Een links beschavingsoffensief
Tsjalling Swierstra en Evelien Tonkens -
Dat zozeer gekoesterde pluralisme heeft wel zijn prijs. Het begrip beschaving komt in een verkeerd daglicht te staan. Het kan niet langer zonder misprijzen in de mond worden genomen. Dat begrip suggereert immers het bestaan van misschien niet objectieve, maar toch minstens intersubjectief gedeelde maatstaven over wat een goed, geslaagd leven is, en wat niet. De gedachte alleen al dat zon standaard mogelijk zou zijn, is onverdraaglijk arrogant. Nog erger wordt het wanneer we serieus zouden pleiten voor een beschavingsoffensief. Dat is dubbelfout. Het combineert de pretentie dat men zelf weet hoe het goede leven eruit ziet, met een – potentieel gewelddadig – voornemen om ook anderen deze opvatting over het goede leven op te leggen. Voor hun eigen bestwil ook nog! En toch is dat precies waarvoor we hier willen pleiten: een Links Beschavingsoffensief.
Momenteel klinkt de roep op een beschavingsoffensief vooral bij conservatief-Rechts: van Jan Peter Balkenende tot Bart Jan Spruyt. Het gaat daarbij echter niet zozeer om het aanleren van een specifieke opvatting over het goede leven, maar vooral om de boodschap dat de burger zich moet houden aan bepaalde omgangsnormen. Links en liberaal Rechts moeten niets hebben van hun tegeltjeswijsheden. Onbeschaafd gedrag moet je afstraffen, niet moraliseren, vinden de liberalen. Wie de bijstandsmaatschappelijkwerker beledigt, krijgt geen uitkering en wie de conducteur bedreigt, mag de trein niet in.
Links op haar beurt vindt dat weer veel te hardvochtig. Zij heeft andere bezwaren tegen het beschavingsoffensief: het is blaming the victim. Niet zeuren over de kleine bijstandsfraudeur zolang de Grote Graaiers ongemoeid blijven. Pas als mensen daadwerkelijk hebben gekregen waar ze recht op hebben, aldus Links, valt er te praten over hun gedrag Tot die tijd is het een kwetsend excuus voor ordinaire bezuinigingsdrift en moralistisch paternalisme. Mensen aan de onderkant – wie anders zou de conducteur bespugen, denkt Links blijkbaar - hebben het al moeilijk genoeg. Stop met zeuren over fatsoenlijk gedrag maar zorg dat instituties mensen fatsoenlijk behandelen, aldus het nieuwe PvdA- beginselprogramma. Geef mensen toegang tot goede, betaalbare huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg, een baan, waar nodig een fatsoenlijke uitkering, en ze zullen zij zich vanzelf ontwikkelen tot goede burgers. Agressie in het openbaar vervoer? Niks beschaven, gewoon zorgen voor betere service en lagere prijzen. Huiselijk geweld? Meer opvanghuizen en zelfstandig verblijfsrecht voor vrouwelijke migranten. Problematische schulden? Verhoging van de koopkracht van de minima. Door te kiezen voor een focus op onrechtvaardige instituties, slaagt Links er in om zowel afstand te scheppen tot het paternalisme van conservatief Rechts als tot de hardvochtigheid van liberaal-Rechts.
De discussie over het beschavingsoffensief staat zo geheel in het teken van het herstel van normen en waarden. Dat is erg jammer. Beschaven is immers niet in de eerste plaats een kwestie van doen gehoorzamen aan gedragsregels, maar van het aanleren van vaardigheden. Uit angst zich de vingers te branden aan het suspecte begrip beschaving, laat Links wel de mensen in de steek waar ze voor zegt op te komen. Zo zou men de pointe kunnen samenvatten van de Britse psychiater Theodore Dalrymple in zijn recente veelbesproken boek Leven aan de onderkant. Een uitkering, rechten en voorzieningen voldoen vaak niet, aldus Dalrymple, omdat veel mensen de elementaire vaardigheden missen om daar goed gebruik van te maken. Steeds weer verschijnen dezelfde slachtoffers van mishandeling op zijn spreekuur, steeds weer dezelfde daders, steeds weer dezelfde drugsverslaafden en werklozen. Zij worden weer opgelapt, en geholpen aan een uitkering, schuldsanering, een huis - maar een paar maanden later zijn ze er weer, voor hetzelfde recept. Ze blijken niet in staat goed om te gaan met deze rechten en voorzieningen. Maar met die onmacht willen hulpverleners zich niet bemoeien, dat zou maar paternalistisch zijn. Wat ze eigenlijk doen, is mensen een rijbewijs geven zonder hen te leren rijden.
