Geef de ouders maar weer de schuld
In 1999 zorgde journalist Rutenfrans voor ophef met een artikel in Trouw onder de provocerende kop `Onze cultuur is de beste. Afgezien van de kop was de strekking niet veel anders dan die van het recente stuk van Luyten in Waterstof: het overlastgevende en criminele gedrag van Marokkaanse jongens is voornamelijk toe te schrijven aan de Marokkaanse cultuur, zoals deze mede tot uiting komt in de opvoeding. En de remedie is overname van een in Nederland beter werkend opvoedingsmodel. Rutenfrans, fervent aanhanger van het zeggen waar het op staat (dat dus al vóór Fortuyn furore maakte), toonde zich een culturalist avant la lettre. In het post-Fortuyn-tijdperk kijken we niet meer zo op van harde woorden over migranten en hun nazaten. En het culturalisme als visie op problemen van en met hen is inmiddels omhelsd door de overheid, zoals de commissie Blok liet zien, evenals assimilationisme als oplossing ervan. Ik was het niet eens met Rutenfrans en ben het niet eens met Luyten, ook al past haar betoog goed in het nieuwe politiek correcte straatje.Dit wil niet zeggen dat ik haar relaas op onderdelen niet waardeer. Er is zeker sprake van pedagogische onmacht bij ouders. In mijn onderzoek uit 2003 naar overlastgevend gedrag bij jongens van Marokkaanse herkomst werd dat ook door de jongens zelf volmondig beaamd. Maar Luyten slaat de plank mis als zij stelt dat ouders hun Nederlandse kinderen opvoeden met hun uit Marokko meegenomen pedagogische gereedschapskist. Luyten fixeert met deze uitspraak zowel de kinderen (in een Nederlandse culturele identiteit) en de ouders, die met verouderd gereedschap zouden werken (in een Marokkaanse identiteit). Haar beeldspraak is bovendien weinig adequaat, want opvoeding, als een vorm van sociaal gedrag, is veranderlijker dan gereedschap. Uit verschillende opvoedingsonderzoeken blijkt dat de opvoeding in gezinnen van Marokkaanse herkomst minder stagneert dan beeldvorming ons wil doen geloven. Meestal gaat het om veranderingen in de richting van meer openheid en een betere begeleiding van kinderen. Inmiddels kent ook de Marokkaanse gemeenschap gezinnen van de zogenaamde achterbankgeneratie, waarvan de ouders na schooltijd van hot naar her rijden om hun nageslacht een zo educatief verantwoord mogelijke opvoeding te geven. Soms raakt het gezin echter in een negatieve spiraal en kunnen traditionele manieren van handelen in de migratiecontext perverteren. Vaders kunnen verharden en verstarren in hun aanpak omdat zij statusverlies lijden als kostwinner en gezagsdrager, zij bang zijn om hun kinderen te verliezen aan de Nederlandse samenleving of omdat zij de ondersteuning missen van het informele netwerk dat zeker op het Marokkaanse platteland nog als mede-opvoeder functioneert. Moeders zijn, zoals ook Luyten laat zien, in de dagelijkse praktijk meer betrokken bij de kinderen. De laatsten proeven van de vrijheden die Nederlandse kinderen genieten. Moeders groeien meer met hen mee en kunnen er toe komen hun doen en laten voor de vaders te verzwijgen. Dit alles kan leiden tot ernstige gezagsproblemen in het gezin. Gemarginaliseerde jongeren komen vrijwel altijd uit gezinnen waar sprake is van dergelijke ernstig verstoorde relaties. De opvoeding blijft dus inderdaad in gebreke, maar het moet duidelijk zijn dat daar een heel proces aan is voorafgegaan, dat niet eenvoudig te herleiden is tot `de cultuur van Marokkanen. Vergelijkend onderzoek duidt er op dat de hogere criminaliteit onder Marokkaanse jongens, vergeleken met Turkse jongens, verband kan houden met de sterkere oriëntatie van de eersten op Nederland en hun hogere mate van individualisering, terwijl de laatsten meer opgevangen worden - en ook gevangen zitten - binnen netwerken van landgenoten. Juist verandering kan Marokkaanse jongens dus kwetsbaar maken. Overigens valt Luyten, evenals commentator Werdmölder, aan te wrijven dat ze nergens vergelijkende gegevens aanvoert. Beiden componeren een Marokkaanse crimi, terwijl de aangevoerde problemen van cultuurverschil en pedagogische onmacht voor meer groepen opgaan.
