Lof der zelfbeheersing
Dag na dag woedt de oorlog van allen tegen allen in een keurig aangeharkt Nederland. Op tienduizenden kruispunten tegelijk overtreden fietsers, voetgangers en automobilisten verkeers- en fatsoensregels. Zelden lijken ze zich bewust van de hinder die ze voor anderen veroorzaken; wanneer we het weten, dan boeit het niet. Met als resultaat levensgevaarlijke situaties en een veelvoud aan stress en woede, maar ook een monumentale bevestiging van het Hobbesiaanse mensbeeld. Eerst en vooral aan jezelf denken... en als je de ander al waarneemt, dan is deze ófwel een middel tot je doel of - veel vaker nog - een obstakel onderweg daarheen.Overdreven, dat beeld van een oorlog? Absoluut. En toch is de teloorgang van de zelfbeheersing in het verkeer een veel tastbaarder realiteit dan de oorlog in Irak of de dreiging van terreur. De kans dat een willekeurige Nederlander daarbij betrokken raakt, is zo goed als nihil. De hufterigheid daarentegen – op zichzelf al een woord dat in grofgebektheid perfect weerspiegelt wat het aanduidt – kijkt hij elke ochtend in de ogen. Zo niet op straat, dan wel in de spiegel. Naast asociaal verkeersgedrag zijn er immers nog vele andere vormen van onbeheerstheid terug te vinden in ons leven. Op het werk, in onze dagelijkse dosis Reality TV, in het gezagsloze slagveld tussen studenten en docenten. Ja, waar eigenlijk niet?
Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om zelfbeheersing, begrepen als het bedwingen en zelfs onderdrukken van verliefdheid, afgunst of welke andere aandoening dan ook. Het betreft evenmin het braaf uitvoeren van hetgeen ons van hogerhand aan normen wordt opgelegd. Wanneer ik over zelfbeheersing spreek, zie ik haar allereerst horizontaal: in de verhouding tussen onszelf en de mensen om ons heen. Daar – in onze bereidheid rekening te houden met anderen, sterker nog bij het louter bewust zijn van hun aanwezigheid – lijken de grenzen zoek, dan wel onvoorstelbaar ver opgerekt. Of, om de woorden te gebruiken die psychoanalytica Alice Miller ooit wijdde aan het miskende kind: we weten niet meer waar we zelf ophouden en de ander begint.
Waar liggen de oorzaken en oplossingen voor deze hedendaagse hufterigheid? Vanaf de rechterflank wordt de schuld gelegd bij de erfenis van de jaren zestig: antiautoritaire opvoeding, eindeloos gedogen, en pamperen van paupers en proleten. Het antwoord: dwang en disciplinering. Tucht is God, en Zijn profeet heet... Theodore Dalrymple. Vanuit links wordt juist verwijtend gewezen naar de tucht van de markt, die tot doorgeschoten individualisering en consumentisme heeft geleid. Met Koning Burger (aldus GroenLinks-senator Jos van der Lans) als resultaat. De oplossing ligt dan logischerwijs in herleving van solidariteit, met een prominente rol voor een gehumaniseerde overheid. Beide analyses scoren een punt, en misschien wel meer dan één. Maar te weinig confronteren zij de onbeheerste individuen die wij vaak zelf zijn met onze eigen tekortkomingen. Een blik in de spiegel is echter wel degelijk op zijn plaats. Niet alleen om individueel overeind te blijven, maar ook om samen de vele andere problemen aan te pakken die er buiten het gebrek aan zelfbeheersing bestaan.
De moderne marktsamenleving Nederland produceert veel welvaart. Ze biedt ook een stevige werkdruk, met erbovenop een eis van flexibiliteit die voor de doorsnee werknemer eerst en vooral neerkomt op onzekerheid. Geen wonder dat nogal wat mensen wanneer er zoveel van hen geëist wordt, van zichzelf niet méér willen vragen aan inlevingsvermogen, verantwoordelijkheid of zelfs maar aandacht voor anderen. Dit is bepaald geen lot voorbehouden aan sneue kantoorklerken of onbeholpen arbeiders. Juist veel managers zijn de gevangenen van overvolle werkweken en overspannen ambities, waarvan ze maar al te vaak de eigenaar denken te zijn. Hetgeen de tol nog zwaarder maakt, aangezien ze dan ook het zichzelf verwijten als het allemaal niet lukt.