De mensen waar Dalrymple over schrijft missen de vaardigheden om zich doelen te stellen in het leven, om interesses te ontwikkelen die hen op en positieve, langdurige manier met andere mensen en met de samenleving zouden kunnen verbinden, en die uitnodigen tot uitgestelde behoeftebevrediging en zelfbeheersing. Hoewel ze het misschien heel druk hebben, lijden ze onder een enorme verveling. Geweld (plegen of ondergaan) en drugs zijn hun voornaamste afleiding. Gruwelijk, geven ze toe, maar in elk geval niet saai. Geld, rechten en voorzieningen dragen slechts bij aan die verveling.
Dalrymple pleit ervoor zulke mensen te introduceren in wat zoal interessant kan zijn, via volwassenenonderwijs, musea en concertgebouwen. Voorzieningen die niet domweg bieden wat ze denken dat de mensen willen, maar die mensen kennis laten maken met hogere cultuur. Zijn eigen vader werd als arbeiderszoon daarin nog geïntroduceerd door een zelfverzekerde elite. Inmiddels is de middenklasse daar te onzeker voor en beperkt zich dus tot het eindeloos schaven aan de eigen kinderen, waardoor de kloof alleen maar groter wordt. Respect is tegenwoordig een mooi woord voor: anderen laten stikken en je terugtrekken in je eigen groep.
We weten het: Dalrymple doet Links braken. Hij riekt te veel naar paternalisme. Maar deze afkeer van paternalisme is voor Links in zekere zin tegennatuurlijk. Links was altijd juist een groot voorstander van volksopvoeding. Veel van het sociale werk dat vanaf het begin van de 20e eeuw werd opgezet, met nieuwe beroepen als maatschappelijk werksters, had tot doel de arbeidersklasse ook qua deugden, interesses, gewoonten en smaak te verheffen. In de jaren dertig werd dit ook een meer politiek programma onder leiding van cultuursocialistische grondleggers van de PvdA zoals Willem Banning en Koos Vorrink. Antipaternalisme is van oudsher niet Links maar liberaal Rechts. Daar heeft men de mond vol van de mondige burger die zijn eigen boontjes kan doppen, niet langer betutteld wil worden en in de privé-sfeer niet lastig gevallen wil worden door de overheid.
Den Uyl was de laatste Nederlandse sociaal democraat die nog zonder ironie sprak over de nieuwe mens. In de jaren zeventig heeft nieuw-Links de volksopvoeding bij het grof vuil gezet en het liberaal-Rechtse antipaternalisme omarmd. Men schaamde zich de ogen uit het hoofd voor de eigen voorhoede-pretenties en het dédain waarmee men nog pas daarvoor had neergekeken op het klootjesvolk. Men leerde van Isaiah Berlin dat paternalisme onvermijdelijk leidde tot Stalinisme. Was het bovendien niet onder het mom van een beschavingsoffensief dat westerse landen talloze culturen hebben vernietigd en miljoenen mensen hebben vernederd? De middenklasse beschavers werden, of maakten zichzelf, mikpunt van spot en wantrouwen. Achter hun schijn van prettige omgangsvormen legden Links, de vrouwen- en de homobeweging een beerput van wederzijdse minachting, zelfontkenning en geweld bloot. Niet de beschaafde burgerman maar de gekken, de zwakzinnigen, de daklozen en de bohémiens werden de inspiratiebron. Die waren niet beschaafd en dus zichzelf. Beschaving werd de tegenpool van zelfontplooiing, authenticiteit, gelijkheid en respect. Een ander te willen verheffen is sindsdien per definitie respectloos, neerbuigend en vernederend. Beschavers moeten eerst maar eens naar zichzelf kijken.
