Ontmaskering van de vrije wil: onze rechtspraak op de helling?
In een vorig jaar gepubliceerd rapport over onze rechtsstaat komt het Tweede Kamerlid Eerdmans tot de conclusie dat het Nederlandse rechtssysteem in een viertal opzichten tekort schiet, te weten in toegankelijkheid, onafhankelijkheid, democratische legitimiteit en openbaarheid. Zijn remedie daartegen is de realisering van grotere invloed van burgers op de rechtspraak door leken in die rechtspraak te betrekken. Hij kreeg voor dat idee onlangs steun van het PvdA Tweede Kamerlid Dubbelboer die nog verder gaat en ook voor invoering van juryrechtspraak is. Dat laatste vergt grondwetswijziging, het eerste niet. Krachtens artikel 116 lid 3 is het namelijk mogelijk dat aan de rechtspraak ook deelgenomen wordt door personen die niet tot de rechterlijke macht behoren. Eerdmans doelt daarmee op de zogenaamde schepenrechtspraak. Het gaat daarbij om beroepsrechters die samen met leken beraadslagen en beslissen over het hele geding. Tal van landen – bijvoorbeeld Duitsland en Oostenrijk – kennen dat al. Een dergelijke mede door leken gedragen rechtspraak zou de toegankelijkheid, de openbaarheid en de democratische legitimiteit van onze rechtspraak zeker ten goede komen. Maar zij staat wel haaks op onze regententraditie die ertoe geleid heeft dat de Nederlandse rechtspraak in de regel een exclusief professioneel karakter draagt.Op een veel fundamenteler niveau wordt ons systeem van recht en rechtspraak echter ter discussie gesteld en ondergraven door wetenschappers zoals de bioloog Dawkins, de biochemicus Kandel, de sociobioloog Wilson, de natuurkundige Rietdijk en vele anderen die de gangbare veronderstelling van de vrije wil en de daarop gestoelde persoonlijke verantwoordelijkheid van een ieder voor eigen gedrag op basis van wetenschappelijk onderzoek ontkennen. In tal van psycho-fysiologische experimenten, meent ook de psycholoog en columnist Ritsema, is bewezen dat de vrije wil niet bestaat evenmin als het bewustzijn of het denkende ego. Het zijn allemaal illusies, bijproducten van ingewikkelde kettingreacties op eiwitniveau in de hersenen.
Nu is de kwestie van de wilsvrijheid met name in strafrechttheorieën allang een punt van discussie. Men heeft die kwestie echter lange tijd weten te omzeilen door te stellen dat noch de hypothese van determinisme noch die van indeterminisme met zekerheid te bewijzen valt. Dat wordt nu zoals gezegd echter steeds meer aangevochten door wetenschappers zoals Dawkins die stellen dat we op grond van wetenschappelijke bevindingen toe zijn aan een heel ander systeem van recht en rechtspraak. Ritsema vindt daarentegen dat we toch maar moeten blijven uitgaan van de vrije wil, ook al is dat een vrome illusie van wie nog niet op de hoogte is van wat wetenschappelijk onderzoek hierover leert. Zonder de illusie van de vrije wil wordt het leven bovendien, vreest zij, zinloos.
Op de keper beschouwd is dat een laffe houding. Als men echt meent dat de vrije wil een illusie is, moet men niet weglopen voor de gevolgen die dat heeft. Dan moet men met Dawkins erkennen dat heel ons traditionele juridische begrippenapparaat dat uitgaat van zelfbepaling en persoonlijke verantwoordelijkheid niet langer houdbaar is. Dat we dus in heel andere categorieën over recht en rechtsysteem moeten gaan denken, in het strafrecht bijvoorbeeld in louter sanctierecht. Dit sanctierecht zou bestaan uit maatregelen waarmee we onze samenleving beveiligen tegen degenen die zich niet aan de regels houden, zoals dat nu gebeurt tegen criminelen die niet toerekeningsvatbaar geacht worden. In de geneeskunde moeten we dan ook het onderscheid van lichamelijke en psychische klachten loslaten.
Het is overigens de vraag of het al of niet bestaan van de vrije wil te bewijzen valt op de wijze waarop natuurwetenschappers als Dawkins dat menen te kunnen doen. Zij doen dat op basis van een bepaalde wetenschapsopvatting die uitgaat van een materialistisch mensbeeld en van de hypothese dat empirische waarneming voorwaarde is voor relevante kennis. Al heeft die wetenschapsopvatting veel relevante kennis voortgebracht, zij heeft daarop niet het monopolie. Zij heeft evenmin de waarheid in pacht als welke geloofsovertuiging ook. Als zodanig is zij in de wetenschapsfilosofie inmiddels ook ter discussie gesteld en aangevochten. Postmoderne filosofen als Lyotard en Rorty beweren zelfs dat we eigenlijk helemaal geen bindende uitspraken over de werkelijkheid kunnen doen.Gezien het voorgaande is er geen reden ons systeem van recht en rechtspraak aan te passen aan de natuurwetenschappelijke opvattingen van Dawkins.
S.W. Couwenberg is directeur/hoofdredacteur van Civis Mundi en oud hoogleraar staats- en bestuursrecht