Het is de afgelopen tijd al vaker vastgesteld, onder meer naar aanleiding van het nieuwe zorgstelsel: we worden blootgesteld aan een overdosis aan informatie, keuzen en ambities. Of het nu gaat om overheidsbeleid, supermarkt en winkelcentrum, of de vele verlangens van je wederhelft en je kroost. Is het dan vreemd dat het rode stoplicht een te nemen hindernis is geworden, of een bron van ergernis; en dat hetzelfde geldt voor ieder die ons in de weg loopt? Het is het aldus ontstane tekort aan rust dat voor de meesten van ons veel schrijnender aanvoelt dan de ouderwetse, échte armoede. Met de natuurschaarste heeft de rustschaarste bovendien gemeen dat uiteindelijk niemand – hoe hoog zijn inkomen of opleiding ook is – zich er écht aan onttrekken kan.
Een tweede oorzaak van onbeheerstheid ligt in de vergaand afgenomen autoriteit van gebod en verbod; van kerk, staat en iedere andere vorm van wat we ooit als gezag aanwezen. Van der Lans wijst er in zijn boek Koning Burger op dat burgers zich de voorbije veertig jaar ontwikkeld hebben van onderdanen tot heersers. Wat daarbij wel aangetekend mag worden, is dat veel nieuwbakken vorstjes buitengewoon weinig macht aan de dag leggen over hun eigen doen en laten. Het zijn altijd de ánderen die moeten performen. Dat verkeerslicht, die regel, deze afspraak geldt nooit voor ons. En terwijl we vroeger voor rood stopten uit het gevoel dat dit nu eenmaal moest of uit ontzag voor oom agent, komen nu maar zelden mensen op het idee dat het misschien simpelweg aangenaam is om voorrang te krijgen, en evengoed om voorrang te geven. Dat was nu eenmaal de logica achter al die regels die door de regels zelf helaas aan het zicht onttrokken raakte: dat ze onafhankelijk waren van wie er voor het stoplicht stond, dat de ene keer jij het voordeel hebt, en dan een ander... met andere woorden dat ze berusten op het blinde vertrouwen van burgers in de overheid en in elkaar.
In plaats van dat sociale contract – en de inspanning die het soms vereist – heeft zich een tragikomische misvatting in de hoofden van nogal wat Nederlanders genesteld: het idee dat leven altijd leuk kan zijn. Het lijden uitgebannen, de kosten afgewenteld, en de lol gemaximaliseerd: ziedaar het leven van een burger die zo niet louter koning maar zelfs prins of prinsesje denkt te zijn. In tegenstelling tot pa en ma draagt die namelijk niet de last van de majesteitelijke verantwoordelijkheid. Probleem blijft dat in het echte leven altijd vroeg of laat dient te worden betaald. Er wordt opgeofferd, geleden en verloren, met de dood als definitieve nederlaag. Er wordt een rekening gepresenteerd, vaak te voldoen door de meest kwetsbaren onder ons. En de lol blijkt maar al te vaak leeg te zijn van werkelijke bevrediging en betekenis. Niet op de laatste plaats omdat paradoxaal genoeg plezier zowaar tot een nieuwe plicht verworden lijkt. Een plicht die nóg meer druk veroorzaakt, met meer frustratie ook wanneer ze niet wordt vervuld; en die hoe dan ook niet teveel behoeften van anderen verdragen kan. Eigen vreugde eerst...