Dat neemt allemaal niet weg dat veel huidige wetgeving nog wel uit de oude, paternalistische koker komt. Neem de leerplichtwet. Deze wet uit 1901 zou anno 2005 beslist niet door de Kamer komen. Alle kinderen de hele week verplicht naar school? Mondige ouders kunnen heus wel zelf uitmaken wat het beste is voor hun kind! Toch erkent iedereen dat deze wet cruciaal was en is voor een van de belangrijkste Linkse doelen: de emancipatie van (kinderen van) laagopgeleiden, vrouwen en migranten. Dat Links niet snel zal voorstellen om de leerplichtwet af te schaffen, maar er ook nooit voor zou stemmen als hij vandaag de dag door de Kamer moest, tekent de Linkse lafhartigheid ten aanzien van paternalisme.
Hetzelfde geldt voor collectieve CAOs, pensioenregelingen, ziektekostenverzekeringen en valhelmen. Vreselijk paternalistisch om mensen daartoe te verplichten. Maar onmiskenbaar een geweldige bijdrage aan de levenskwaliteit van de mensen voor wie Links altijd voor opkomt. Juist vanwege dat paternalisme. Juist omdat dit beleid ervan uitgaat dat beleid mensen soms moet corrigeren in hun neiging korte termijn-vrijheid hier en nu meer gewicht te geven dan gezondheid, welzijn en ontplooiing op de lange termijn.
Er wordt nog steeds paternalistisch beleid gemaakt. Het mag alleen niet meer zo heten. Sommige kinderen hebben op hun vierde jaar een haast niet meer in te lopen taalachterstand. Bijna iedereen vindt dat de overheid zich hiermee moet bemoeien, via bijspijkerprogrammas voor de kinderen en opvoed- en voorleescursussen voor de ouders. Maar je mag niet meer zeggen dat je dit doet voor de kinderen zelf, want dat zou maar paternalistisch zijn. Dus wordt dit beleid verdedigd door erop te wijzen dat wij er schade van zullen ondervinden wanneer die kinderen niet leren lezen. Dit absurde oprekken van het liberale, voor iedereen namelijk wel acceptabele, niet-schadenbeginsel leidt bijvoorbeeld tot de komische situatie dat zelfs beleid voor tweejarigen wordt verkocht als criminaliteitspreventie.
Paternalisme is ook dagelijkse praktijk voor leraren, wijkbeheerders, artsen, psychologen, jeugdhulpverleners en andere frontliniewerkers. Alleen voelen ze zich daarin weinig gesteund door politiek en samenleving die onmogelijke eisen stellen. Als er sprake is van schade, dan moet men hard en snel optreden, op straffe van vervolging, zoals in het geval van de gezinsvoogd in de Savannah-zaak. Maar is er alleen sprake van onverstandig gedrag, dan is zelfs iemand aanspreken al paternalistisch. Terwijl het gros van hun werk zich nu juist bevindt in het grijze, maar zeer drukbezette gebied tussen vrijlaten en ingrijpen.
Tijd dus voor een Links Beschavingsoffensief. Niet eens omdat er nu geen beschavingsarbeid plaats vindt, maar vooral om dat gegeven ook trots te erkennen. Dat is noodzakelijk om de mensen in de frontlinie van het beschavingswerk de steun te verlenen, die we hen verschuldigd zijn. Een modern, Links beschavingsoffensief is niet alleen nodig uit solidariteit met kwetsbare groepen, maar ook voor het beschermen van een open, kwetsbare democratie. Er wordt veel geklaagd over de machteloosheid van de partij-politiek, over de verstikkende hoeveelheid wetten en regels, over het gebrek aan bezieling en wij-gevoel en over eenzaamheid dankzij het doorgeschoten individualisme. Het fascisme bleek eerder wel raad te weten met dergelijke onlustgevoelens: de machteloosheid van de politiek werd opgelost door een krachtige leider die zichzelf boven de wet plaatste; collectieve bezieling, zin en eenheid werden gecreëerd door op te roepen tot een epische strijd van wij tegen zij; en de groep bevrijdde het individu van de last van diens eigen verantwoordelijkheid. Angst is een goede voedingsbodem voor dit soort sentimenten.