Luytens voorstelling van zaken is ook op andere punten te simplistisch. Zij hanteert impliciet een ketenmodel, waarin een onmachtige opvoeding leidt tot psychische problemen, die op hun beurt leiden tot wantrouwen. Hiermee rechtvaardigen jongens een agressieve houding, wat aanleiding geeft tot afwijzing vanuit de omgeving. Vervolgens kan dit resulteren in vroegtijdig schoolverlaten en moeite om werk te vinden. Ziedaar de omstandigheden die de geboorte van de crimineel inluiden. Uiteindelijk is alle sores dus terug te voeren op de opvoeding. Uit onderzoek weten wij echter dat leerkrachten jegens Marokkaanse jongens selectief afwijzend gedrag kunnen vertonen en meer in het algemeen nog erg onhandig zijn in het omgaan met de spanningen en dilemmas van het multicultureel samenleven. Bovendien hebben Marokkaanse jongeren het meest te maken met stigmatisering en afwijzing als allochtoon en/of moslim (in een land dat inmiddels internationaal op kop loopt in islamofobie). Zij hebben - met andere allochtone jongeren - minder maatschappelijk perspectief (discriminatie op de arbeidsmarkt (stages!) en wonen dikwijls in stadswijken waar de sociale en economische problematiek zich opstapelt. Marokkaanse jongeren lopen een meer dan gemiddeld risico om in aanraking te komen met mensen die het opgegeven hebben of met leeftijdgenoten die hen wegwijs kunnen maken aan de zelfkant van de maatschappij. Hiermee zijn een aantal centrale factoren genoemd die, naast de opvoeding, ook prominent figureren in criminaliteitstheorieën: ontbrekend maatschappelijk perspectief, binding aan school, buurt en werk, en socialisatie onder leeftijdgenoten.
Hoe aantrekkelijk ook in zijn eenvoud, de oplossing kan ook op andere gronden niet alleen bij de opvoeders gezocht worden. Gezinstherapie vormt mede om de redenen die Werdmölder noemt niet het panacee. Marokkaanse ouders, zeker uit de lager opgeleide eerste generatie gezinnen waar het merendeel van lastige en criminele jongens vandaan komt, zijn bepaald niet geneigd tot psychologiseren. En voor paternalisme en beschavingsdrang zijn ze, zeker als deze van Nederlandse zijde komen, overgevoelig. Voor we het weten krijgen we opnieuw bewijs van de vermeende onbereikbaarheid van deze categorie gezinnen voor onze hulpverlening. Hulp kan alleen maar wortel schieten als er ook geluisterd wordt naar de probleemervaringen van de betrokkenen en naar hun ideeën over de oorzaken en aanpak daarvan. Maar minstens even belangrijk vind ik dat gezinstherapie slechts aangrijpt op één domein en de andere buiten beschouwing laat. Zelf ben ik daarom meer geporteerd voor de Multi System Therapy, overigens óók uit Amerika overgewaaid. In deze benadering worden de andere relevante domeinen eveneens betrokken, zoals de school, leeftijdgenoten, buurtbewoners of het werk. Ook deze therapie moet overigens haar waarde voor gebruik in allochtone kring nog bewijzen en zal falen als de professionals top down blijven werken.
En dan hebben we het nog niet gehad over de psychiatrische problematiek, die, zoals Werdmölder naar voren brengt, bij Marokkanen buitenproportioneel groot is. De omschrijving in gedragstermen van deze problematiek lijkt overigens sterk op die van de psychische problemen in Luytens artikel. Werdmölder vermeldt dat de oorzaken onduidelijk zijn, om in het vervolg van zijn betoog nogal tegen de door Luyten opgevoerde verklaring van het cultuurverschil aan te schurken, en haar oplossing van aanpassing van opvoeders te omarmen. Volgens de huidige stand van de wetenschap is het volstrekt onjuist om de oorzaak van psychiatrische problematiek, zoals schizofrenie, te zoeken in de opvoeding in het gezin. Dergelijke problematiek heeft een genetische basis. Opvoeders van een kind met zon aandoening hebben het zeer zwaar. Hun houding ten op zichte van deze problematiek zal er vast wel toe doen en zij kunnen ook de nodige ondersteuning gebruiken, maar een opvoedingsgerichte benadering lijkt mij niet het eerst aangewezen. Wat mij betreft doen zowel Luyten als Werdmölder te ijverig mee in het koor van degenen die een beschavingsoffensief via de opvoeders propageren.
Trees Pels is onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en auteur van Respect van twee kanten: een studie over last met Marokkaanse jongeren (2003) Assen: Van Gorchum