Nu dit zich al enkele jaren uit in een burgerij die alsmaar woedend kankert op Den Haag, zonder ooit zelf zijn verantwoordelijkheid te nemen, is onbeheerstheid van een persoonlijk zowaar een politiek probleem geworden. Helaas lijken nogal wat politici zich ondertussen van geen kwaad bewust: misschien omdat ze zich blindstaren op alweer de volgende verkiezingen; of omdat ze oog in oog met diezelfde verkiezingen menen dat het politieke zelfmoord is om een deel van hun kiezers eens hartgrondig de waarheid te vertellen. Feit is dat behoudens Balkenende met een dan weer tamelijk onbestemd moralisme, zelden een politicus opstaat die Prins Burger de oren wast. De enkeling die het deed – Hans Dijkstal toen hij de kiezer als verwende diva typeerde – deed dat pas nadat hij eerst in de verkiezingen van 2002 door diezelfde kiezer was afgestraft. Waarop communicatieadviseur Ton Planken terecht constateerde dat Dijkstal wellicht gelijk had, maar dat de VVD-leider en zijn collegas jarenlang mensen ook niet op de consequenties van hun verlangens en eisen hadden durven wijzen. In die zin waren ze medeverantwoordelijk voor de vermeende divaneigingen.
De vraag is waar het herwinnen van de zelfbeheersing begint. Verwacht geen ander antwoord dan het jouwe, dichtte een dichter ooit. Voor dit fenomeen geldt dat des te meer. Ondanks alle moderne democratiseringsidealen, onttrekt ook de wereld van 2006 zich nadrukkelijk aan onze individuele invloed – met zijn grootschalige organisaties, globale milieuproblemen en grensoverschrijdende economie. Het enige dat redelijk door onszelf gecontroleerd kan worden, is ons eigen gedrag. Dus wordt het tijd dat we in ieder geval dáárvoor de verantwoordelijkheid nemen, met het stoïcijns soort zelfbeheersing dat bij uitstek geschikt lijkt voor deze tijd. Een stoïcisme dat de stress van de moderne samenleving kan hanteren, en temidden van alle turbulentie oog houdt voor anderen. Een zelfbeheersing die begint bij het individu, maar daar zelden eindigt. Omdat hoezeer je je ook oefent in onverstoorbaarheid, uiteindelijk de druk op ons allemaal samen dient te worden verlicht. Zo niet, dan wordt het zelfs de onverstoorbare eens te veel. En omdat de overmaat aan onrecht in de wereld om gevoelige stoïcijnen vraagt, die kalmte bezitten oog in oog met wat onvermijdelijk is, maar ook moed om te vechten voor wat wel degelijk te verbeteren valt.
Reden te meer dus voor professionele helden in de publieke sector (Van der Lans), of voor ministers en Kamerleden die de zin van de wetten en regels die ze hebben aangenomen, overtuigend presenteren aan de burgers. Desnoods dwars tegen de stemming van diezelfde burgers in. Dat vereist dan wel dat deze politici verder kijken dan het journaal van gisteren, de krant van vandaag of de verkiezingen volgend jaar. Ze zouden zich daarbij kunnen laten inspireren door de haveloze filosoof die ooit vanuit de ton waarin hij woonde Alexander de Grote uitdaagde, en stelde dat wie werkelijk wil regeren in de eerste plaats zichzelf meester zal dienen te worden. Het betekent ook een gedrag naar kiezers toe dat zich verre houdt van kruiperig- of hijgerigheid. Dit zouden politici als Bot, Pechtold en Veerman wel eens mogen beseffen wanneer zij het beleid van hun eigen kabinet bekritiseren, zonder daar de consequenties uit te trekken. Om vervolgens met ongeloofwaardige excuses te volstaan. De burger als potentaat (Bas Heijne) lijkt zo zn tegenvoeter te hebben gevonden in de bestuurder als castraat. Niet de meest potente politici.