We willen de continuïteit met de Linkse beschavingsgeschiedenis herstellen.Uiteraard moeten we daarbij de problemen van die geschiedenis niet ontkennen. We leven nu in een meer democratische, technologische en pluralistische samenleving dan destijds en een nieuw Links beschavingsoffensief moet zich daar rekenschap van geven. Daarom is het noodzakelijk om mensen uit te rusten met de deugden en vaardigheden die hen in staat stellen zich overeind te houden in een pluralistische, individualistische en dynamische omgeving.
Anders dan Gabriël van den Brink pleiten wij niet voor meer regels of betere naleving daarvan, maar voor bevordering van deugden en vaardigheden. Over welke vaardigheden moet men beschikken om zich goed te kunnen handhaven in een samenleving die bovenal wordt gekenmerkt door secularisering, pluriformiteit en dynamiek? Secularisering betekent niet dat God voor iedereen dood is, wel dat God in de samenleving niet langer de dienst uit maakt.
Als we secularisering radicaal opvatten en dus weigeren om de Rede of de Wetenschap in de plaats te stellen van de onttroonde God, dan hebben we het dus over vaardigheden die ons niet alleen in staat stellen onzekerheid, discussie, betrekkelijkheid, perspectivisme en dubbelzinnigheid uit te houden, maar daar zelfs van te genieten. Dogmatisme is vanuit dit perspectief niet een zonde, maar een teken van ontbrekende vaardigheden. Wanneer we dit vertalen naar het terrein van de moraal, dan betekent secularisering ten eerste het afscheid van allerlei vormen van blinde plichtsethiek. In de traditionele opvatting van een alwetende en almachtige God, is de mens alleen verantwoordelijk voor het gehoorzamen aan Zijn geboden. Ook als dat op het eerste gezicht tot heel erge gevolgen leidt, is dat niet de verantwoordelijkheid van het individu. Immers: de mens wikt, maar God beschikt. En wie beschikt, draagt de morele gevolgen. In een geseculariseerde wereld daarentegen, wordt van het individu verwacht dat dit niet simpelweg regels volgt, maar zelfstandig nadenkt over de gevolgen van zijn keuzes. En omdat die gevolgen zelden vantevoren met absolute zekerheid kunnen worden vastgesteld, horen onzekerheid en risicos onlosmakelijk bij de moraal. Beschaving betekent dat we tastend voorwaarts gaan, met een open oog voor ervaringen die ons zouden moeten nopen ons oorspronkelijke uitgangspunten te herzien en liefst bereid om zo nodig onze koers te verleggen in het licht van nieuwe ervaringen.
Ten tweede betekent secularisering dat we er niet langer van uit kunnen gaan dat God de wereld goed heeft geschapen, in de zin dat er geen wezenlijke waardeconflicten zouden kunnen voorkomen. Onze morele orde is gebroken; pluriformiteit, waardenpluralisme, conflict en tragiek horen onlosmakelijk bij de moderne moraal. Ouders die hun kinderen de straat op sturen met de boodschap Doe geen slechte dingen bedoelen het goed, maar schieten te enen male tekort. Het is immers lang niet altijd duidelijk of onomstreden wat slecht is. Isaiah Berlin merkte decennia geleden al terecht op dat wezenlijke waarden als vrijheid, gelijkheid en broederschap vaak met elkaar conflicteren. Dat betekent dat er over waardenconflicten onoplosbare meningsverschillen mogelijk zijn. Men is geen relativist als men erkent dat verschillende waarden soms niet op een eenduidige manier tegen elkaar kunnen worden afgewogen. Beschaving behelst hier bijvoorbeeld de bereidheid om je te verdiepen in het perspectief van een ander, het vermogen die ander toegang te bieden tot jouw eigen perspectief, het vermogen om creatief te zoeken naar compromissen of herdefiniëringen van het probleem waardoor wel overeenstemming – of gewoon vreedzaam samenleven - mogelijk wordt. Het gaat ook om zoiets als tact: het vermogen om niet onnodig te kwetsen. En om moed: de durf om wel te kwetsen wanneer dat nodig en passend is. En om wijsheid: het vermogen om het verschil tussen die beide situaties in te kunnen schatten.
