o heer, indien gij mij heden vragen zou
Yunus Emre (vertaling: Buğra Giritlioglu en Christian Jongeneel) -
Honderden dorpen verspreid over Anatolië claimen de geboorteplaats te zijn van Yunus Emre, de dichtende derwish. Zijn geboortejaar wordt geschat op 1240, zijn sterfjaar tachtig jaar later, maar er zijn ook mensen die beweren dat hij nooit bestaan heeft, dat hij slechts de verpersoonlijking is van een traditie, zoals Homerus en Zarathustra. Hoe het ook zij, hij staat in het collectieve Turkse geheugen gegrift als een zwerver die van dorp tot dorp trok om bevreemdende maar wijze woorden rond te strooien.
Als derwish behoort Yunus tot de mystieke sufi-stroming van de islam. Deze kenmerkt zich door een streven om zo dicht mogelijk bij God te komen door tot jezelf door te dringen. Daarbij hoort een onthechte levensinstelling, in Yunus poëzie herkenbaar door de vele mijmeringen over de dood en de zinloosheid van het leven. Tegelijkertijd komt de derwish zo dicht bij God dat hij hem als Vriend aanduidt en soms zelfs beschuldigende woorden tot Hem richt. In die vriendschap, in die wrevel blijft de liefde voor God centraal staan, een liefde die alleen maar destructief kan zijn.
Yunus poëzie is op klassieke wijze stijlvast, zoals het hoort bij van oorsprong orale poëzie. Het metrum is strak, met een vast aantal lettergrepen per strofe. Het eindrijm is strak en komt voor naast beginrijm, alliteraties en andere klankspelen. Herhaling van strofes draagt bij aan de cadans. De vertaling handhaaft alleen de basis van de cadans, om Yunus zoveel mogelijk bij deze tijd te laten aansluiten.
Gedicht en commentaar zijn afkomstig uit de religie-special van het recente nummer van het literaire tijdschrift Krakatau (www.krakatau.nl).
Yunus Emre - o heer, indien gij mij heden vragen zou
O Heer, indien Gij mij heden vragen zou
Ziehier, zo zou mijn antwoord aan U luiden:
Ik heb mijzélf gekweld, ik heb gezondigd
Wat heb ik misdaan, U aangedaan, mijn Heer?
Eer ik hierheen kwam, sprak U reeds kwaad van mij
Eer ik het licht zag, heette ik opstandig
Verzet schreef U mij toe sinds de eeuwigheid (wreef u mij aan)
De wereld zette U luid tegen mij op
Was ik het die mijzelf schiep, U schiep mij toch?
Hoe zond u mij zo onvolmaakt, o Rijke?
Toen ik mijn blik opsloeg, zag ik een gevang
Van zelfzucht vol, door Satan ingegeven
Opdat ik gekerkerd niet van honger stierf
At ik van alles, zuiver en onzuiver
Heb ik aan U ooit een bezit onthouden?
Heb ik aan Uw gezag ooit iets onttrokken?
Heb ik Uw hongerrantsoen U ontnomen?
Heb ik tot wanhoop U Uw maal ontstolen?
Een haardunne brug legde U voor mij neer
Passeer, duidde U, red je maar uit mijn val
Maar hoe loopt een mens op een haardunne brug?
Hij valt, houdt zich vast of hij zweeft overheen
Uw slaven bouwen bruggen onbaatzuchtig
Om mensen gerust te laten passeren
Stevig dienen de fundamenten te zijn
Dat passanten spreken van het rechte pad
Een schaal zet U neer om zelfzucht te wegen
Uw oogmerk is in het vuur mij te werpen
Maar een schaal is vereist voor een winkelier
Een koopman, een handelaar, een kruidenier
Want zonde, als onzuiverst onzuivere
Is, voor Uw troon, het loon van onwaardigen
Het betaamt U genadig af te dekken
Wat nut het U onzuiverheid te wegen?
Als U zegt: laat mij jou werpen in het vuur
Toon het verschil tussen mij en mijn Vennoot
Het ligt in uw macht zonden weg te leiden
Is het geen weldaad te handelen om niet
Kijkt U maar toe, terwijl ik plezierig brand
God behoede ons voor U, Heer van het al
U bent alwetend, kent mijn gesteldheid goed
Wat nut het U mijn daden af te wegen?
Is Uw wraak niet volbracht, door mij te doden
Te verteren, met stof mijn oog te vullen?
Is U dan door Yunus ooit iets aangedaan?
U zou het weten, zichtbaar of verborgen
Waarom zoveel leegpraat tot een handvol stof,
O Goedertierene en Glorierijke?
(vertaling: Buğra Giritlioglu en Christian Jongeneel)