Wat we niet van de politiek hoeven te vragen, is het autoritaire gezag van weleer. Maar ook burgers zelf hebben weinig reden zich opnieuw te geselen met dwang en discipline. Het is de juist de ijzeren en onbuigzame tucht die zelfbeheersing in de loop van de eeuwen zon slechte naam heeft gegeven. Niets was immers effectiever om mensen te disciplineren dan hun eigen geloof dat zonde naar de hel zou leiden en God alles zag. Zelfs dat wat in het geniep werd gedaan, onzichtbaar voor de ogen van gewone stervelingen. Internalisering als brave handlanger van de intimidatie, met frustratie maar al te vaak als resultaat. Uiteindelijk zullen mensen slechts kunnen beheersen wat ze werkelijk willen beheersen. Daarvoor moet er zicht zijn op bevrediging, voor henzelf wel in de eerste plaats. Dat uitzicht is er ook. De rust en het respect in de dagelijkse schermutselingen van het verkeer, het leren dat op scholen makkelijker wordt als elementair fatsoen aanwezig is, en de uiteindelijke politieke vertalingen van deze zelfbeheersing in bijvoorbeeld een duurzame groei die de belangen van latere generaties in ogenschouw neemt, of een eerlijke economie die grenzen stelt aan zelfverrijking. Zo kan bovendien een gevoel terugkeren dat mét de grote verhalen verdwenen leek: dat we deel uitmaken van een geheel, hoe individueel en autonoom we ons tegelijk ook weten.
De slechte verstaander zou het voorgaande kunnen samenvatten in vier woorden die precies passen op een keukentegeltje: fatsoen moet je doen. In het besef dat ik de term fatsoen zojuist nog heb gebruikt, zou dit niet mijn motto zijn. Hoe prettig het ook is als mensen zich fatsoenlijk gedragen: het gaat daarbij uiteindelijk toch slechts om de uiterlijke verschijningsvorm van een houding die veel dieper gaat, en veel specifieker is. De houding van wie zich afvraagt wat zijn gedrag voor anderen betekent, en zich bij dat gedrag ook aanpast aan die anderen. Met moeten heeft dit weinig te maken. Het draait bij zelfbeheersing niet om een deugd die van bovenaf of binnenuit wordt afgedwongen, en wel bij voorkeur met harde hand. Wie zich begrenst, ruilt het voordeel van het egoïsme of de onnadenkendheid in voor een ander voordeel... dat van een gedeeld plezier, met degenen die je het meest na staan of – als het zo uitkomt – met een volslagen vreemdeling.
Er is dan ook helemaal geen noodzaak voor de alternatieven van op dit moment modieuze denkers als Dalrymple, evenmin als voor de fundamentalisten en harde hand-populisten uit welke hoek dan ook: die op zedeloosheid en hufterigheid reageren met een ideaal van onhaalbare zuiverheid en het instrument van repressie. Met andere woorden: geen zelfbeheersing maar tuchtiging. Zon afgestoft moralisme veronderstelt bovendien dat sommigen een stuk beter dan anderen weten wat verheven dan wel verdorven is. Ik heb een dergelijke zekerheid niet, ik heb hoogstens een idee. Waarbij wel geldt dat een vicieuze cirkel van onbeschoftheid, wantrouwen en opnieuw onbeschoftheid kan worden omgezet in een wave van zelfbeheersing, vertrouwen en nog meer zelfbeheersing. Hoe? Door dit alles zélf te tonen, zonder frustratie en agressie, zonder overspannen verwachtingen ook. Je zult namelijk altijd mensen blijven tegenkomen die jou géén voorrang geven, of zich allerminst dankbaar tonen wanneer jij dat wél doet. Verwacht, opnieuw, geen ander antwoord dan het jouwe.
Dat is eveneens een antwoord op degenen die stellen dat het dus slechts om een individuele mentale kwestie gaat, van weinig gewicht tussen het grote geweld van deze wereld. De Hollandse hufterigheid mag dan niet zo levensbedreigend zijn als de échte oorlog in de straten van Bagdad of de sloppenwijken van Sao Paulo: ze is vervelend zat, en op de lange duur mogelijk minstens zo ontwrichtend. Misschien moeten de Olympische denkers onder ons eens gaan inzien dat maakbaarheid geen enkele reële waarde heeft wanneer individuen nooit op hun eigen gedrag worden aangesproken en er alleen maar beschuldigend wordt gewezen naar de maatschappij. Het kan geen toeval zijn dat in de ontgrensde en ontgrendelde wereld van de globalisering, ook de morele grenzen tussen mensen vervagen. Des te belangrijker dat we met zelfbeheersing deze grenzeloosheid ombuigen: en zo opnieuw ontdekken waar wijzelf ophouden, en waar de ander begint.