De wereld verandert snel. Dat roept begrijpelijkerwijs de behoefte op aan vaste ankerpunten. Een heldere scheiding tussen wij en zij, bijvoorbeeld. Of een Doel om voor te leven en te sterven. Of eenduidige geboden om te gehoorzamen. Of verandering roept de behoefte op om juist altijd bij de tijd te zijn, voorop te lopen met de laatste (intellectuele) mode. Beschaving betekent hier in de eerste plaats: deze dynamiek onder ogen willen zien. En in de tweede plaats: maatgevoel. Je open stellen voor nieuwe ervaringen die je bestaande routines en overtuigingen uitdagen, maar niet met elke mode en wind meewapperen. Het vermogen om je traditionele vanzelfsprekendheden te toetsen aan nieuwe ervaringen, zonder elke traditie en routine per definitie bij het grofvuil te zetten. Beschaving is de bereidheid om te leren en te veranderen.
Uiteraard: deze deugden hebben alleen kans om op te bloeien wanneer er een basaal gevoel van zelfrespect en eigenwaarde voorhanden is waardoor men ook in staat is om externe zekerheden losser te laten. En de aanwezigheid van die basiszekerheden hangt mede af van sociaal-economische factoren: wie gediscrimineerd wordt en weinig economische perspectieven heeft, is vatbaarder voor dogmatisme. Een beschavingsoffensief komt dan ook niet in de plaats van de strijd voor sociaal-economische rechtvaardigheid, maar vormt daarvan het noodzakelijke complement.
Wat een slap beschavingsoffensief, zal mening linkse lezer nu denken. Allemaal deugden waar niemand tegen is. Maar zoals conservatieven altijd gelijkheid van vrouwen en homos met de mond belijden zolang er maar geen beleid van gemaakt wordt, zo is Links een groot voorstander van beschaafd gedrag, als er maar geen consequenties aan worden verbonden. Als je die consequenties er namelijk wel aan verbindt, ben je immers paternalistisch en verraad je het liberalisme dat Links zo heftig omarmt. Daarom beperkt menig linkse denker zich tot het met de mond belijden van een afkeer van paternalistische beschavingspogingen, terwijl men van binnen hoopt dat menig Nederlander op de een of andere manier toch – vanzelf – beschaafd zal worden. Men hoop dat het gebeurt, maar is te bang om er zelf actief aan bij te dragen.
Het hier voorgestelde beschavingsoffensief lijkt haaks te staan op de liberale omarming van pluriformiteit en levensbeschouwelijke vrijheid. Toch is dat niet het geval. Het liberalisme probeert een aantal onpartijdige, neutrale regels te formuleren waardoor mensen vreedzaam kunnen samenleven, en er toch zo veel mogelijk hun eigen levensbeschouwing op na kunnen houden. Een liberale basisregel is bijvoorbeeld: ik moet jou evenveel ruimte gunnen als ik voor mijn eigen levensbeschouwing opeis. Probleem is echter dat de klassieke liberale theorieën zich niet of nauwelijks uitlaten over de vaardigheden die men moet hebben om deze regels met vrucht in de praktijk te brengen. Meestal wordt volstaan met te verwijzen naar een soort verlicht eigenbelang, gecombineerd met een principe als Wat gij niet wilt dat U geschiedt... In de praktijk is dat: You go your way, I go mine. Maar het geloof in het bestaan van zulke gescheiden werelden is echter volstrekt onrealistisch: in een land als Nederland zijn alle inwoners met zo veel draden met elkaar verweven, dat het een naïeve fictie is om te denken dat we simpelweg allemaal ons eigen wereldje kunnen inrichten. Bovendien blijkt het voor menigeen moeilijk om liberaal te blijven wanneer men onzeker is over zichzelf, wanneer men de eigen zekerheden voortdurend ziet ondermijnd door anderen of door anonieme ontwikkelingen in de wereld. Kortom: met een handjevol liberale verkeersregels komen we er niet. We moeten nadenken over welke vaardigheden burgers moeten beschikken om in een veranderend en pluriform Nederland vreedzaam en constructief samen te kunnen leven. Het antwoord op die vraag bepaalt de inhoud van een eigentijds beschavingsideaal.
