgingsstaat gebruik kunnen maken. In die zin is er geen sprake van een (belangen)conflict tussen de generaties. Maar als jongeren hun vertrouwen in de houdbaarheid van verzorgingsstaat verliezen en daarom niet meer bereid zijn er voldoende aan bij te dragen, zullen niet alleen de huidige ouderen de verliezers zijn, maar ook de jongeren zelf, die dan op langere termijn niet meer op de solidariteit van de na hen komende generatie hoeven te rekenen.