En dat ideaal mag dan ook door het collectief, dus ook van staatswege, actief worden bevorderd. Zoals gezegd: dat gebeurt allang op tal van plaatsen, ook al komen we er niet voor uit. Laten we het erkennen en versterken. Drie voorbeelden. Dalrymple constateert bij daders en slachtoffers van huiselijk geweld dat zij een geweldloos leven geen kans kunnen geven. Als hij daarin gelijk heeft, dan zou beleid (aanvullend op voorzieningen en geld) mensen recht op, maar ook de plicht tot ontwikkeling van die vaardigheden moeten geven. Dus als je leven veel problemen kent die mede voortkomen uit je eigen gebrek aan vaardigheden, dan heb je alleen blijvend recht op die voorzieningen wanneer je meedoet aan een vaardighedenprogramma.
Ander voorbeeld: ter bestrijding van het korte lontje in de publieke sfeer, zou een sociale dienstplicht een oplossing kunnen zijn. Daarmee zouden mensen de complexiteit van de hedendaagse publieke dienstverlening leren kennen, en leren zien hoeveel moeilijke afwegingen daar gemaakt moeten worden. Ze zouden kunnen leren hoe vaak beslissingen moeten worden genomen terwijl men onzeker is over de gevolgen ervan, hoe vaak er zowel voor het een als voor het ander iets te zeggen valt, hoe belangrijk het is om naar een zaak vanuit verschillende perspectieven te kijken, hoe noodzakelijk het soms is om vuile handen te maken, en ga maar door. Aristoteles wist al dat burgers zich alleen goed lieten besturen wanneer zij zelf ervaring met het besturen hadden.
Derde voorbeeld: mensen die zich geheel terugtrekken in de eigen leefwereld. Een Links beschavingsoffensief zou de inburgering uitbreiden, zodat er meer aandacht kan komen voor het ontwikkelen van deugden als openheid en nieuwsgierigheid. Zodat men voldoende zelfvertrouwen ontwikkelt om weerstand te bieden aan wij/zij tegenstellingen.
Verwerven van deugden en vaardigheden is overigens geen eenrichtingsverkeer. Wij/zij denken is bijvoorbeeld nooit voorbehouden aan hen maar tekent ook ons. In buurten waar mensen met verschillende culturele achtergronden op dagelijkse basis met elkaar (over)leven ontstaan vaardigheden en vormen van kennis die belangrijk zijn voor alle bewoners van de multiculturele samenleving. Er zijn vast betere voorstellen te bedenken. Het gaat ons erom dat Links zich niet langer meesmuilend afwendt van het beschavingsdebat. In plaats van zich te wentelen in het anti-paternalisme, kan Links beter een eigen visie op beschaving ontwikkelen. Niet om mensen te disciplineren en te kleineren, maar om ze uit te rusten voor onze vaak veeleisende, maar ook spannende en rijke samenleving.
Tsjalling Swierstra is filosoof aan de Universiteit Twente; Evelien Tonkens is socioloog aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een ingekorte en bewerkte versie van een artikel in Krisis: Tijdschrift voor empirische filosofie (2005, no.3) over Linkse Sprakeloosheid. Verkrijgbaar via de boekhandel.